Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9915

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-07-2002
Datum publicatie
02-07-2002
Zaaknummer
01704/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9915
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 126ff, geldigheid: 2002-07-02
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2002, 189
JOL 2002, 397
NJ 2002, 602

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 1704/01 + 17405/01

Zitting 26 februari 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte] + [medeverdachte]

1. Verdachte [verdachte] is op 14 februari 2001 door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens - kort gezegd - het medeplegen van de in- en uitvoer en/of verkoop en/of het vervoer van cocaïne en MDMA alsmede wegens het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete van honderdduizend gulden te vervangen door driehonderdzestig (360) dagen hechtenis. Het arrest is gepubliceerd in de Nieuwsbrief strafrecht 2001, 62.

Verdachte [medeverdachte] is op 14 februari 2001 door hetzelfde Gerechtshof wegens - kort gezegd - het medeplegen van de in- en uitvoer en/of verkoop en/of het vervoer van cocaïne en MDMA veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens heeft het Hof een inbeslaggenomen personenauto verbeurd verklaard en de teruggave gelast van een inbeslaggenomen telefoon.

2. Namens verdachte [verdachte] heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, een middel van cassatie voorgesteld. Namens verdachte [medeverdachte] heeft mr. K.B.H. Welvaart een middel van cassatie voorgesteld.

Hoewel de uitwerking van beide middelen verschillend is, komt de strekking van het middel in deze samenhangende zaken zozeer overeen dat deze gezamenlijk kunnen worden besproken.

3. Beide middelen behelzen de klacht dat het Hof art. 126ff Sv onjuist heeft uitgelegd. Door een te beperkte uitleg van het in art. 126ff Sv uitgedrukte 'weten' zou het Hof ten onrechte het beroep hebben verworpen dat ertoe strekte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

4. Ter terechtzitting van het Hof heeft de raadsman daartoe aangevoerd dat de politie naar aanleiding van taps en (stelselmatige) observaties (a) wist dat het (mede) door verdachte uitgeoefende taxibedrijf geen normaal taxibedrijf was maar een dekmantel voor transacties in verdovende middelen (harddrugs) en bovendien (b) de vindplaats wist van de betreffende harddrugs te weten een zogenoemde 'stechplaats' in een garage. Gelet op het bepaalde in art. 126ff Sv had de politie de betreffende verdovende middelen in beslag moeten nemen omdat zich de uitzonderingen als bedoeld in art. 126ff lid 2 en lid 3 Sv niet voordeden.

5. Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen:

Bij het bepalen van de werkingsomvang van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering zijn de volgende aspecten van belang.

Allereerst de tekst van de bepaling. Voor zover van belang luidt deze:

"De opsporingsambtenaar die handelt ter uitvoering van een bevel als omschreven in de titels IVA tot en met V (kort gezegd: de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, hof) is verplicht van de hem in de wet verleende inbeslagnemingsbevoegdheden gebruik te maken, indien hij door de uitvoering van het bevel de vindplaats weet van voorwerpen waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is (..)".

In de tekst is derhalve uitdrukkelijk sprake van "weten", hetgeen op zichzelf een sterke aanwijzing oplevert dat aan dat weten hogere eisen gesteld moeten worden dan aan andere vormen van weten in de regeling van de dwangmiddelen in het Wetboek van Strafvordering, zoals "redelijk vermoeden" of "ernstige bezwaren". Verder geeft de tekst uitdrukkelijk aan dat de wetenschap ontstaan moet zijn door de toepassing van de bevoegdheden van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, hetgeen een beperking van de werkingsomvang van het artikel impliceert.

Vervolgens is van belang de parlementaire geschiedenis van genoemde wettelijke bepaling. Bij het lezen van die geschiedenis valt direct op dat deze summier is. Een duidelijke definitie van "weten" ontbreekt; evenals significante voorbeelden ter illustratie van de werkingsomvang van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering. In de geschiedenis staat nergens dat "weten" - in strijd met de gebruikelijke betekenis van het woord - begrepen moet worden als "(voldoende) aanwijzingen" of "een (redelijk) vermoeden" of "ernstige bezwaren". Wel merkt de minister op dat gebleken is dat het niet eenvoudig is een adequate formulering voor het verbod op doorlaten te vinden. Hij spreekt vervolgens de hoop uit dat de gevonden formulering zal voldoen, zodat het verbod op doorlaten in de rechtspraktijk adequaat zal worden ingevuld en nageleefd, waarbij hij niet alleen de tekst van de wet van belang acht, maar ook de ratio van het verbod (EK, 25403, nr. 119b, blz. 3 en 4). De geschiedenis biedt derhalve weinig aanknopingspunten voor het vaststellen van de werkingsomvang van het begrip "weten", behalve dat blijkbaar niet beoogd is aan dat begrip een andere betekenis te geven dan de grammaticale betekenis van het woord. Met andere woorden: weten is weten.

Verder is van belang de ratio van het verbod op doorlaten. Uit de toelichting op het gewijzigd amendement dat aan de basis heeft gelegen van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering blijkt dat het gaat om de veiligheid en de volksgezondheid.

Dit tegen de achtergrond van het debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden (TK, 25 403, nr. 27, blz. 2). In het genoemde rapport is een hoofdstuk gewijd aan "doorlaten" (TK 24072, nr. 14, Hoofdstuk 7).

Uit de daar behandelde voorbeelden en casusposities blijkt dat het steeds gaat om situaties waarbij opsporingsambtenaren volledige zekerheid hebben dat er sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden. Het hof verwijst met name naar de in het rapport besproken Delta-methode en het Bever-onderzoek. Artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering beoogt aan deze en soortgelijke opsporingsmethoden een eind te maken, hetgeen ook strookt met het vereiste van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering dat de vereiste wetenschap ontstaan moet zijn door toepassing van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden. Dit alles levert voor de uitleg van het begrip weten in artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering een sterke aanwijzing op dat het verbod zich uitstrekt tot die situaties dat opsporingsambtenaren weten, in de zin van volledige zekerheid hebben, dat sprake is van verboden voorwerpen en waar deze zich bevinden.

Ten slotte acht het hof de plaats van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering in het systeem van de dwangmiddelen van het Wetboek van Strafvordering relevant. Bij genoemd artikel gaat het om een verplichting om gebruik te maken van een dwangmiddel, te weten inbeslagname. Een dergelijke plicht is in het systeem van de dwangmiddelen a-typisch, omdat bij de overige dwangmiddelen een beleidsvrijheid bestaat om gebruik te maken van die bevoegdheden. Het feit dat het artikel in het systeem van dwangmiddelen uitzonderlijk is, levert een sterke aanwijzing op dat de werkingsomvang van het artikel beperkt moet zijn, zeker ook nu de summiere parlementaire geschiedenis geen aanwijzingen biedt voor het tegendeel.

Op grond van al het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat aan artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering een beperkte werkingsomvang toekomt. Dit betekent dat van "weten" in de zin van genoemd artikel slechts sprake is op het moment dat bij opsporingsambtenaren als gevolg van toepassing van bevoegdheden van - kort gezegd - de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden volledige zekerheid bestaat over het feit dat sprake is van verboden voorwerpen in de zin van dat artikel en volledige zekerheid bestaat over de vindplaats van die verboden voorwerpen.

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat er over het perceel Op de [a-straat 1] te Itteren pas volledige zekerheid bestond over de vindplaats van verdovende middelen op het moment dat opsporingsambtenaren dat perceel betraden en daar verdovende middelen aantroffen, zijnde 23 mei 2000. Nu die volledige zekerheid ontstaan is door een zoeking en niet door de toepassing van de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden, is van schending van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering geen sprake.

Voor wat betreft het door de verdediging gestelde doorlaten van harddrugs aan gebruikers is uit het onderzoek ter terechtzitting niet gebleken dat er op enig moment meer dan een redelijk vermoeden geweest is dat één of meer van die gebruikers verboden middelen hebben afgeleverd gekregen. Er was met andere woorden geen sprake van volledig zeker weten bij opsporingsambtenaren dat het om harddrugs ging.

Ten overvloede overweegt het hof dat iedere ruimere interpretatie van "weten" in de zin van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering, bijvoorbeeld wetenschap in de zin van (voldoende) aanwijzingen, tot de voor de opsporingspraktijk onaanvaardbare consequentie leidt dat opsporingsambtenaren verplicht zijn vermoedelijk verboden voorwerpen in beslag te nemen op het moment dat dat om tactische redenen ongewenst is en dat aldus criminele organisaties in onderzoek de mogelijkheid wordt geboden het onderzoek te manipuleren. Aldus zou geen sprake zijn van een adequate invulling van het artikel in de rechtspraktijk, zoals door de minister gehoopt.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden hebben geleid tot schending van artikel 126 ff van het Wetboek van Strafvordering.

6. Beide middelen bevatten de rechtsklacht dat het Hof het in art. 126 ff Sv neergelegde verbod op doorlaten verkeerd heeft uitgelegd door te oordelen dat van een verplichting tot inbeslagneming op grond van het bepaalde in art. 126ff Sv slechts sprake kan zijn indien er 'volledige zekerheid' bestaat over de vindplaats van de daar bedoelde verboden voorwerpen.

7. Voorafgaand aan de bespreking van de middelen wil ik erop wijzen dat het de vraag is of en zo ja, in hoeverre verdachte kan profiteren van een mogelijke schending van het in art. 126ff Sv neergelegde verbod.

Tijdens de parlementaire bespreking van deze bepaling heeft de minister gewezen op de mogelijke consequenties van schending van art. 126ff Sv. Die zouden in de eerste plaats liggen bij disciplinaire maatregelen voor de betreffende opsporingsambtenaren. Gelet op het geschonden belang achtte de minister het 'minder aannemelijk' dat een dergelijke schending zou leiden tot bewijsuitsluiting laat staan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

In dit geval kan worden vastgesteld dat het rechtsbelang dat naast de integriteit van de opsporing primair door het onderhavige verbod wordt gediend dat van de slachtoffers van gevaarlijke stoffen is. Drugs kunnen (moeten) worden inbeslaggenomen en onttrokken aan het verkeer omdat zij een risico voor de volksgezondheid zijn. Dat maakt het minder aannemelijk, dat handelen in strijd met het verbod op doorlaten tot bewijsuitsluiting leidt. Het valt de samenleving moeilijk uit te leggen waarom schending van een regel die in het belang van volksgezondheid is opgesteld, degene vrijpleit die van een grove schending van dat belang verdacht wordt.

De sanctie op schending van het verbod op doorlaten zal voor het overige, gelet op het voorgaande, vooral binnen het openbaar ministerie gerealiseerd moeten worden. De officier van justitie die, zonder de procedure doorlopen te hebben die daarvoor voorgeschreven is, in strijd met het verbod op doorlaten handelt, riskeert in ieder geval disciplinaire straffen. ()

Uit het bovenstaande vloeit voort dat het verbod op doorlaten vooral een norm is die binnen het openbaar ministerie, onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie, moet worden gehandhaafd. (Kamerstukken II 1997-1998, 25 403, nr. 7 (MvA), blz. 5. Zie ook Handelingen II 11 november 1998, blz. 23-1492 en 12 november 1998, blz. 24-1553).

8. Voor de beoordeling van de middelen is allereerst van belang dat art. 126ff Sv het vervolg is van een motie in het kader van het debat over de uitkomsten van de Parlementaire enquête opsporingsmethoden. In die motie sprak de Tweede Kamer zich uit voor een 'algemeen verbod' van doorlaten van personen en van goederen die schadelijk of gevaarlijk kunnen zijn voor de veiligheid of de volksgezondheid. In een als 'muizengaatje' aangemerkte uitzondering werd voorzien met een ontheffing op het verbod van het college van procureurs-generaal. De motie luidt als volgt:

Ten aanzien van het doorlaten van personen en van goederen die schadelijk of gevaarlijk kunnen zijn voor de veiligheid of de volksgezondheid geldt een algemeen verbod.

Ten aanzien van genoemde goederen bestaat de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing van het verbod door het College van procureurs-generaal, dat de beslissing tot ontheffing onmiddellijk ter kennis brengt van de minister van justitie.

Voor deze beslissing worden geen criteria geformuleerd opdat zich geen beleidsinstrument ontwikkelt en elke beslissing aan de hand van het concrete voorliggende geval kan worden beoordeeld. De Kamer wordt periodiek gerapporteerd over eventuele doorlating.

(Kamerstukken II 1995-1996, 25 072, nr. 52)

9. In de motie komt de Tweede Kamer tegemoet aan de wens van het kabinet dat zich op het standpunt stelde dat 'in zeer uitzonderlijke gevallen en onder stringente voorwaarden' de mogelijkheid moest bestaan om van het verbod op het doorlaten van dergelijke goederen ontheffing te verlenen, waarbij werd gedacht aan een beslissing van het College van procureurs-generaal die deze vooraf aan de minister van Justitie diende voor te leggen (Kamerstukken II 1995-1996, 25 072, nr. 46, blz. 16). De commissie Van Traa achtte doorlaten daarentegen niet toegestaan, met uitzondering van 'de enkele proefzending van een kleine hoeveelheid softdrugs' (Kamerstukken II 1995-1996, 25 072, nr. 25, blz. 14).

10. Het in de eerder genoemde motie door de Tweede Kamer uitgesproken verbod van doorlaten werd bij de behandeling van het voorstel van de Wet bijzondere opsporingsmethoden via een amendement uitgewerkt in art. 126ff Sv (Kamerstukken II 1998-1999, 25 403, nrs. 9 en 27). De minister van justitie had er overigens de voorkeur aan gegeven het verbod van doorlaten neer te leggen in een richtlijn zodat de opportuniteitsvrijheid van het openbaar ministerie in voorkomende gevallen kon worden behouden (Kamerstukken II 1998-1999, 25 403, nr. 6 (Verslag), blz. 1-2; Kamerstukken II 1998-1999, 25 403, nr. 7 (Nota naar aanleiding van het verslag), blz. 1-5).

11. In de toelichting op het amendement werd omschreven wat onder doorlaten werd verstaan en werd de achtergrond van het amendement uiteengezet.

Onder doorlaten wordt verstaan het onder regie van politie en justitie bewust op de markt laten komen van illegale goederen. Tijdens het debat van 13 juni 1996 over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie opsporingsmethoden heeft de Tweede Kamer in een motie (24 072, nr. 52) uitgesproken dat ten aanzien van het doorlaten een algemeen verbod geldt, waarvoor slechts op grond van een zwaarwegend opsporingsbelang ontheffing kan worden verleend. Onderhavig amendement zorgt ervoor dat dit uitgangspunt in het Wetboek van Strafvordering zal worden opgenomen.

(Kamerstukken II 1998-1999, 25 403, nr. 9 blz. 2.)

12. Bij de bespreking van het amendement in de Tweede Kamer kwam de herkomst van het verbod van doorlaten wederom ter sprake en werd onderkend dat de tekst van de bepaling wellicht niet helemaal de bedoeling ervan uitdrukte, maar dat met het verbod van doorlaten werd bedoeld aan te sluiten bij de uitkomsten van de parlementaire enquête terwijl het tevens voor de praktijk werkbaar moest blijven (Handelingen II 12 november 1998, blz. 24-1550/1552 met name blz. 24-1550).

13. Dit verklaart dat in de toelichting op het amendement de nadruk werd gelegd op het bewust op de markt laten komen van illegale goederen onder regie van politie en justitie. De parlementaire enquête betrof in het bijzonder gevallen waarin illegale goederen onder regie van politie en justitie bewust op de markt zijn gekomen. De betreffende Delta-methode werd in het eindrapport als volgt omschreven:

De methode bestaat uit het onder regie van politie en justitie gebruik maken van informanten die criminele organisaties facilitair ondersteunen.

14. Ook in de titel van het hoofdstuk in het eindrapport van de enquetecommissie wordt benadrukt dat het doorlaten regie van politie en justitie veronderstelt. Zie Kamerstukken II 1995-1996, 25 072, nrs. 10-11, blz. 72: Hoofdstuk 3 de delta-methode: doorlaten van drugs onder regie van politie en justitie. Op basis van de haar ter beschikking staande gegevens kwam de commissie tot de bevinding dat in totaal 285 ton softdrugs en 100 kilo cocaïne was doorgelaten (idem, blz. 161; zie voor de Delta-methode uitvoerig Kamerstukken II 1995-1996, 25 072, nr. 14 (Opsporingsmethoden), blz. 256-340).

15. In het bijzonder de betrokkenheid van politie en justitie bij het op de markt brengen van grote hoeveelheden soft- en harddrugs, raakt de integriteit van de overheid. Het kabinet noemde het 'niet meer uit te leggen' dat de overheid de criminaliteit eerst laat verdienen aan wat zij wil bestrijden (Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nr. 24, blz. 8). Daaraan zou nog kunnen worden toegevoegd dat de overheid de criminaliteit niet slechts laat verdienen maar helpt te verdienen. Naast het belang van de volksgezondheid ligt deze integriteit ten grondslag aan het verbod van doorlaten (Y. Buruma, Bijzondere opsporingsmethoden, 2001, blz. 8).

16. Het begrip weten is door de zogenoemde Commissie Kalsbeek in haar rapport als volgt uiteengezet.

Volgens artikel 126ff van het wetsvoorstel BOB moet er sprake zijn van het weten van de vindplaats van de betreffende voorwerpen. Naar het oordeel van de commissie betekent weten van de vindplaats van de betreffende voorwerpen dat de politie voldoende aanwijzingen heeft waar en op welk moment zich voorwerpen bevinden waarvan het aanwezig hebben of voorhanden hebben ingevolge de wet verboden is vanwege hun schadelijkheid voor de volksgezondheid of hun gevaar voor de veiligheid en voorts dat inbeslagneming van deze voorwerpen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mogelijk is.

(Kamerstukken II 1998-1999, 26 269, nrs. 4-5, blz. 211)

17. Bij de behandeling van het rapport van de Commissie Kalsbeek is een groot aantal vragen aan de Commissie voorgelegd door de vaste commissies van Justitie, Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties. Vraag 339 en het daarop door de Commissie gegeven antwoord luiden (Kamerstukken II 1998-1999, 26 269, nr.6, (Lijst van vragen en antwoorden), blz. 65 en 66) :

339

Naar het oordeel van de commissie betekent weten van de vindplaats dat de politie voldoende aanwijzingen heeft waar en op welk moment zich voorwerpen bevinden. Hoe verhoudt dit zich tot het criterium dat de politie "met redelijke mate van zekerheid ervan op de hoogte is" van het Hof Amsterdam 21 december 1998 (Nieuwsbrief strafrecht 29/1/1999)?

blz. 67 en blz. 211.

De formulering zoals weergegeven op blz. 211 beoogt hetzelfde als de jurisprudentie van het Hof Amsterdam zoals weergegeven op blz. 67 van het rapport.

18. De uitleg die de commissie Kalsbeek aan het begrip doorlaten gaf, maakte deel uit van aanbeveling 21 'om op zeer korte termijn aan de praktijk van de opsporing duidelijkheid te verschaffen over de betekenis van het verbod op doorlaten'. Die verduidelijking kwam aansluitend in de Aanwijzingen opsporingsbevoegdheden waar het begrip weten uit art. 126ff Sv als volgt wordt uitgelegd:

'Wetenschap' is meer dan een redelijk vermoeden. Er moet een voldoende mate van zekerheid zijn omtrent zowel de vindplaats als de aard van de voorwerpen. Aanwijzingen omtrent de eventuele aanwezigheid en vindplaats van schadelijke voorwerpen nopen tot nader onderzoek, waarna aan de hand van het resultaat van dat onderzoek al dan niet tot inbeslagneming zal worden overgegaan.

Opgenomen in Handboek voor de opsporingspraktijk, blz. A I 1.3.-3 (aanv. 3, augustus 2001; instemmend ten aanzien van deze Aanwijzingen is de minister van Justitie in Aanhangsel II 2000-2001, nr. 196).

19. De minister van Justitie heeft vervolgens laten weten dat met de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden - die een begripsbepaling van doorlaten bevat - aanbeveling 21 als afgedaan kan worden beschouwd (Kamerstukken II 1999-2000, 26 269, nr. 28 (Brief 25 april 2000), blz. 3).

20. Ik vermeld in dit verband voorts de uitleg die in dezelfde Aanwijzingen wordt gegeven aan het eveneens als doorlaten aangemerkte 'afzien van inbeslagneming'. Daarbij wordt als beslismoment aangegeven het moment waarop redelijkerwijs tot inbeslagneming kon worden overgegaan:

Van afzien van inbeslagneming is geen sprake indien er onvoldoende wetenschap is omtrent de vindplaats en/of de aard van de voorwerpen, dan wel indien er redelijkerwijs geen controle kon worden verkregen over de voorwerpen. Met andere woorden: het beslismoment of al dan niet wordt afgezien van inbeslagneming is het moment waarop redelijkerwijs tot een inbeslagneming kon worden overgegaan.

(Handboek voor de opsporingspraktijk, blz. A I 1.3.-5 (aanv. 3, augustus 2001).

21. De opstellers van de Aanwijzingen opsporingsbevoegdheden zijn kennelijk van mening dat het begrip "weten" in art. 126ff Sv door hen minder beperkt wordt uitgelegd dan het Hof dit in de onderhavige zaken heeft gedaan. In diezelfde Aanwijzingen worden de nu in cassatie aan de orde zijnde uitspraken van het Hof namelijk samengevat met daarbij de volgende vetgedrukte nota bene:

NB In afwachting van de uitkomst van het cassatieberoep in de zaak zal in beginsel de gedragslijn, zoals verwoord in de voorgaande paragrafen, dienen te worden gevolgd, ook voor zover de uitspraak van het hof daarvan afwijkt.

(Handboek voor de opsporingspraktijk, blz. A I 1.3.-5 (aanv. 3, augustus 2001).

22. Tegen deze achtergrond van het in art. 126ff Sv neergelegde verbod van doorlaten - in het bijzonder de werkzaamheden en uitkomsten van de parlementaire enquête opsporingsmethoden, de toelichting op het amendement waarbij art. 126ff Sv werd voorgesteld en het oordeel van de Commissie Kalsbeek - is het duidelijk dat het begrip weten in art. 126ff Sv beperkt moet worden uitgelegd en dat het bestaan van een redelijk vermoeden of ernstige bezwaren daarvoor niet voldoende is. Afgezien van de door het Hof genoemde opsporingsbelangen, zou immers een ruime uitleg als in de middelen bepleit, ook betekenen dat een poging tot inbeslagneming moet worden gedaan in gevallen waarin een behoorlijke kans bestaat dat de verdovende middelen waarvan de aanwezigheid wordt vermoed, niet worden gevonden met het gevolg dat ze (mogelijk) alsnog op de markt komen. De ratio van de bepaling - bescherming van de volksgezondheid - brengt mee dat een - in de bewoordingen van het Hof Amsterdam (Nieuwsbrief strafrecht 1999, 10) - "redelijke mate van zekerheid" bij de politie aanwezig moet zijn wil men verplicht zijn tot inbeslagneming over te gaan. Daarbij zou ik redelijke mate van zekerheid aldus willen uitleggen dat het moet gaan om aanwijzingen die redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel laten dat de in art. 126ff Sv aangeduide voorwerpen op de betreffende plaats aanwezig zijn.

23. Indien er minder sterke aanwijzingen zijn, is er geen reden de officier van justitie en onder zijn leiding opererende opsporingsambtenaren de mogelijkheid te onthouden om af te wegen of een doorzoeking een zodanige kans op het vinden van de bedoelde voorwerpen heeft, dat toepassing van dit dwangmiddel ten behoeve van het opsporingsonderzoek verantwoord is. Als in dat geval wordt geoordeeld dat de kans op succes te klein is en om die reden van een doorzoeking ter inbeslagneming wordt afgezien, is van het op de markt laten komen van voor de volksgezondheid gevaarlijke stoffen onder regie dan wel medeweten van de politie ook geen sprake. Slechts als vrijwel vaststaat dat doorzoeking tot het aantreffen van de bedoelde voorwerpen zal leiden mag daarvan in het belang van de volksgezondheid buiten de in de wet genoemde uitzondering niet worden afgezien.

24. De in het voorafgaande bepleite uitleg van het begrip weten is minder beperkt dan die welke het Hof in deze zaak heeft gegeven, al is het verschil niet groot. De volledige zekerheid die het Hof daarvoor eist, is vanuit een afweging van volksgezondheids- en opsporingsbelangen zeker te verdedigen, maar strookt mijns inziens niet met de opvattingen die daarover in het parlement en bij de regering bleken te bestaan.

25. Tot cassatie behoeft dat overigens niet te leiden. Het oordeel van het Hof, dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat er op enig moment meer dan een redelijk vermoeden is geweest dat één of meer van die gebruikers verboden middelen kregen afgeleverd, is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige als zijnde van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden beoordeeld. Uit die vaststelling van het Hof volgt dat van weten in die zin dat er een redelijke mate van zekerheid bestond omtrent de vindplaats van voorwerpen als bedoeld in art. 126ff Sv geen sprake is geweest, zodat het middel in beide zaken faalt.

26. Ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep in beider zaken wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,