Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9698

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
C00/260HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9698
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 141
JWB 2002/99
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C 00/260 HR

Mr. M.R. Mok

Zitting 21 december 2001

Conclusie inzake

G. FLÉMAL(1)

tegen

MAATSCHAPWESTELIJKEACCOUNTANTSKANTOREN ZEELAND (WEA)

1. KORTE BESCHRIJVING VAN DE ZAAK

1.1. Verweerster, WEA, heeft voor eiser van cassatie, hierna te noemen Flémal, als accountant

werkzaamheden verricht in het derde en in het vierde kwartaal van 1997.

Over het derde kwartaal heeft WEA bij factuurvan 6 oktober 1997 f1.345,37 (inclusief BTW) in rekening gebracht wegens diverse werkzaamheden. Over het vierde kwartaal heeft WEA bij factuur van 13 januari 1998 een bedrag van f1.028, 12 in rekening gebracht, en wel voor het verzorgen van de aangifte Inkomstenbelasting over 1995 en 1996(2).

In cassatie is voornamelijk de factuurvan 6 oktober 1997 aan de orde. De factuurvan 13 januari 1998 speelt op de achtergrond een zekere rol, voor zover het rente en incassokosten betreft.

1.2. Flémal was voornemens een huis te kopen in SintAnna ter Muiden. De notaris heeft hem naarWEA verwezen voor advies.WEA heeft hem geadviseerd een stichting op te richten en een hypothecaire lening aan tevragen bij de Rabobank.

1.4. Later bleek dat WEA bij die bank geen hypothecaire lening had aangevraagd. Voorts bleek dat de bank geen hypothecaire lening zou willen verstrekken aan de op advies van WEA op te richten stichting.

Flémal heeft daarom moeten kiezen voor een andere oplossing waardoor hij schade heeft geleden .

1.5. WEA heeft Flémal gedagvaard voor de kantonrechter in Terneuzen. Zij heeft gevraagd Flémal te veroordelen tot betaling van de beide factuurbedragen ad in totaal f 2.373,49, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 1999, en voorts, met een beroep op haar algemene voorwaarden, vermeerderd met f 144,14 aan rente tot en met 21 januari 1999 en f 356,02 aan buitengerechtelijke incassokosten (dit laatste, blijkens de inleidende dagvaarding)tevens op grond van art. 6:96 BW).

1.6. Flémal heeft de vordering bestreden en, voor zover in cassatie van belang, het volgende aangevoerd.

WEA zou, door geen hypothecaire lening aan te vragen, toerekenbaar tekortgeschoten zijn in de nakoming van haarverplichtingen, zodat Flémal niet gehouden zou zijn enig bedrag aan WEA te betalen.

De hoogte van de factuur van WEA zou bovendien niet overeenstemmen met de schatting die WEA aanvankelijk van haar kosten had gegeven, te weten circa BEF 20.000(3). WEA heeft de gefactureerde werkzaamheden ook niet gespecificeerd. Voorts heeft hij geen kennis kunnen nemen van de algemene voorwaarden van WEA(4).

1.7. WEA heeft aangevoerd dat zij advies heeft uitgebracht en dat zij ook contact met de Rabobank heeft gehad, maar dat zij niet met de aanvrage tot financiering was belast. Flémal zou zelf reeds een daartoe strekkende aanvraag hebben ingediend. Over de begrote kosten ad BEF 20.000 heeft WEA gesteld dat zij voor de te verwachten kosten, excl. BTW, een dergelijke indicatie inderdaad had gegeven, maar dat het gefactureerde bedrag ad f 1.145 ,00, excl. BTW, met deze indicatie overeenstemt. De specificatie van de werkzaamheden blijkt, zo heeft WEA verder laten weten, uit de factuur.Op de stelling van Flémal dat hij niet van de algemene voorwaarden kennis heeft genomen, heeft WEA niet gereageerd.

1.8.1.

Behoudens de rente die volgens de algemene voorwaarden zou zijn verschuldigd, heeft de kantonrechter bij vonnis van 23 februari 2000 de vorderingen toegewezen.

Over de werkzaamheden voor de op te richten stichting heeft de kantonrechter overwogen dat blijkens een brief van de Rabobank, WEA niet betrokken is geweest bij de financieringsaanvraag en dat Flémal deze zelf heeft afgewikkeld.

1.8.2.

De kantonrechter heeft daaraan toegevoegd dat, 66k indien WEA zou hebben gesuggereerd ook zelf zo'n aanvraag namens Flémal in te dienen, het achterwege laten daarvan er niet toe leidt dat Flémal niets behoefde te betalen.

Het geven van fiscaal-juridisch advies hield geen garantie in dat de Rabobank een hypothecaire lening zou verstrekken.

1.8.3.

Over de hoogte van de factuur heeft de kantonrechter overwogen dat deze, exclusief BTW, f 1.145,00 beliep zodat zij, uitgaande van een ramming van BEF 20.000 niet onredelijk was. Over de algemene voorwaarden heeft de kantonrechter geoordeeld dat WEA niet heeft weer sproken dat Flémal daarvan geen kennis heeft kunnen nemen. Dit leidde er toe dat WEA daar geen beroep op kon doen zodat wettelijke rente eerst was verschuldigd vanaf de dag dat Flémal in ver

zuim was (30 oktober 1998). De door WEA gemaakte buitengerechtelijke incassokosten was Flémal wel verschuldigd.

1.9. Tegen dit (niet-appellabele) vonnis heeft Flémal tijdig beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van twee middelen.

2.

BESPREKING VAN DE CASSA TIEMIDDELEN

2.1.1.

Middel1 bestrijdt de overwegingen van de kantonrechter in de laatste twee alinea's vanr.o. 3.

Het middel bevat twee klachten. In de eerste plaats zou de kantonrechter voorbijgegaan zijn aan de stelling van Flémal dat WEA in gebreke zou zijn gebleven haar nota deugdelijk te specificeren. In de tweede plaats zou WEA niet het werk hebben gedaan dat haar was opgedragen, waar onder het voeren van overleg met de Rabobank(5).

2.1.2. Dit is een motiveringsklacht, die overeenkomstig art. 100 van de Wet RO in cassatie onderzocht moet worden.

2.1.3.

De kantonrechter heeft uitdrukkelijk overwogen dat, uitgaande van de raming van BEF 20.000 het gefactureerde bedrag niet onredelijk is.

Zoals bleek, bedroeg hetgefactureerde bedrag (excl. BTW) f 1.145,00. De(vaste)wisselkoers van de Belgische frank tegen de gulden was destijds (en ook nog bij het nemen van deze conclusie ) BEF 1 = NLG 0,0546285. BEF 20.000 kwam overeen met f 1.092,57. Het in rekening gebrachte bedrag heeft de raming dus met % 4J5% overschreden.

2.1.4.

De kantonrechter was klaarblijkelijk van oordeel dat deze geringe overschrijding binnen de grenzen van redelijkheid bleef. In deze overweging ligt besloten dat hij een verdergaande specificatie naar tijd en duur niet noodzakelijk heeft geacht. Dit oordeel is zeker gezien het in absolute omvang niet hoge bedrag van de rekening, begrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. Er bestond geen behoefte aan een uitdrukkelijke reactie op de bedoelde stelling van Flémal.

2.1.5. De kantonrechter heeft in ro. 3 voorts overwogen dat Flémal fiscaal-juridisch advies heeft gevraagd en gekregen. Dat betekent dat WEAJ naar het oordeel van de kantonrechter, het werk heeft verricht dat haar was opgedragen. Aldus overwegende is de kantonrechter ingegaan op de stelling van Flémal dat WEA haar taak niet had verricht, en wel in die zin dat hij deze heeft verworpen. De klacht dat de kantonrechter aan die stelling voorbijgegaan is, mist feitelijke grondslag.

2.1.6.

Het voorgaande wordt niet anders doordat WEA geen overleg zou hebben gevoerd met

deRabobank. WEA heeft (6) uitdrukkelijk gesteld dat zij wel overleg heeft gevoerd met de Rabobank. Flémal heeft daartegen ingebracht dat uit een brief van de Rabobank blijkt dat WEA niet betrokken is geweest bij de financiering(7). Daaruit volgt echter niet dat WEA geen overleg met de bank heeft gevoerd.

2.1.7.

Het middel is derhalve vergeefs voorgesteld.

2.2.1.

Middel 2 klaagt dat de kantonrechter enerzijds heeft gesteld dat WEA geen beroep kan doen op haar algemene voorwaarden , maar dat hij anderzijds heeft geoordeeld dat Flémal buitengerechtelijke incassokosten is verschuldigd, en wel omdat WEA deze heeft gemaakt. Hierdoor is, aldus het middel, het vonnis innerlijk tegenstrijdig en derhalve niet voldoende met redenen omkleed.

2.2.2.

Zoals bleek (§ 1.5.) had WEA in haar inleidende dagvaarding gesteld dat de vordering van vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten niet aileen op de algemene voorwaarden, maar ook op art. 6:96 (lid 2, aanhef en onder c) BW steunde. Uit het feit dat de kantonrechter vergoeding van wettelijke rente, wegens niet-inroepbaarheid doorWEA van de algemene voorwaarden (gedeeltelijk) heeft afgewezen, maarvergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten zonder meer heeft toegewezen, kan men afleiden dat hij het beroep op genoemd wetsartikel heeft gehonoreerd.

2.2.2.

Omdat voor de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten een beroep was

gedaan op art. 6:96 BW, is van innerlijke tegenstrijdigheid geen sprake.

Of dat beroep al dan niet gegrond was, kan in deze procedure niet aan de orde komen. Het middel klaagt niet over onjujste toepassing van art. 6:96, en kon dat in het kader van art. 100 Wet RO ook niet.

2.2.3.

Op het voorgaande stuit middel 2 af.

3.

CONCLUSIE

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep, met veroordeling van eiser in de kosten.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1. In het vonnis a quo wordt deze naam zonder accent op de e geschreven, in de cassatiedagvaarding met accent. Uit

de gedingstukken blijkt dat eiser zijn naam zelf ook met een accent spelt.

2. Zie ro.1 van hetvonnis en prod. 1 en 2 bij c.v.r.

3. Flémal spreekt over de hoogte van de facturen; blijkens de op een na laatste alinea van p. 1 van prod. 1 bij c.v.a.

en de laatste zin van het derde woordblok van p. 2 van dit stuk, had deze afspraak evenwel slechts betrekking op

de bemoeienis betreffende de stichting.

4. Zie voor e.e.a. naast de c.v.a., vooral prod. 1 bij c.v.a. alsmede ro. 3 van het vonnis van de kantonrechter.

5. Zie voor de desbetreffende stel\ingen c.v.a., nr. 5, p. 2 (in omgekeerde volgorde).

6.C.v.r., nr. 4, 2e al..

7.C.v.d., nr.