Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
C00/252HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9610
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 291
JWB 2002/191
Verrijkte uitspraak

Conclusie

zaaknummer C00/252HR

Mr Huydecoper

zitting 15 februari 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerster]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Deze zaak betreft een ontslag op staande voet, door de verweerster in cassatie ([verweerster]) als werkgeefster toegepast ten opzichte van de eiser tot cassatie ([eiser]), haar werknemer. De volgende feiten (samengevat) hebben tot dit ontslag geleid(1):

- [Eiser] is met ingang van 16 november 1996 bij [verweerster] in dienst getreden als programma-manager.

- De werkzaamheden van [eiser] omvatten in grote lijnen het - binnen het geformuleerde instellings-/circuitbeleid leiding geven aan de uitvoering van vastgestelde behandelprogramma's (onder andere voor TBS-patiënten) en in overleg met circuitmanagement, zorgmanager en collega's een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van het beleid.

- De functie van programma-manager wordt beloond naar FWG-schaal 65.

- In het geval de functie wordt vervuld door een klinisch-psycholoog met registratie als psychotherapeut vindt de beloning plaats naar schaal FWG 70.

- [Eiser] is bij zijn indiensttreding ingedeeld in schaal FWG 65, trede 7, aangezien hij op dat moment nog niet geregistreerd was in het VWS-register als psychotherapeut.

- Bij brief van 28 januari 1997 heeft [verweerster] zich bereid verklaard [eiser] in te schalen in FWG 70 op het moment dat hij bescheiden kan overleggen waaruit blijkt dat hij voldoet aan de voorwaarden die gelden voor opname in het VWS-register als psychotherapeut.

- Op vrijdagmiddag 27 juni 1997 heeft [eiser] een door hem zelf opgesteld bewijs van registratie in het VWS-register als erkend psychotherapeut overhandigd aan de personeelsadviseur van [verweerster], [betrokkene A]. In dit zelfde gesprek heeft [eiser] aan [betrokkene A] gevraagd of zij een werkgeversverklaring wilde invullen, zulks met betrekking tot de hoogte van zijn inkomen.

- Uit de door [verweerster] gedane navraag bij het Ministerie van VWS is gebleken dat [eiser] niet geregistreerd stond als psychotherapeut.

- Tussen [verweerster] en [eiser] heeft op maandagochtend 30 juni 1997 hieromtrent een bespreking plaatsgevonden. Tijdens dit gesprek heeft [eiser] niet weersproken dat hij op 27 juni 1997 een vals registratiebewijs heeft overgelegd.

- Daarop heeft [verweerster] [eiser] op staande voet ontslagen. Dit ontslag is hem bij brief van 30 juni 1997 als volgt bevestigd:

"Vrijdag jl. overhandigde u ons een bewijs van een registratie in het register voor psychotherapeuten, teneinde een hogere FWG-indeling te verkrijgen. Wij kregen het vermoeden dat dit bewijs een falsificatie was. Daarop zijn wij onmiddellijk informatie gaan inwinnen bij WVC teneinde te bekijken of het door u overgelegde bewijs van registratie daadwerkelijk vals was. Heden is gebleken dat u inderdaad niet bent ingeschreven in het register. Wij hebben u daarop onmiddellijk gehoord. [Betrokkene A] en [betrokkene B] waren bij dat gesprek namens de [verweerster] aanwezig. Tijdens dat gesprek voerde u geen verweer aan. U ontkende met name niet dat u een vals registratiebewijs had overlegd.

Gelet op het vorenstaande hebben wij dan ook besloten u op staande voet te ontslaan in de zin van artikel 7:678 BW. Immers, u heeft opzettelijk uw werkgever bedrogen door een falsificatie te overleggen. Voorts heeft u getracht met dit bedrog financieel voordeel te behalen ten koste van onze instelling. Deze omstandigheden leveren een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Wij hebben u tijdens ons gesprek meegedeeld dat u binnen één uur het pand diende te verlaten en dat u op staande voet ontslagen was.

Bij deze bevestig ik u dat ontslag op staande voet en beëindigen wij de arbeidsovereenkomst met ingang van heden."(2)

2) Bij dagvaarding van 5 november 1997 heeft [eiser] voor de Kantonrechter te Eindhoven jegens [verweerster] een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslag op staande voet nietig is, en een veroordeling tot doorbetaling van het salaris, met nevenvorderingen. [Eiser] heeft daartoe aangevoerd dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het overleggen van de valse verklaring omdat hij dit deed onder invloed van een waanstoornis. Daarnaast voerde [eiser] aan dat het ontslag disproportioneel was, omdat hij - overigens - goed functioneerde, een registratie als psychotherapeut voor het vervullen van de functie geen vereiste is en de gevolgen van een dergelijk ontslag voor [eiser] groot zijn.

De kantonrechter heeft de vorderingen bij vonnis van 18 februari 1999 afgewezen.

3) In hoger beroep heeft de rechtbank het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd. Zij heeft daartoe overwogen dat het enkele feit van het overhandigen van het vervalste registratiebewijs voor [verweerster] al een dringende reden voor ontslag opleverde (rov. 4.10), dat vast staat dat als gevolg van dit overhandigen het vertrouwen van [verweerster] in [eiser] ernstig en onherstelbaar is verstoord (rov. 4.11.1) en dat voor het goed uitoefenen van de werkzaamheden waarvoor [eiser] was aangesteld een vertrouwensrelatie vereist is (rov. 4.11.2). Het overleggen van het vervalste registratiebewijs heeft voor [verweerster] een dringende reden voor onverwijld ontslag kunnen vormen (rov. 4.11.4).

4) [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerster] heeft tot verwerping geconcludeerd. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [Eiser] heeft gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) De kern van het geschil vormt de vraag of [verweerster] [eiser] terecht op staande voet heeft ontslagen omdat hij een vervalst registratiebewijs heeft overgelegd en daarmee, zo stelde [verweerster], zijn werkgever zou hebben bedrogen. De vraag is met name, welk belang moet worden toegekend aan het argument van [eiser] dat het "bedrog" zou hebben plaatsgevonden onder invloed van een waanstoornis, en daarom niet aan [eiser] zou mogen worden verweten.

6) Zoals aanstonds in al. 7 nader te bespreken, is het, blijkens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad, voornamelijk aan de feitenrechter om aan de hand van weging van alle omstandigheden van het geval te beoordelen of er sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet.

Een dringende reden voor de werkgever bestaat, zoals neergelegd in art. 7:678 BW, in "daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer" die ten gevolge hebben dat "van de werkgever redelijkerwijze niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren".

7) Daarbij is niet vereist dat de werknemer van zijn gedragingen een verwijt kan worden gemaakt. Ontslag op staande voet is in beginsel ook mogelijk als de werknemer geen verwijt treft(3). Het hangt van de aard van de dringende, voor het ontslag op staande voet aangevoerde reden, en, zo die aard niet reeds meebrengt dat de eis van verwijtbaarheid moet worden gesteld, van de afweging van de concrete omstandigheden van het geval af, of het verweer van de werknemer dat die reden niet toereikend is voor een ontslag op staande voet omdat de betreffende gedraging hem niet valt te verwijten, doel kan treffen(4). De afweging die de rechter met inachtneming van alle omstandigheden moet maken, berust in belangrijke mate op waarderingen van feitelijke aard, en kan inzoverre in cassatie niet op juistheid (maar alleen op begrijpelijkheid) worden getoetst(5).

8) Dit heeft de rechtbank ook tot uitgangspunt genomen, zoals blijkt uit rov. 4.4. en 4.8. Aan de hand van dit uitgangspunt heeft de rechtbank de diverse omstandigheden van het concrete geval tegen elkaar afgewogen, met als uitkomst dat [verweerster] [eiser] inderdaad op staande voet kon ontslaan.

Ik meen dat de rechtbank zich gewetensvol van haar taak heeft gekweten: zij is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting en heeft haar vonnis grondig gemotiveerd. Dat leidt ertoe, dat ik het cassatiemiddel in al zijn onderdelen als ongegrond beoordeel.

9) Het middel berust in wezen op twee redeneringen, of gedachten:

- de eerste daarvan komt er op neer dat [verweerster] het ontslag mede baseerde op de grond dat [eiser] haar opzettelijk had bedrogen. Daartegen bracht [eiser] in, dat hij [verweerster] niet opzettelijk had bedrogen omdat hij de vervalsing had gepleegd onder invloed van een psychische stoornis; van opzet was geen sprake; zijn handeling kon hem niet worden verweten. Door dit verweer te verwerpen, op de grond dat [verweerster] (ook) het overleggen van de valse verklaring sec had aangevoerd als reden voor het ontslag, zou de rechtbank buiten de rechtsstrijd zijn getreden en hebben miskend dat deze "eigen interpretatie" van de ontslagreden niet onverwijld aan [eiser] is meegedeeld (middelonderdelen I en II). Verder zou dit oordeel berusten op een stelling van [verweerster] die [eiser] niet adequaat heeft kunnen betwisten (omdat de procedure daarvoor geen gelegenheid (meer) bood (middelonderdeel III))(6).

- het tweede argument bestaat in essentie in de (rechts)klacht dat de gedraging die i.c. als dringende reden is aangemerkt (het overleggen van de valse verklaring), een ontslag op staande voet niet kan rechtvaardigen, als die gedraging de werknemer niet kan worden verweten, geen "publiek karakter" heeft, en die gedraging voor de werkgever geen schadelijke gevolgen heeft gehad (middelonderdeel IV).

Ik zal de argumenten uit het cassatiemiddel in de aangegeven volgorde nader bespreken.

10) Onderdeel I klaagt over de uitleg die de rechtbank aan [verweersters] ontslagbrief heeft gegeven. Die klacht faalt. Uitleg van uitingen zoals de onderhavige brief berust in overwegende mate op feitelijke appreciatie, en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Anders dan het middelonderdeel aanvoert, is de door de rechtbank gevonden uitleg goed te begrijpen.

Ik veroorloof mij daarbij de opmerking, dat het enigszins voor de hand ligt om een ontslagbrief, zeker als die door een niet juridisch geschoolde functionaris is geredigeerd, zo te begrijpen dat de steller daarin de aan het ontslag ten grondslag gelegde "kale" feiten wil vermelden, maar dat daaraan eventueel verbonden kwalificaties niet tot die "kale feiten" behoren (die strekken er dan meestal toe, de lezer te verduidelijken waarom de werkgever de betreffende feiten zo (ernstig) opvat). Van een ontslagaanzegging mag (dan ook) verwacht worden dat die op begrijpelijke wijze aangeeft welke eigenschap en/of gedraging van de werknemer voor de werkgever de aanleiding voor het ontslag vormt, maar niet dat daaraan ook van meet af aan de juiste juridische kwalificatie of de juiste juridische waardering wordt verbonden(7).

11) Daar komt nog bij dat de partijen in deze zaak in hun conclusies nauwelijks hadden gedebatteerd over de aan de ontslagbrief te geven uitleg. Zij hadden zich, wat het hier te beoordelen punt betreft, geconcentreerd op de vraag of het al dan niet ontbreken van verwijtbaarheid er in materieel opzicht aan afdeed dat [verweerster] zich op een dringende ontslagreden mocht beroepen. Het partijdebat was daardoor niet van dien aard, dat het de rechtbank noodzaakte tot nadere motivering van de uitleg van de ontslagbrief waartoe zij gekomen is.

12) Ook de klacht dat de rechtbank hiermee buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden lijkt mij ongegrond. De door de partijen opgeworpen vraag bracht mee dat de rechtbank zich een oordeel moest vormen over de door [verweerster] ingeroepen ontslaggrond, en dus over de betekenis van de mededeling waarin [verweerster] die ontslaggrond had aangeduid. Dat heeft de rechtbank gedaan, op een wijze die ik eerder aanduidde als goed te begrijpen. Dat paste geheel binnen het kader van de door partijen voorgelegde strijdvraag.

13) Onderdeel II berust op de stelling dat de door de rechtbank beoordeelde ontslagreden niet (in [verweersters] ontslagbrief) aan [eiser] zou zijn meegedeeld, maar pas in een gevorderd stadium van de procedure naar voren zou zijn gebracht. Ik acht die klacht om twee redenen ongegrond: zoals bij de bespreking van middelonderdeel I al aangestipt heeft de rechtbank, met een begrijpelijke uitleg van de ontslagbrief, aangenomen dat de door de rechtbank beoordeelde ontslagreden daarin wèl voldoende duidelijk werd aangegeven, wat met zich meebrengt dat die ontslagreden ook van meet af aan voldoende duidelijk aan [eiser] is meegedeeld; en bovendien heeft [eiser] zich in de feitelijke instanties er niet op beroepen dat de in die instanties ter discussie staande ontslagreden niet (voldoende) uit de ontslagbrief zou blijken(8) of (anderszins) niet voldoende (tijdig) aan hem zou zijn meegedeeld. Dat argument kan niet voor het eerst in cassatie worden onderzocht.

14) Ten overvloede is nog op te merken dat de eisen die aan (de duidelijkheid van) een ontslagbrief gesteld mogen worden, niet mogen worden overtrokken. Ik zei daar in al. 10 al iets over. Dit vindt bevestiging in de rechtspraak waaruit blijkt, dat het kan zijn dat bij de beoordeling van de dringendheid van de ontslagreden rekening mag worden gehouden met omstandigheden waarvan voor de werknemer ten tijde van de mededeling duidelijk was dat hij daarmee wegens hun samenhang met de opgegeven ontslaggrond in een rechtsgeding zou worden geconfronteerd, zodat hij zijn proceshouding ook daarop zou moeten afstemmen, ook al waren deze omstandigheden in die mededeling niet vermeld omdat zij toen slechts aan de werknemer en nog niet aan de werkgever bekend waren(9).

15) Op de stelling uit het cassatiemiddel "dat een dringende reden voor ontslag onverwijld dient te worden meegedeeld zodat voor de wederpartij aanstonds duidelijk is, welke door de ander als dringend aangemerkte reden aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd" valt dan ook het nodige af te dingen.

Behalve door de zojuist besproken rechtspraak wordt dat ook bevestigd door de regel dat, als van een door de werkgever als "dringende reden" aan de werknemer meegedeeld feitencomplex slechts een gedeelte komt vast te staan, het ontslag niettemin kan gelden als te zijn verleend om een dringende, onverwijld medegedeelde reden(10). Dat kan met name het geval zijn als a) het vaststaande gedeelte van de aangevoerde gronden op zichzelf beschouwd kan worden als een dringende reden voor ontslag op staande voet, b) de werkgever heeft gesteld, en ook aannemelijk is, dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij - anders dan hij blijkens de ontslagaanzegging meende - daarvoor niet meer grond zou hebben gehad dan in rechte is komen vast te staan en c) dit laatste voor de werknemer in het licht van de gehele inhoud van die aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk moet zijn geweest(11).

16) Zoals in al. 14 (en bij al. 15) al aangegeven is het zojuist gezegde voor de onderhavige zaak overigens alleen van academisch belang: nu de rechtbank de door [verweerster] in de ontslagbrief aangevoerde ontslaggrond zo kon begrijpen als zij heeft gedaan, komt noch de vraag of de (gehele) ontslaggrond [eiser] deugdelijk is meegedeeld, noch de vraag of slechts een vaststaand gedeelte van de (meegedeelde) ontslaggrond voldoende rechtvaardiging voor het ontslag zou opleveren, hier werkelijk aan de orde.

17) Onderdeel III is gericht tegen rov. 4.11.1, waar de rechtbank heeft geoordeeld:

"[Eiser] heeft niet bestreden dat, als gevolg van het overhandigen van het vervalste registratiebewijs, het vertrouwen van [verweerster] in [eiser] ernstig en onherstelbaar is verstoord, zodat dit vaststaat."

Het onderdeel voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank hier een feitelijk gegeven aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat [eiser] niet heeft kunnen weerspreken, omdat het daarvoor in een te laat stadium van de procedure zou zijn gesteld.

Dit argument is feitelijk onhoudbaar, omdat het gegeven waar het op doelt(12) al in het in eerste aanleg door de kantonrechter gewezen vonnis als vaststaand feit is aangenomen. [Eiser] heeft dat dus wel in appel kunnen weerspreken. Als appellant was hij bovendien gehouden om dat te doen, bij gebreke waarvan de rechtbank het oordeel van de kantonrechter daarover diende te respecteren(13).

18) Het middel klaagt verder dat de onderhavige vaststelling van de rechtbank onverenigbaar zou zijn met een beschikking van de kantonrechter van 19 januari 1998, waarbij de arbeidsovereenkomst tussen partijen voorwaardelijk werd ontbonden(14).

Ook dit betoog is om meer dan een reden ondoeltreffend:

- kennisneming van de betreffende beschikking leert dat het daarin overwogene helemaal niet strijdig is met de vaststelling waartegen het middel zich richt. Zelfs stelt deze beschikking niet buiten twijfel dat [eiser] in de daarin beoordeelde zaak (en anders dan in de onderhavige zaak) op het punt waar het hier om gaat, verweer heeft gevoerd; en in elk geval is daarin over dit punt niets overwogen of beslist.

- Daarmee is tevens gegeven dat de rechtbank geen aanleiding had om aan de hand van deze beschikking te vermoeden dat [eiser] de onderhavige feitelijke vaststelling (van de kantonrechter) wilde betwisten. Daargelaten kan daarom worden dat het in het algemeen onverenigbaar is met de goede procesorde, om rekening te houden met feitelijke stellingen die in (overgelegde stukken uit) andere procedures tussen partijen naar voren zijn gebracht, maar die in de te beoordelen zaak niet worden aangevoerd. De wederpartij is immers gewoonlijk niet in staat om op aldus "binnengesmokkelde" stellingen adequaat te reageren(15).

- Misschien moet het middelonderdeel (ook) zo worden begrepen, dat de rechtbank zich had moeten richten naar de inhoud van de bedoelde beschikking omdat die gezag van gewijsde zou hebben. Dat is al daarom onjuist, omdat de rechter het gezag van gewijsde van een beslissing in een andere zaak slechts in aanmerking mag nemen als daarop door (een van de) partijen een beroep is gedaan(16). Uit het dossier blijkt niet dat dat hier is gebeurd (en in cassatie wordt ook niet aangegeven waar dat gebeurd zou zijn).

- En tenslotte: wat het middel hier aanvoert doet er niet aan af dat de rechtbank de desbetreffende vaststelling van de kantonrechter uit de onderhavige zaak, nu die door [eiser] in appel niet was bestreden, moest respecteren.

19) Onderdeel IV berust op de stelling dat bij aanwezigheid van de daar in telegramstijl aangeduide omstandigheden (er is geen verwijtbaarheid, geen sprake van een gedraging met een "publiek karakter", en de werkgever heeft door de gedraging geen schade geleden), geen voor ontslag op staande voet toereikende reden zou mogen worden aangenomen. Dat lijkt mij niet juist. De genoemde omstandigheden kunnen er ongetwijfeld toe bijdragen dat de betreffende gedraging als minder ernstig moet worden beoordeeld, maar zij staan aan het oordeel in de tegengestelde zin niet in de weg. Beslissend blijft een afweging van de gezamenlijke omstandigheden van het geval, zoals in al. 6 en 7 hiervóór aangegeven. Zoals daar ook al aangestipt, is die afweging in belangrijke mate feitelijk van aard. De rechtbank heeft deze in de rechtspraak neergelegde wijze van beoordeling toegepast. Daarmee is zij van een juiste rechtsopvatting uitgegaan. De omstandigheden van het onderhavige geval geven geen aanleiding tot aanpassing of verfijning van de tot nu toe ontwikkelde maatstaven.

20) Ook de stelling van dit middelonderdeel dat het door de rechtbank bereikte wegingsresultaat onbegrijpelijk zou zijn, acht ik onjuist. Het middelonderdeel benadrukt - of overdrijft(17) - de omstandigheden die ten overstaan van de rechtbank in het voordeel van [eiser] waren aangevoerd. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij meer gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden die in [eisers] nadeel pleitten - met als belangrijkste het geschokte vertrouwen aan de kant van [verweerster], de leidinggevende positie die [eiser] bekleedde, en de vertrouwensbasis die voor een dergelijke positie vereist is. Dat zijn inderdaad gegevens waaraan de rechter - aanzienlijk - gewicht kan toekennen. Onbegrijpelijk is dat zeker niet.

Deze afweging had eventueel ook anders kunnen uitvallen, maar dat doet aan de begrijpelijkheid van de afweging waartoe de rechtbank is gekomen niet af.

21) Onderdeel V mist zelfstandige betekenis.

Conclusie

De conclusie luidt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feiten zijn in eerste aanleg door de kantonrechter vastgesteld, zie het vonnis van 18 februari 1999, p. 2 en 3 (onder "de feiten"). Deze zijn in appel niet bestreden (rov. 4.2 van het bestreden vonnis).

2 Deze brief is door [eiser] in de procedure ten overstaan van de kantonrechter overgelegd bij akte houdende overlegging producties, productie 5.

3 Dat betekent natuurlijk niet (zoals in de eerdere stukken wel verdedigd is) dat irrelevant is of aan de werknemer verwijt kan worden gemaakt. Verwijtbaarheid, en de ernst daarvan, zijn factoren die bij het beoordelen van het gewicht van de aan een ontslag ten grondslag gelegde reden bij uitstek van belang kunnen zijn, zie bijvoorbeeld HR 3 maart 1989, NJ 1989, 549 m.nt. PAS, rov. 3.2.

Ik merk op dat het volgens Bakels c.s., Schets van het Nederlands arbeidsrecht (2000) p. 146 - 147, uitzonderlijk is dat een niet-verwijtbare reden een deugdelijke grond voor ontslag op staande voet oplevert; zie ook Duk, SMA 1982, p. 514 e.v. Kuip, Ontslagrecht met bijzondere aandacht voor de dringende reden, diss. 1993 p. 42 -45, stelt zich kritisch op ten aanzien van de hier bedoelde, in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde regel.

4 In HR 26 januari 2001, zaaknr C99/159, ELRO AA 9664 was een geval aan de orde waarin voor de beoordeling van de ontslagreden wèl beslissend was of de betreffende gedraging de werknemer als gevolg van een geestelijke stoornis al dan niet als opzettelijk kon worden toegerekend.

5 Zie bijvoorbeeld HR 29 september 2000, NJ 2001, 560 m.nt. PAS, rov. 3.3 (ook een geval waarin de rechtbank de verwijtbaarheid van de aangevoerde ontslaggrond had daargelaten); HR 11 mei 2001, NJ 2001, 409, rov. 3.4; HR 21 januari 2000, NJ 2000, 190, rov. 3.9.1; HR 12 februari 1999, NJ 1999, 643 m.nt. PAS, rov. 4.4; en opnieuw: HR 3 maart 1989, NJ 1989, 549 m.nt. PAS, rov. 3.2 en 3.3. Dit uitgangspunt wordt ook in de literatuur algemeen aanvaard, zie Arbeidsovereenkomst (losbl.), Kuip, aant. 28 bij art 7:678; T & C Arbeidsrecht (2000), Luttmer-Kat, aant. 2 sub c bij art. 678; Van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht (1999), p. 251 - 252; Duk, De Hoge Raad en het ontslag op staande voet, SMA 1982, p. 513 - 514.

6 (Pas) uit de schriftelijke toelichting namens [eiser] heb ik begrepen, dat ook wordt aangevoerd dat het feit dat het vertrouwen in [eiser] ondermijnd is, door de rechtbank als (element van de) dringende reden zou zijn opgevat; waarbij [eiser] dan verdedigt dat althans dit gegeven niet uit [verweersters] ontslagbrief valt op te maken; en dat daarom de door de rechtbank aan die brief gegeven uitleg onbegrijpelijk of anderszins ontoelaatbaar zou zijn.

Dit argument lijkt mij tardief, omdat het ook bij welwillende lezing niet uit het cassatiemiddel kon worden opgemaakt (ik begrijp uit de schriftelijke toelichting namens [verweerster], dat ook aan die zijde niet is onderkend dat het middel dit argument op het oog zou hebben). Het argument lijkt mij verder inhoudelijk onjuist: de rechtbank heeft dit gegeven niet als een (door [verweerster] aangevoerd) element van de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden opgevat, maar dit gegeven gesignaleerd als een feitelijk gevolg van [eisers] handelwijze, dat de ernst van die handelwijze accentueert en de reactie van [verweerster] (mede) rechtvaardigt.

7 In dat licht bezien doet het debat dat bij kantonrechter en rechtbank over de kwalificatie van "bedrog" heeft plaatsgevonden een beetje onwerkelijk aan. Ik meen overigens dat bepaald aanvechtbaar is, dat het voor gedrag dat als "bedrog" gekwalificeerd mag worden, steeds vereist zou zijn dat aan de bedrieger een verwijt kan worden gemaakt. Men kan opzettelijk - met een welbepaalde bedoeling - handelen, terwijl dat handelen toch als gevolg van geestesstoornis of andere disculperende oorzaak (dwang, ambtelijk bevel, overmacht, etc.) niet verwijtbaar is. Er kan dan zeer wel, afhankelijk van de juridische context, sprake zijn van bedrog. Zoals al gezegd, komt de discussie hierover mij wat onwerkelijk voor. Waar het om gaat is, of het feit dat de betreffende gedraging [eiser] niet zou mogen worden verweten, zozeer afdoet aan de ernst daarvan - zie het in voetnoot 3 besprokene - dat er daarom geen reden voor ontslag op staande voet overblijft. Per saldo hebben de partijen overigens, zoals al aangestipt, ook vooral daarover gedebatteerd.

8 Zoals al werd opgemerkt hebben partijen, en dus ook [eiser], zich geconcentreerd op de vraag of de ontslagreden in materieel opzicht het gegeven ontslag rechtvaardigde. Dat de ontslagreden niet deugdelijk zou zijn meegedeeld is - althans voorzover ik uit de stukken heb kunnen opmaken - niet gesteld. Het middel wijst ook geen vindplaatsen aan waar dat wel gebeurd zou zijn, en beantwoordt daarmee op dit punt niet aan het vereiste dat uit art. 407, tweede lid Rv. blijkt.

Hier zou de tegenwerping gemaakt kunnen worden, dat er voor [eiser] geen aanleiding bestond om zich erop te beroepen dat de ontslagreden zoals de rechtbank die heeft opgevat hem niet (tijdig) was meegedeeld, zolang hij er geen rekening mee hoefde te houden dat de ontslagreden door de rechtbank zo zou worden opgevat. Die tegenwerping lijkt mij ondoeltreffend. Daarbij geldt in de eerste plaats dat, zoals al gezegd, de rechtbank in het verband van het met middelonderdeel I bestreden oordeel nu eenmaal heeft aangenomen dat de betreffende ontslagreden wèl (duidelijk genoeg) uit de ontslagbrief viel te lezen. Maar tevens geldt dat de door de rechtbank als voldoende aangemerkte ontslagreden in wezen niet anders is dan de door de kantonrechter als zodanig aangemerkte ontslagreden; wat betekent dat [eiser] het argument dat die reden hem niet (tijdig) zou zijn meegedeeld al bij zijn Memorie van Grieven had kunnen aanvoeren - en ook diende aan te voeren, wilde daarmee in appel rekening kunnen worden gehouden.

9 HR 20 november 1987, NJ 1988, 282; een geval waarin, evenals in de onderhavige zaak, mede aan de orde was de nadere duiding of kwalificatie van de in een ontslagmededeling aangegeven feiten, in het licht van het daarna volgende partijdebat en van de daarin gestelde feiten, waarvan aannemelijk was dat de werkgever die ten tijde van het ontslag niet kon kennen.

10 De schriftelijke toelichting namens [verweerster] gaat ervan uit dat de rechtbank in deze zaak aan die regel toepassing heeft gegeven. Ik meen, zoals hiervoor bleek, dat het eenvoudiger ligt: de rechtbank heeft de door [verweerster] aangevoerde ontslaggrond beperkt opgevat, namelijk: als in essentie bestaande in het "kale" feit dat [eiser], met de bedoeling zich ten koste van [verweerster] te bevoordelen, een vervalst document had overgelegd. Die uitleg lijkt mij, zoals ik al aangaf, goed te begrijpen.

11 Zie o.a. HR 10 maart 1989, NJ 1990, 185, rov. 3.1; HR 7 oktober 1988, NJ 1989, 258 m.nt. PAS, rov. 3.5.

12 Ik merk op dat het middel dit gegeven niet met zoveel woorden aanwijst. In dit geval vind ik echter nog voldoende duidelijk, welk gegeven het middel op het oog heeft

13 Ten opzichte van de appellant geldt immers dat het onderzoek in appel zich moet beperken tot wat door zijn grieven aan de orde is gesteld. Bij gegrondbevinding van grieven kan het zo zijn dat de appelrechter ook gegevens (uit de eerste aanleg) die niet door de procespartijen in appel (opnieuw) naar voren zijn gebracht, alsnog moet beoordelen, maar dat geval is in deze zaak niet aan de orde. Zie over dit onderwerp bijvoorbeeld Ras - Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nrs. 74 - 82 en Snijders - Wendels, Civiel Appel, 1999, nrs. 244 - 249.

14 Deze beschikking is overgelegd als productie 7 bij de conclusie van antwoord.

15 Zie bijvoorbeeld HR 7 december 1990, NJ 1991, 216, rov. 3.1.

16 Zie bijvoorbeeld Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht (1998), nr. 96 (p. 106), en de daar bij voetnoot 184 aangehaalde rechtspraak, en, recentelijk, HR 16 november 2001, RvdW 2001, 180, rov. 3.7.

17 Op het argument dat [verweerster] geen schade heeft geleden valt bijvoorbeeld in zoverre af te dingen, dat dit alleen daaraan is toe te schrijven, dat [eisers] gedraging tijdig door [verweerster] werd opgemerkt. Als dat niet zo snel was gebeurd had [verweerster] wel schade opgelopen. Bij de beoordeling van de ernst van een gedraging legt het feit dat die gedraging door alert optreden van de kant van de werkgever niet de schade heeft kunnen veroorzaken die daarmee wel degelijk beoogd was, volgens mij maar een zeer beperkt gewicht in de schaal.