Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9607

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
C00/242HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 290
JWB 2002/190
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C00/242

Mr. Keus

Zitting 15 februari 2002

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen:

[Verweerder]

1. Feiten en procesverloop

1.1 In deze zaak zijn de klachten in het principale cassatieberoep gericht tegen het oordeel van het hof dat [verweerder] is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat [eiser] hem begin 1990 een bepaald perceel (kadastraal bekend Gemeente Noordwolde sectie [...] nr. [0001]) voor de aardappelteelt ter beschikking heeft gesteld. De klachten in het incidentele cassatieberoep betreffen de vraag of het hof, toen het de reconventionele vordering van [eiser] afwees, de door [verweerder] in conventie gevorderde wettelijke rente alsnog had moeten toewijzen.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1):

(a) [Eiser] is eigenaar van de percelen, thans kadastraal bekend Gemeente Noordwolde sectie [...] nrs. [0002], [0001] en [0003]. [Eiser] is vanwege zijn lichamelijke toestand niet in staat die percelen zelf te exploiteren, zodat hij zulks laat doen door derden.

(b) [Verweerder] had de percelen [0002] en [0003] van 10 januari 1987 tot 1 april 1989 van [eiser] in pacht. Partijen zijn op 10 april 1989 een nieuwe schriftelijke overeenkomst ter zake van voormelde percelen van [eiser] aangegaan. Deze overeenkomst hield onder meer in:

"dat de ondergetekende sub 1 ([eiser]; LK) aan de ondergetekende sub 2 ([verweerder]; LK) met ingang van 1 april 1989 in gebruik heeft gegeven voormelde kadastrale percelen gemeente Noordwolde, sectie [...] nummers [0004] en [0005](2), groot ongeveer 12.00.00 hectare, voor een periode van maximaal 3 jaar en aldus eindigende op 1 november 1991 en dat de ondergetekende sub 2 tevens het recht heeft om het op het in gebruik gegeven bouwland rustende bietenquotum ad 320.000 kg. te blijven gebruiken gedurende het gebruiksrecht van het land (...)

dat de ondergetekende sub 2 vrij is in het vaststellen van de te telen gewassen voor zover het geen bloembollen betreft, terwijl de bieten dienen te worden geleverd op naam van de ondergetekende sub 1;

dat de ondergetekende sub 1 verplicht is om bij de fabriek de bietengelden per adres [verweerder] (...) uit te betalen op het bankrekeningnummer (...) t.n.v. [verweerder] voornoemd (...)"

Deze constructie was opgezet, om te bewerkstelligen dat het bietenquotum op naam van [eiser] bleef staan.

(c) Na een bij de rechtbank Leeuwarden gevoerd kort geding is op 23 oktober 1990 tussen partijen onder meer het volgende overeengekomen: dat de oogst van de aardappelen en de bieten op de "litigieuze grond" voor [verweerder] bestemd is; dat [verweerder] de aardappelen en bieten zal rooien, alsmede daarmee verwant zijnde werkzaamheden zal verrichten; dat na het rooien van de oogst [verweerder] het gebruik van de percelen definitief zal beëindigen en de percelen ter beschikking zal stellen aan [eiser]; dat [eiser] aan [verweerder] een schadevergoeding van fl. 20.000,- zal betalen; en dat de loonwerkkosten en alle kosten met betrekking tot het werk op de grond ten laste van [verweerder] zullen komen.

(d) [Eiser] heeft nagelaten de krachtens de hiervoor vermelde overeenkomst verschuldigde bietengelden over 1990 ten bedrage van fl. 10.862,24 aan [verweerder] te voldoen.

(e) [Verweerder] heeft in 1990 perceel [0001], welk perceel [eiser] sinds 8 januari 1990 in eigendom heeft, gebruikt en daarop Z.P.C.-aardappelen geteeld, gerooid en aan de Coöperatieve Telersvereniging voor de Afzet van Landbouwprodukten "De Z.P.C." B.A. (hierna: Z.P.C.) geleverd. [Verweerder] heeft ter zake daarvan een opbrengst van fl. 12.048,42 verkregen.

1.3 [Verweerder] heeft gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld om aan hem een bedrag van fl. 10.862,24 te betalen ter zake van de uit de hiervoor onder 1.2.c vermelde overeenkomst verschuldigde bietengelden.

1.4 [Eiser] heeft erkend deze bietengelden aan [verweerder] verschuldigd te zijn. Hij heeft echter aangevoerd dat hij is gerechtigd de betaling daarvan op te schorten, omdat [verweerder] hem een bedrag van fl. 12.048,42 is verschuldigd ter zake van de opbrengst van de door [verweerder] op perceel [0001] geteelde Z.P.C.-aardappelen. Dit bedrag heeft [eiser] in reconventie gevorderd. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [verweerder] in 1990 een deel van perceel [0001] zonder recht of titel in gebruik heeft genomen en zich de opbrengst van de daarop geteelde aardappelen heeft toegeëigend.

1.5 [Verweerder] heeft in reconventie als verweer gevoerd dat hij begin 1990 een deel van perceel [0001] van 1,6 ha van [eiser] in gebruik heeft gekregen, in ruil voor (delen) van de percelen [0006] en [0002], die [eiser] zelf voor andere doeleinden in gebruik wenste te nemen.

1.6 De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 8 september 1994 geoordeeld dat de vordering van [verweerder] in conventie voor toewijzing vatbaar is. Zij heeft de uitspraak in conventie echter aangehouden, totdat ook in reconventie zal kunnen worden beslist (rov. 4). In reconventie heeft de rechtbank aannemelijk geacht dat perceel [0001] mede was betrokken bij de minnelijke regeling tussen partijen (hiervoor, 1.2.c) (rov. 6). De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat [verweerder] (onvoldoende bestreden) had gesteld dat tussen perceel [0001] en de overige door [verweerder] gebruikte grond van [eiser] géén scheiding was aangebracht (rov. 6). Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat [eiser] steeds ervan is uitgegaan dat [verweerder] op 5,25 ha van de grond van [eiser] aardappelen heeft geteeld, terwijl de door [verweerder] voor de aardappelteelt gebruikte grond van [eiser] nog geen 5,25 ha vormde, als perceel [0001] niet wordt meegerekend (rov. 6). Waar in beginsel moet worden aangenomen dat [verweerder] perceel [0001] in 1990 niet zonder recht of titel in gebruik heeft genomen en dat dit perceel in de regeling van oktober 1990 was betrokken, rust volgens de rechtbank op [eiser] de plicht het tegendeel te bewijzen (rov. 7). Bij het tussenvonnis van 8 september 1994 is [eiser] tot dit bewijs toegelaten.

1.7 [Eiser] heeft van het vonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.8 Het hof heeft de grieven van [eiser] in zijn arrest van 13 december 1995 aldus samengevat dat zij " (...) ten betoge (strekken) dat de rechtbank ten onrechte [eiser] heeft opgedragen te bewijzen, dat [verweerder] in 1990 het perceel nr. [0001] van [eiser] zonder recht of titel in gebruik heeft genomen" (rov. 2). Volgens het hof draagt [verweerder] in beginsel de bewijslast van zijn stelling dat hij perceel [0001] rechtmatig in gebruik had (rov. 5). De door de rechtbank in rov. 6 van het vonnis van 8 september 1994 genoemde omstandigheden achtte het hof door [eiser] voldoende gemotiveerd weersproken, zodat deze omstandigheden niet zonder meer voldoende zijn om rechtmatig gebruik door [verweerder] van perceel [0001] bewezen te achten, dan wel zodanig gebruik behoudens door [eiser] te leveren bewijs van het tegendeel voorshands aan te nemen (rov. 6). Ook de minnelijke regeling zelf (zie hiervoor onder 1.2.c) biedt volgens het hof geen duidelijkheid over de vraag of zij mede op perceel [0001] betrekking heeft (rov. 7). Op die gronden heeft het hof geoordeeld dat [verweerder] dient te bewijzen dat [eiser] hem perceel [0001] ter grootte van 1,6 ha begin 1990 ter beschikking heeft gesteld (rov. 10). Het hof heeft het vonnis van de rechtbank in zoverre vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing terugverwezen naar de rechtbank.

1.9 De rechtbank heeft op grond van de getuigenverklaringen in haar eindvonnis van 4 juni 1997 niet bewezen geacht dat [eiser] perceel [0001] begin 1990 aan [verweerder] in gebruik heeft gegeven. Daarom had [verweerder] geen recht op de aardappelopbrengst van dat perceel en is de vordering van [eiser] in reconventie voor toewijzing vatbaar (rov. 6). Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente heeft de rechtbank geoordeeld dat [eiser] daarop slechts aanspraak heeft voor zover zijn vordering de (eveneens toewijsbare) conventionele vordering van [verweerder] overstijgt, en wel met ingang van 2 februari 1991, de datum waartegen [eiser] de wettelijke rente had aangezegd (rov. 10).

1.10 [Verweerder] heeft van het eindvonnis van de rechtbank hoger beroep ingesteld. [Eiser] heeft incidenteel appel ingesteld.

1.11 De grieven in het principale appel zijn, voor zover in cassatie nog van belang, gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiser] hem begin 1990 perceel [0001] ter grootte van 1,6 ha ter beschikking heeft gesteld. De grief in het incidentele appel doet in cassatie niet ter zake.

1.12 Het hof heeft in zijn arrest van 26 april 2000 op grond van de ten overstaan van de rechtbank afgelegde getuigenverklaringen van [betrokkene A] (rov. 2.1), [betrokkene B] (rov. 2.2) en [verweerder] zelf (rov. 2.3) als volgt geoordeeld:

"2.4 Op grond van de hiervoor aangehaalde getuige-verklaringen staat naar het oordeel van het hof in voldoende mate vast dat [verweerder] in het voorjaar van 1990 het perceel [0001] bewerkt heeft voor de teelt van aardappelen, waarvan [eiser] op de hoogte was en zonder dat [eiser] daartegen op enig moment heeft geprotesteerd. Naar het oordeel van het hof kan hieruit - mede gelet op hetgeen hierna nog zal worden overwogen in rechtsoverweging 2.5 - niet anders worden afgeleid dan dat de bewerking van het perceel [0001] door [verweerder] heeft plaatsgevonden met instemming van [eiser].

2.5 De enkele verklaring van [eiser] legt hiertegenover onvoldoende gewicht in de schaal. De overige door [verweerder] voorgebrachte getuigen hebben niets verklaard over het gebruik van het perceel door [verweerder] in 1990. Wanneer dan tevens in aanmerking wordt genomen, dat, gelet op de omvang van perceel [0003] (ongeveer 4 ha), niet te begrijpen is hoe partijen tot een verrekening van de aardappeloogst over 5,25 ha zijn gekomen, als perceel [0001] niet mee wordt gerekend, is het hof van oordeel dat [verweerder] geslaagd is in zijn bewijs dat [eiser] begin 1990 het perceel nr. [0001] ter grootte van 1,6 hectare aan hem ter beschikking heeft gesteld. Dit betekent dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de opbrengst van dit perceel. De reconventionele vordering van [eiser] moet derhalve worden afgewezen."

Vervolgens heeft het hof het vonnis van de rechtbank van 4 juni 1997 vernietigd "voor wat betreft de toewijzing van de reconventionele vordering van [eiser]" en deze vordering alsnog afgewezen. Voor het overige heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.13 [Eiser] heeft van beide arresten van het hof tijdig beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft verweer gevoerd en incidenteel beroep in cassatie ingesteld. [Eiser] heeft zich in het incidentele beroep gerefereerd aan het oordeel van de Hoge Raad. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Principaal cassatieberoep

2.1 In rov. 2.4 van het arrest van 26 april 2000 heeft het hof op grond van de getuigenverklaringen vastgesteld dat [verweerder] in het voorjaar van 1990 perceel [0001] voor de teelt van aardappelen heeft bewerkt en dat [eiser] daarvan op de hoogte was en daartegen nimmer heeft geprotesteerd. Daaruit heeft het hof afgeleid dat de bewerking van perceel [0001] door [verweerder] met instemming van [eiser] heeft plaatsgevonden. Aan deze omstandigheid, alsmede aan het in rov. 2.5 gereleveerde gegeven dat tussen partijen sprake was van verrekening van een aardappeloogst over 5,25 ha, welke oppervlakte het voor de aardappelteelt gebruikte deel van perceel [0001] moet hebben omvat, heeft het hof vervolgens de conclusie verbonden dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de opbrengst van perceel [0001].

2.2 Onderdeel 1 is gericht tegen het oordeel van het hof, voor zover dat steunt op de door het hof vastgestelde omstandigheid dat bewerking van perceel [0001] door [verweerder] met instemming van [eiser] heeft plaatsgevonden. Aan het onderdeel ligt de gedachte ten grondslag dat die instemming geenszins concludent is, omdat volgens de stellingen van [eiser] [verweerder] het betrokken perceel in opdracht van [eiser] (en uiteraard ook met diens medeweten en instemming) in het kader van loonwerkzaamheden heeft bewerkt en daarvoor ook daadwerkelijk door [eiser] is betaald. Als [verweerder] het perceel slechts in het kader van loonwerkzaamheden heeft bewerkt (hetgeen in de vaststellingen van het hof niet is uitgesloten), kan [eiser] wel degelijk op de opbrengst aanspraak maken.

2.3 Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof, voor zover dat steunt op het gegeven dat tussen partijen sprake was van een door [verweerder] voor de aardappelteelt gebruikte oppervlakte van 5,25 ha, welke oppervlakte (een deel van) perceel [0001] moet hebben omvat. Aan het onderdeel ligt de gedachte ten grondslag dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling van [eiser], dat de door [verweerder] voor de aardappelteelt gebruikte grond van [eiser] voor 3,65 ha behoorde tot de in de regeling van 17 oktober 1990 betrokken "litigieuze grond" waarvan [verweerder] de opbrengst mocht behouden, en voor 1,6 ha behoorde tot perceel [0001], dat van de "litigieuze grond" geen onderdeel vormde en niet in de regeling van 17 oktober 1990 was betrokken.

2.4 De onderdelen 1 en 3 lenen zich voor gezamenlijke bespreking. Beide onderdelen komen er m.i. op neer dat het oordeel van het hof dat [eiser] begin 1990 perceel [0001] aan [verweerder] ter beschikking heeft gesteld (in die zin dat de opbrengst van dat perceel aan [verweerder] zou toekomen), is gebaseerd op feiten en omstandigheden die dat oordeel niet kunnen dragen, immers geenszins uitsluiten dat [verweerder] (zoals [eiser] heeft gesteld) slechts loonwerk op het betrokken perceel verrichtte.

2.5 De enkele vaststelling dat [verweerder] het perceel heeft bewerkt, dat [eiser] daarvan op de hoogte was en daartegen nimmer heeft geprotesteerd en dat [eiser] dus met bewerking door [verweerder] instemde, laat inderdaad onbeslist of [verweerder] het perceel voor eigen rekening en risico, dan wel in opdracht van [eiser] en voor diens rekening en risico bewerkte. Voorts kan aan [eiser] worden toegegeven dat op zichzelf al evenmin concludent is dat de totale oppervlakte van de door [verweerder] met medeweten en goedvinden van [eiser] voor de aardappelteelt bewerkte, maar aan [eiser] in eigendom toebehorende gronden 5,25 ha bedroeg. Ook volgens de stellingen van [eiser] behoorde (het voor de aardappelteelt gebruikte deel van) perceel [0001] immers tot de met zijn medeweten en goedvinden door [verweerder] feitelijk bewerkte gronden.(3) In geschil was slechts of de (door de werkzaamheden van [verweerder] verkregen) opbrengst van perceel [0001] aan [eiser] of aan [verweerder] toekwam.

2.6 Het oordeel van het hof steunt echter niet slechts op de vaststelling dat [verweerder] perceel [0001] met medeweten en goedvinden van [eiser] bewerkte en dat (het voor de aardappelteelt gebruikte deel van) dit perceel moet hebben behoord tot de 5,25 ha van de door [verweerder] voor de aardappelteelt bewerkte gronden, waarvan tussen partijen al sprake was, nog vóórdat (in oktober 1990) een geschil tussen hen ontstond. Het hof, dat blijkens de slotzin van rov. 2.4 (en de daarin vervatte zinsnede"- mede gelet op hetgeen hierna nog zal worden overwogen in rechtsoverweging 2.5 -") de in de rov. 2.4-2.5 vervatte vaststellingen nadrukkelijk met elkaar in verband heeft gebracht, heeft in rov. 2.5, derde volzin, als derde element onderscheiden dat partijen tot een verrekening van de aardappeloogst over 5,25 ha zijn gekomen. Kennelijk heeft het hof daarbij het oog gehad op de gang van zaken rond de afrekening van de aardappeloogst door Z.P.C.. Naar tussen partijen vaststaat heeft Z.P.C. (op 21 juni 1991) met [verweerder] een opbrengst van 5,35 ha afgerekend,(4) nadat Z.P.C. eerder (op 16 oktober 1990) [eiser] een voorschot over de opbrengst van 5,25 ha in het vooruitzicht had gesteld.(5) [verweerder] heeft in dit verband gesteld dat [eiser] het door Z.P.C. betaalde voorschot volledig aan hem heeft doorbetaald, waaruit niet anders zou kunnen worden afgeleid dan dat het ook de bedoeling van partijen was dat de opbrengst van de gehele aardappeloogst (met inbegrip van de opbrengst van perceel [0001]) aan [verweerder] ten goede zou komen.(6) [Eiser] heeft als getuige bevestigd dat het voorschot van Z.P.C. "is verrekend in het kader van de schikking", zij het dat hij daaraan heeft toegevoegd niet te kunnen zeggen hoe dat precies is gebeurd en dat, voor zover dat bedrag op perceel [0001] betrekking had, [verweerder] daarop in elk geval geen recht had.(7) Kennelijk heeft het hof zijn oordeel dat de opbrengst van perceel [0001] aan [verweerder] en niet aan [eiser] toekwam, mede op de gang van zaken rond de afrekening van de aardappeloogst door Z.P.C. doen steunen. Onbegrijpelijk is dat niet. Overigens is het oordeel van het hof zozeer verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat het in cassatie niet nader kan worden getoetst. Het eerste en het derde onderdeel kunnen daarom niet tot cassatie leiden.

2.7 Onderdeel 2 is gericht tegen het arrest van 13 december 1995, voor het geval dat dit arrest aldus moet worden gelezen dat voor afwijzing van de reconventionele vordering van [eiser] volstaat dat [verweerder] het enkele (voor feitelijke bewerking) aan hem ter beschikking stellen van perceel [0001] bewijst. Naar mijn mening mist het onderdeel feitelijke grondslag. In rov. 6 van het arrest van 13 december 1995 releveerde het hof dat [eiser] had aangevoerd dat [verweerder] op perceel [0001] in opdracht van [eiser] loonwerkzaamheden had verricht en oordeelde het mede tegen die achtergrond "dat de door [verweerder] aangevoerde omstandigheden (waaronder het gegeven dat de totale oppervlakte van de door [verweerder] bewerkte aardappelvelden 5,25 ha bedroeg; LK) zonder meer niet voldoende zijn om de stelling van [verweerder] terzake diens rechtmatig gebruik van het perceel nr [0001] bewezen te achten en dat die omstandigheden evenmin voldoende zijn om voorshands aan te nemen, dat die stelling van [verweerder] juist is, behoudens door [eiser] te leveren bewijs van het tegendeel". Kennelijk had het hof met de verleende bewijsopdracht het oog op een beschikbaarstelling van het perceel voor eigen gebruik door [verweerder], in die zin dat de opbrengst van het perceel aan [verweerder] zou toekomen.

Incidenteel cassatieberoep

2.8 Het incidentele middel is gericht tegen het arrest van 26 april 2000, voor zover het hof daarin niet alsnog de wettelijke rente over de conventionele vordering van [verweerder] heeft toegewezen. De rechtbank had in het vonnis van 4 juni 1997 de wettelijke rente in conventie niet toegewezen, omdat de (eveneens toewijsbaar geachte) reconventionele vordering de conventionele vordering in hoofdsom oversteeg en volgens de rechtbank daarom kon worden volstaan met toewijzing van de in reconventie gevorderde wettelijke rente over het bedrag, waarmee de reconventionele vordering de conventionele vordering (in hoofdsom) te boven ging.

2.9 [Verweerder] betoogt in het incidentele beroep dat het hof na afwijzing van de vordering in reconventie alsnog de wettelijke rente over de conventionele vordering had moeten toewijzen. De rechtbank had die rente immers alleen daarom niet toegewezen, omdat zij de reconventionele vordering, die in hoofdsom tot een hoger bedrag beliep, eveneens voor toewijzing vatbaar achtte. [Verweerder] voert aan dat hij zijn vordering tot betaling van de wettelijke rente over de vordering in conventie in hoger beroep uitdrukkelijk heeft gehandhaafd. Nu [verweerder] in hoger beroep bovendien afwijzing van de reconventionele vordering van [eiser] heeft gevorderd, had dit voor het hof aanleiding moeten zijn bij vernietiging van het aangevochten vonnis, voor zover in reconventie gewezen, [eiser] in conventie alsnog tot vergoeding van de wettelijke rente te veroordelen. [Verweerder] meent dat hij daartoe niet een specifieke grief tegen de afwijzing van de in conventie gevorderde wettelijke rente behoefde te richten.

2.10 [Verweerder] heeft in hoger beroep afwijzing van de reconventionele vordering van [eiser] gevorderd en zijn vordering tot betaling van de wettelijke rente over de in conventie gevorderde hoofdsom uitdrukkelijk gehandhaafd. Voorts had de rechtbank haar beslissing over de in conventie gevorderde rente uitsluitend gebaseerd op de omstandigheid dat zij ook de reconventionele vordering, welke een hoger bedrag betrof, voor toewijzing vatbaar achtte. Aldus had de rechtbank haar beslissingen op de conventionele en de reconventionele vordering als het ware in elkaar geschoven, overigens met voorbijgaan aan het verschil in ingangsdatum van de in conventie en reconventie gevorderde rente.(8) De grieven van [verweerder] kunnen onder deze omstandigheden m.i. niet anders worden begrepen(9) dan dat [verweerder] daarmee tevens beoogde alsnog toewijzing van de wettelijke rente over de vordering in conventie te verkrijgen, indien en voor zover het hof de reconventionele vordering alsnog zou afwijzen. Het incidentele cassatieberoep slaagt. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de gevorderde wettelijke rente over de vordering in conventie alsnog toe te wijzen.

3. Conclusie

In het principale cassatieberoep strekt de conclusie tot verwerping; in het incidentele cassatieberoep strekt de conclusie tot vernietiging en tot afdoening door de Hoge Raad zoals hiervoor onder 2.10 omschreven.

De Procureur-Generaal bij

de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zie het arrest van het hof van 13 december 1995 onder 1, waarin het hof verwijst naar de door de rechtbank in haar vonnis van 8 september 1994 onder 1 vastgestelde feiten.

2 Volgens de conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie, 8, zijn de percelen [0004] en [0005] later omgenummerd tot [0002] en [0003]. Volgens de conclusie van repliek in conventie/van antwoord in reconventie, 2, is perceel [0005] opgesplitst in de percelen [0002] en [0009] en is perceel [0004] omgenummerd tot [0001], [0003] en [0007]; perceel [0006] zou een afsplitsing zijn van perceel [0002]. Volgens de conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie, 3, is perceel [0004] gesplitst en omgenummerd, uiteindelijk in [0008], [0007], [0001], [0003], [0009], en [0002].

3 [Eiser] kan intussen wel worden verweten zijn standpunt ter zake niet aanstonds volledig te hebben ontvouwd. In de conclusie van antwoord in conventie/van eis in reconventie, 10, heette het nog dat "[verweerder] (...) in 1990 niet alleen zonder toestemming, maar zelfs tegen de uitdrukkelijke wens van [eiser] het grootste gedeelte van perceel [0001] in gebruik (heeft) genomen" en dat "[verweerder] zonder recht of titel (die 1,6 ha) in gebruik heeft genomen en (...) zich de opbrengst van de aardappelen (heeft) toegeëigend." Deze formuleringen impliceren niet dat [verweerder] (zoals [eiser] later in de procedure heeft gesteld) in opdracht van [eiser] op het betrokken perceel werkzaam was. Zie voor de overige passages m.b.t. het op perceel [0001] verrichte loonwerk de schriftelijke toelichting van mr. Grabandt, 11.

4 Prod. 6 bij conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie.

5 Prod. 4 bij conclusie van dupliek in conventie/van repliek in reconventie.

6 Conclusie van dupliek in reconventie, 7, pleitnota eerste instantie mr. J. Bolt, p. 3.

7 Verklaring [eiser], proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 juni 1996, p. 3, laatste alinea.

8 In de door de rechtbank gevolgde benadering was er geen aanleiding de renteaanspraken van [eiser] over de periode van 2 februari 1991 tot 25 september 1992 tot het excedent van fl. 1.186,18 te beperken.

9 Snijders/Wendels, Civiel appel (1999), p. 187-189; H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (2001), p. 69-72; zie voorts Hugenholtz /Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht (1998), p. 201 en noot H.E. Ras bij HR 13 oktober 1995, NJ 1996, 430.