Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9593

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
24-05-2002
Datum publicatie
24-05-2002
Zaaknummer
C00/194HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9593
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 285
JWB 2002/187
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C00/194

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 15 februari 2002

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

[Verweerder]

Inleiding

1. Het onderhavige - in 1988 aanhangig gemaakte - geding betreft de weg, of beter gezegd het door thans verweerder in cassatie, [verweerder], gemaakte gebruik van de weg die loopt over de grond die door thans eiser tot cassatie, [eiser], wordt gepacht. Nadat [eiser] zich aanvankelijk op het standpunt had gesteld dat [verweerder] niet tot enig gebruik van deze weg gerechtigd was, heeft hij in de loop van het geding in eerste aanleg erkend dat de erfdienstbaarheid van weg die destijds bij notariële akte van 28 januari 1957 is gevestigd, ziet op bedoelde weg, zodat met betrekking tot de litigieuze weg een erfdienstbaarheid van weg bestaat ten behoeve van de aan [verweerder] toebehorende erven en ten laste van de door hem ([eiser]) gepachte grond. Bij bedoelde akte van vestiging werd een erfdienstbaarheid gevestigd "ter breedte van vier meter van en naar de openbare weg [...] en voor de verbinding van de heersende erven onderling een en ander uit te oefenen op de bestaande wijze". In 1961 is de weg gedeeltelijk geasfalteerd; van de weg wordt door [verweerder] sinds 1984 gebruik gemaakt met landbouwvoertuigen en zware vrachtwagens.

[Eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat het frequente gebruik met zware vrachtwagens en de grondtransporten met zware vrachtwagens die [verweerder] heeft uitgevoerd voor grondophoging, vallen buiten het bereik van de erfdienstbaarheid nu de in de notariële vestigingsakte voorziene "uitoefening op de bestaande wijze" enkel ziet op gebruik van de weg met agrarische voertuigen. Hij heeft betoogd dat de weg door het gebruik met zware vrachtwagens kapot is gereden, althans aanzienlijk is verslechterd, ondanks regelmatig door hem verrichte onderhoudswerkzaamheden. Op die grond heeft hij - voorzover in cassatie nog van belang - gevorderd de veroordeling van [verweerder] tot betaling van de kosten van herstel van de weg, begroot op f 28.750,-, alsmede een verbod ten aanzien van verder gebruik van de weg door [verweerder], althans een verbod tot gebruik met - kort gezegd - zware vrachtwagens. [Eiser] heeft voorts (subsidiair, voorzover gebruik door [verweerder] wordt toegelaten) gevorderd een verklaring voor recht dat de toekomstige onderhoudskosten door partijen bij helfte dienen te worden gedragen, daartoe aanvoerende dat deze kosten in redelijkheid verdeeld dienen te worden en dat de verdeling bij helfte - gezien het door [verweerder] gemaakte gebruik van de weg - redelijk is.

[Verweerder] heeft de vorderingen gemotiveerd bestreden. Naar zijn mening valt het door hem van de weg gemaakte gebruik met zware vrachtwagens binnen het bereik van de erfdienstbaarheid. De door [eiser] genoemde gebreken aan de weg zijn naar [verweerders] oordeel een gevolg van normale slijtage dan wel van achterstallig onderhoud. [Verweerder] heeft zich bereid verklaard 9% van de onderhoudskosten voor zijn rekening te nemen, stellende dat zijn aandeel in het totale gebruik 9% bedraagt.

2. De procedure in eerste aanleg heeft veel tijd in beslag genomen; er zijn comparities gehouden, er is op verzoek van partijen en op last van de Rechtbank een voorlopig deskundigenrapport uitgebracht door J.A. Poortvliet waarna op verzoek van [verweerder] en op last van de Rechtbank nog een deskundigenrapport is uitgebracht door ir. J.J.M. van de Loo. Van Poortvliet rapporteerde dat het geasfalteerde deel van de weg aan herstel en het ongeasfalteerde deel aan onderhoud toe is. Gezien het door partijen gemaakte gebruik van de weg acht Van Poortvliet het redelijk dat [verweerder] voor 65% en [eiser] voor de overige 35% bijdraagt aan de kosten voor herstel; ten aanzien van het (toekomstige) onderhoud stelde hij een verdeling van 20-80 voor. Het rapport Van der Loo bevatte als primaire aanbeveling dat [verweerder], gezien de aan hem toe te rekenen belasting van de weg in de periode 1982-1985, de reconstructiekosten (geschat op f 69.125,-) voor minimaal 53% draagt en voorts dat [verweerder] de onderhoudskosten voor 9% draagt, ervan uitgaande dat [verweerder] de weg voortaan slechts zal mogen gebruiken met voertuigen met een maximale asdruk van 40 Kn.

3. Op 29 maart 1995 heeft de Rechtbank eindvonnis gewezen. Zij heeft geconcludeerd dat het door [verweerder] gemaakte gebruik van de weg is gebleven binnen het bereik van de erfdienstbaarheid, zodat [eisers] vordering tot een verbod of beperking van het gebruik van de weg door [verweerder] moet worden afgewezen. Daartoe overwoog zij, vooropstellende dat [verweerder] krachtens de erfdienstbaarheid zijn recht moet uitoefenen "op de bestaande wijze", dat de weg dient ter ontsluiting van gronden die gebruikt werden en worden voornamelijk voor bedrijfsmatige teelt van veldgewassen en dat van de weg gebruik moeten kunnen maken landbouwmachines en -voertuigen die nodig zijn voor de bewerking van de grond, de bemesting, de aan- en afvoer van landbouwprodukten, grond en wat dies meer zij; zodanig gebruik omvat naar het oordeel van de Rechtbank mede het transport van grond voor de noodzakelijk gebleken ophoging van [verweerders] erf omdat een dergelijke erfophoging gerekend kan worden tot de normale bedrijfsuitoefening van landbouwers als partijen zijn. De Rechtbank voegde daaraan toe dat het gebruik van de weg gelijke tred zal moeten kunnen houden met de moderne ontwikkelingen in de landbouw, met name de mechanisatie. Voorts gaf zij aan niet ervan overtuigd te zijn dat [verweerder] van de weg een voor [eiser] onredelijk belastend gebruik heeft gemaakt. Met betrekking tot de verdeling van de kosten voor herstel en onderhoud oordeelde de Rechtbank dat de onderhavige erfdienstbaarheid onder het begrip buurweg kan worden gerangschikt met als consequentie dat het onderhoud voor gezamenlijke rekening dient te komen. Zij oordeelde dat niet kan worden uitgegaan van de, op het veronderstelde gebruik van partijen gebaseerde, verdeling uit het rapport Van der Loo aangezien de gegevens ter zake zijn aangereikt door partijen en die gegevens wegens betwisting niet zijn komen vast te staan. De Rechtbank oordeelde het billijk de verdeling van kosten te baseren op de hoeveelheid land die door elk van partijen wordt geëxploiteerd; die maatstaf bracht haar tot een verdeling van de kosten (de onderhouds- en reconstructiekosten) bij helfte.

4. [Eiser] heeft daarop principaal appèl aangetekend en [verweerder] incidenteel appèl bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Beide partijen hebben in dat verband betoogd dat de verdeling van de kosten dient te geschieden niet op basis van wederzijds grondbezit doch op basis van wederzijds gebruik.

5. Bij tussenarrest van 5 maart 1997 verwierp het Hof met de volgende overwegingen de grief van [eiser] dat de Rechtbank ten onrechte aan het gebruik van de erfdienstbaarheid door [verweerder] niet de beperking heeft verbonden dat [verweerder] niet gerechtigd is grondtransporten uit te voeren over de weg:

"3. In aanmerking nemende dat het heersend erf reeds ten tijde van de vestiging van de onderhavige erfdienstbaarheid en ook thans nog een agrarische bestemming heeft, en dat de breedte van de weg bij vestiging van de erfdienstbaarheid op 4 meter is bepaald, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat aan het gebruik van de erfdienstbaarheid door [verweerder] niet de door [eiser] gewenste beperking dient te worden verbonden.

Transport van grond voor de voor een normale uitoefening van het agrarisch bedrijf op het heersend erf noodzakelijke ophoging van de grond valt onder het gebruik van de erfdienstbaarheid.

[Eiser] heeft niet gesteld dat de grondophogingen niet noodzakelijk zijn danwel dat deze een normale bedrijfsuitvoering te buiten zouden gaan.

(...)

5. Dat [verweerder] vervolgens gehouden is van de aldus verstane inhoud van de erfdienstbaarheid op de voor [eiser] minst bezwaarlijke wijze gebruik te maken kan bezwaarlijk wijziging brengen in vorenstaande uitleg van de inhoud van de erfdienstbaarheid.

6. Gelet op het onder 3 overwogene kan, anders dan [eiser] wil, niet worden geoordeeld dat er niet langer sprake is van uitoefening van de erfdienstbaarheid op de bestaande wijze.

7. Uit het vorenoverwogene vloeit voort, dat [verweerder], anders dan [eiser] wil, niet gehouden kan worden geacht om voor grondtransport zijn eigen weg te gebruiken en geen gebruik van de erfdienstbaarheid te maken".

Met betrekking tot de kosten van herstel en onderhoud overwoog het Hof dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderhavige weg valt onder het begrip buurweg en dat op die grond sprake kan zijn van een voor gezamenlijke rekening komen van de kosten. Het Hof oordeelde dat uit de wettelijke bepalingen noch uit de akte van vestiging voortvloeit dat partijen jegens elkaar verplicht zijn tot onderhoud dan wel tot het dragen van de daarop vallende kosten en dat de vraag of de redelijkheid en billijkheid zulks meebrengen kan blijven rusten omdat partijen het erover eens zijn dat [verweerder] in de kosten van het door [eiser] gepleegde en nog te verrichten onderhoud dient bij te dragen in de mate waarin hij van de weg gebruik maakt in verhouding tot het gebruik door [eiser]. Hoewel aannemelijk is, zo vervolgt het Hof, dat de reconstructie van het geasfalteerde gedeelte van de onderhavige weg noodzakelijk is geworden door het uitblijven van onderhoud dient [verweerder] ook in de kosten van reconstructie bij te dragen in de mate waarin hij van de weg gebruik maakt nu de totale kosten van de reguliere onderhoudsbeurten, ware telkens tijdig onderhoud gepleegd, gelet op de vaststaande feiten en gelet op het eigen rekenwerk van [verweerder], thans ongeveer een bedrag zouden hebben belopen ter hoogte van de kosten van reconstructie. Daarop belastte het Hof [eiser] met het bewijs dat het aandeel van [verweerder] in het gebruik van de onderhavige weg meer bedraagt dan de door hem gestelde 9%.

6. Bij eindarrest van 1 maart 2000 concludeerde het Hof dat [eiser] ten dele was geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Op basis van de getuigenverklaringen, de eerdere deskundigenberichten alsmede de stellingen van partijen kwam het Hof tot de slotsom dat over de periode 1960-1993 de totale belasting van de weg door partijen (en hun rechtsvoorgangers) moet worden gesteld op, afgerond, 25000 eenheden en de totale belasting door het gebruik van [verweerder] (en voorgangers) op 7500 eenheden, zodat het aandeel van [verweerder] in het gebruik van de weg dient te worden gesteld op 30% en [verweerder] voor 30% zal moeten bijdragen in de door [eiser] gemaakte en te maken onderhoudskosten, de kosten van reconstructie daaronder begrepen. Het Hof overwoog in dat verband dat voormelde verdeelsleutel geen bijstelling beboeft omdat partijen de onderhavige weg na de periode 1960-1993 niet substantieel en structureel meer of minder zijn gaan gebruiken. Met betrekking tot de reconstructiekosten wees het Hof op zijn overweging uit zijn tussenarrest dat de voor de verdeling van de onderhoudskosten geldende maatstaf evenzeer geldt voor de kosten van reconstructie; het overwoog dat de vraag of reconstructie noodzakelijk is geworden door intensief gebruik van de weg door één of beide partijen en/of door het uitblijven van onderhoud onbeantwoord kan blijven nu [eiser] en [verweerder] beiden gerechtigd zijn/waren tot het gebruik dat zij van de weg hebben gemaakt terwijl zij voorts jegens elkaar niet zijn/waren gehouden tot onderhoud van de weg. Het Hof stelde vast dat de kosten van het inmiddels door [eiser] gepleegde onderhoud en herstel in totaal f 102.900,- hebben bedragen welk bedrag geheel door [eiser] is betaald.

Het Hof vernietigde het vonnis waarvan beroep, verstond dat [verweerder] gebruik mag blijven maken van de erfdienstbaarheid van weg zonder restrictie en veroordeelde [verweerder] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van f 30.870,- en tot betaling aan [eiser] van een gedeelte van 30% van door deze in de toekomst te maken kosten van onderhoud.

7. [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen zowel het tussenarrest als het eindarrest van het Hof. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten.

Het cassatiemiddel

8. Middelonderdeel 1 maakt bezwaar tegen de vaststelling in het bestreden tussenarrest dat [eiser] bij exploit van 29 juni 1995 hoger beroep heeft ingesteld met dagvaarding van [verweerder] tegen de zitting van 6 september 1995; geklaagd wordt dat deze vaststelling niet overeenstemt met de gegevens vermeld op het afschrift van het exploit, te weten dagvaarding op 19 juni 1995 tegen de zittingsdatum van 5 juli 1995.

9. Deze klacht die volgens de schriftelijke toelichting moet worden gekwalificeerd als een verzoek tot het corrigeren van een verschrijving, faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het procesdossier van [verweerder] bevat, anders dan dat van [eiser], afschriften van een drietal appèldagvaardingen: een eerste dagvaarding van 2 juni 1995 die blijkens een tweede dagvaarding van 19 juni 1995 is ingetrokken alsmede een derde dagvaarding waarop de door het Hof genoemde data staan vermeld. Kennelijk heeft het Hof deze laatste dagvaarding als het relevante procesdocument aangemerkt.

10. De middelonderdelen 2 en 3 komen op tegen de rechtsoverwegingen 3-8 van het tussenarrest en rechtsoverweging 4 van het eindarrest van het Hof. In de eerstgenoemde, hiervoor onder 6 geciteerde, overwegingen verwierp het Hof [eisers] grief dat de Rechtbank aan het gebruik van de erfdienstbaarheid de beperking had moeten verbinden dat [verweerder] niet gerechtigd is grondtransporten over de weg uit te voeren. Het Hof verenigde zich met het oordeel van de Rechtbank, gebaseerd op de uitleg van de erfdienstbaarheid, dat aan het gebruik van de erfdienstbaarheid door [verweerder] niet de door [eiser] gewenste beperking dient te worden verbonden. In de gewraakte overweging uit zijn eindarrest verbond het Hof daaraan de conclusie dat ook de reconstructiekosten zullen worden verdeeld op basis van het wederzijdse aandeel in het totale gebruik van de weg.

Middelonderdeel 2 strekt ten betoge dat het Hof deze oordelen heeft doen steunen op een rechtens onjuiste (onderdeel 2a) dan wel ontoereikend gemotiveerde (onderdeel 2b) uitleg van de erfdienstbaarheid omdat de clausule "uit te oefenen op de bestaande wijze" mede een beschermende strekking heeft en zich verzet tegen overmatig belastende wijzen van vervoer. Het hof kon daarom, aldus middelonderdeel 2, niet, althans niet zonder nadere motivering die ontbreekt, de vraag of sprake was van uitoefening op de bestaande wijze beantwoorden door uitsluitend te bezien of de grondtransporten in overeenstemming waren met de agrarische bestemming van het heersend erf. Het middelonderdeel acht deze benadering in strijd met de art. 738 BW (oud) en art. 5:73 lid 1 BW.

Middelonderdeel 3 klaagt dat het Hof ten onrechte terzijde heeft gelaten de wezenlijke stelling van [eiser] dat schadetoebrengend transport in strijd is met de erfdienstbaarheid, althans misbruik van de erfdienstbaarheid oplevert.

11. De in middelonderdeel 2 vervatte klachten falen. Art. 738 BW (oud) en art. 5:73 lid 1 BW, waaraan het middel en de daarop gegeven toelichting enkele weinig inzichtelijke beschouwingen wijden, bepalen niet anders dan dat de inhoud en de wijze van uitoefenen van een erfdienstbaarheid primair worden bepaald door de akte van vestiging. Waar de onderhavige akte geen uitdrukkelijke beperking terzake van de belasting of de toegestane wieldruk bevat, stond het Hof voor de taak om - met het oog op het onderhavige geschil - uitleg te geven aan de wel in die akte opgenomen maar niet voorshands duidelijke bepaling "uit te oefenen op de bestaande wijze", waarbij het had uit te gaan van objectieve, voor partijen als latere verkrijgers van de heersende en dienende erven kenbare gegevens (vgl. HR 16 januari 1981, NJ 1981, 664 m.nt WMK). In overeenstemming hiermee heeft het Hof in aanmerking genomen dat het heersende erf reeds ten tijde van de vestiging van de onderhavige erfdienstbaarheid en ook thans nog een agrarische bestemming heeft, en voorts dat de breedte van de weg in de akte van vestiging op vier meter is bepaald. Hieruit heeft het Hof afgeleid dat de erfdienstbaarheid mede strekt tot het verrichten van grondtransporten in het kader van een normale agrarische bedrijfsvoering. Kennelijk was het Hof evenals de Rechtbank, wier oordeel het onderschrijft, van mening dat die bepaling toestaat dat het gebruik gelijke tred houdt met moderne ontwikkelingen en niet dwingt tot een "statische" uitleg als door [eiser] wordt voorgestaan (geen belasting met een hogere wieldruk dan die van destijds gangbare voertuigen). Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. Hof Amsterdam 19 oktober 1992, NJ 1993, 727 alsmede Pitlo-Reehuis-Heisterkamp-Van Maanen, 2001, nr. 621-623., K.F.M. Berger, Burenrecht, mandeligheid en erfdienstbaarheden 2001, nr. 46, M.A.J.G. Jansen, Bb 1994, p. 79-80, W.J.M. Davids, Mandeligheid en erfdienstbaarheden, Mon. Nieuw BW B-27, 2e dr. 1, nr. 15, 19-20 en 24, en Asser-Beekhuis II, 11e dr. 1983, p. 206-213 met verwijzingen naar oudere jurisprudentie). 's Hofs oordeel is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik in aanmerking dat het Hof in rechtsoverweging 2 van zijn tussenarrest heeft overwogen dat op grond van onweersproken stellingen van partijen dan wel onweersproken gebleven gedeelten van de deskundigenrapporten vaststaat dat aan het geasfalteerde gedeelte van de weg waarop de erfdienstbaarheid betrekking heeft, sedert ongeveer 1968 geen grootschalig onderhoud is verricht zoals het aanbrengen van een slijtlaag, dat grootschalig onderhoud eenmaal per tien jaar dient plaats te vinden, dat het geasfalteerde gedeelte van de weg omstreeks 1983 zijn technisch maximale levensduur heeft bereikt, dat het geasfalteerde gedeelte van de weg reconstructie behoeft om normaal gebruik mogelijk te maken en dat het overige gedeelte van de weg onderhoud behoeft; in rechtsoverweging 1 van zijn eindarrest heeft het Hof aangegeven dat wellicht enige nuancering behoeft de vaststelling dat grootschalig onderhoud eenmaal per tien jaar dient plaats te vinden, doch uit deze overweging blijkt tevens dat en waarom naar 's Hofs oordeel sprake is van niet meer dan "wellicht enige nuancering behoeven". Middelonderdeel 5 richt tegen deze twee rechtsoverwegingen vergeefs een klacht, zoals hierna zal blijken.

12. Ook middelonderdeel 3 is vruchteloos voorgesteld. Het Hof heeft, anders dan dit middelonderdeel wil betogen, ook onder ogen gezien welke consequenties moeten worden verbonden aan het gebruik dat [verweerder] van zijn rechten heeft gemaakt. Zo overwoog het Hof in rechtsoverweging 5 van zijn tussenarrest dat het feit dat [verweerder] gehouden is van de erfdienstbaarheid gebruik te maken op de minst bezwarende wijze, geen wijziging kan brengen in de door het Hof aanvaarde uitleg van de inhoud van de erfdienstbaarheid; in rechtsoverweging 18 van zijn tussenarrest overwoog het Hof - onder verwijzing naar zijn hiervoor onder 11 aan de orde gekomen feitelijke vaststellingen omtrent het noodzakelijke en het daadwerkelijke gepleegde onderhoud van de weg - dat aannemelijk is dat de reconstructie van het geasfalteerde gedeelte van de onderhavige weg noodzakelijk is geworden door het uitblijven van onderhoud; in rechtsoverweging 4 van zijn eindarrest overwoog het Hof dat de voor de verdeling van de onderhoudskosten geldende maatstaf evenzeer geldt voor de kosten van reconstructie en dat de vraag of reconstructie noodzakelijk is geworden door intensief gebruik van de weg door één of beide partijen en/of door het uitblijven van onderhoud onbeantwoord kan blijven nu partijen beide gerechtigd zijn/waren tot het gebruik dat zij van de weg hebben gemaakt terwijl zij voorts jegens elkaar niet zijn/waren gehouden tot onderhoud van de weg. Geconcludeerd kan worden dat het Hof zwaar heeft laten wegen dat [verweerder] krachtens de erfdienstbaarheid gerechtigd was om de voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijke grondtransporten uit te voeren zodat de mogelijke schadelijke gevolgen van dat gebruik voor de weg (in haar toenmalige staat) niet voor diens rekening behoefden te worden gebracht door middel van toewijzing van het door [eiser] gevorderde verbod dan wel door (volledige) aansprakelijkheid voor de reconstructiekosten, temeer nu aannemelijk is dat de ongeschiktheid van de weg tot het verwerken van de (in beginsel geoorloofde) grondtransporten in belangrijke mate het gevolg is van achterstallig onderhoud. Uit dit een en ander blijkt dat, en waarom, het Hof de door het middel bedoelde stelling heeft verworpen.

13. Middelonderdeel 4 keert zich tegen het in rechtsoverweging 15 van 's Hofs tussenarrest gegeven oordeel dat [verweerder] jegens [eiser] niet was gehouden tot onderhoud van de weg dan wel tot betaling van een bijdrage in de kosten daarvan aan [eiser]; het middelonderdeel acht dit oordeel in strijd met de art. 735 lid 2 BW (oud) en art. 5:75 lid 1 BW, welke het Hof volgens het middel krachtens art. 48 Rv had moeten toepassen.

14. Ook deze klacht faalt. Art. 735 lid 2 BW (oud) en art. 5:75 lid 1 BW geven de eigenaar van het heersende erf de bevoegdheid om op zijn kosten op het dienende erf alles te verrichten wat voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid noodzakelijk is; de aldus aangebrachte zaken dient hij krachtens lid 3 van laatstgenoemde bepaling zelf te onderhouden. Gesteld noch gebleken is dat het geval waarop deze artikelen het oog hebben zich hier voordoet, zodat niet valt in te zien (het middelonderdeel geeft dat in strijd met art. 407 lid 2 Rv ook niet aan) waarom die artikelen de door [eiser] bepleite onderhoudsplicht zouden meebrengen.

15. Middelonderdeel 5 komt met een motiveringsklacht op tegen 's Hofs in rechtsoverweging 2c van zijn tussenarrest en rechtsoverweging 1 van zijn eindarrest neergelegde oordeel dat grootschalig onderhoud van de weg eenmaal per tien jaar diende plaats te vinden. Geklaagd wordt dat het Hof geen inzicht heeft gegeven in de gedachtegang die het Hof tot dit oordeel heeft geleid.

16. Deze klacht faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de aanhef van rechtsoverweging 2 van zijn tussenarrest blijkt immers dat het Hof zijn gewraakte oordeel heeft gebaseerd op de onweersproken stellingen van partijen dan wel de onweersproken gebleven gedeelten van de deskundigenrapporten, terwijl het Hof in rechtsoverweging 1 van zijn eindarrest, naar aanleiding van de door [eiser] geuite bezwaren, nader heeft toegelicht waarom het aan zijn overwegingen vasthoudt.

17. Middelonderdeel 6a stelt dat het Hof is voorbijgegaan aan [eisers] wezenlijke stelling dat [verweerder] alle kosten van het door hem teweeggebrachte kapot rijden van de weg, althans van de aanzienlijke verslechtering van de weg, in de periode 1982-1986 volledig dient te betalen, naast diens bijdrageplicht in het normale onderhoud van de weg. Middelonderdeel b klaagt dat het Hof onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang voorzover het Hof [eisers] stelling heeft verworpen; middelonderdeel 6c klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voorzover het Hof geoordeeld zou hebben dat volledige schadevergoeding in strijd komt met een tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst.

18. Middelonderdeel 6a, dat overigens evenals de onderdelen 6b en 6c nalaat te verwijzen naar de passages in de gedingstukken waar de door het middel bedoelde stelling wordt geponeerd, mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft bedoelde stelling verworpen. Zulks ligt besloten in 's Hofs oordeel dat [verweerder] krachtens de erfdienstbaarheid was gerechtigd tot de door hem verrichte grondtransporten (die derhalve niet onrechtmatig waren), zodat een "vergoedingsplicht" waarvoor de wettelijke bepalingen noch de vestigingsakte een grondslag verschaffen, uitsluitend kon worden gebaseerd op het door [verweerder] (en door [eiser]) aanvaarde uitgangspunt dat hij naar rato van zijn totale gebruik moet delen in de door [eiser] gemaakte kosten, zodat van deze maatstaf moest worden uitgegaan voor de verdeling van zowel de onderhouds- als de reconstructiekosten; het Hof voegde daaraan nog toe het aannemelijk te achten dat de reconstructie van de onderhavige weg noodzakelijk is geworden door het uitblijven van onderhoud. Deze oordelen (neergelegd in de rechtsoverwegingen 13-19 van het tussenarrest en rechtsoverweging 4 van het eindarrest) zijn op zichzelf noch als antwoord op de bedoelde stelling van [eiser] onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Hierop stuiten ook de middelonderdelen 6b en 6c af.

19. Middelonderdeel 7 richt ten slotte een aantal motiveringsklachten tegen de wijze waarop het Hof de kosten voor onderhoud en reconstructie uiteindelijk heeft verdeeld. Deze klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden.

Onderdeel 7a faalt reeds bij gebrek aan belang omdat niet duidelijk is hoe [eiser] baat zou kunnen hebben bij toerekening aan [verweerder] van 6786,5 belastingsequivalenten, zoals het onderdeel voorrekent, in plaats van de 7500 belastingsequivalenten als door het Hof becijferd. Het onderdeel mist tevens feitelijke grondslag omdat het Hof blijkens rechtsoverweging 25 van zijn eindarrest de jaarlijkse belasting door aan- en afvoer van goederen alsmede de aanvoer van mest tezamen op 148,2 eenheden (90,5 + 57,7) heeft gesteld, welk aantal, verminderd met een jaarlijkse reductie van 2%, over 34 jaren (afgerond) 7500 eenheden oplevert.

Ook onderdeel 7b berust op een verkeerde lezing van het eindarrest waar het betoogt dat het Hof niet duidelijk maakt waarom het in rechtsoverweging 25 rekent met een aantal van 148,2 equivalenten per jaar, naast het in rechtsoverweging 21 genoemde aantal van 90,5 dat, naar het onderdeel voorts betoogt, tot een totaal van 4890,6 eenheden zou moeten leiden. Het onderdeel ziet aldus voorbij aan zowel de bijtelling van 57.7 eenheden wegens de aanvoer van mest (door het Hof toegelicht in rechtsoverweging 24) alsook aan in de rechtsoverweging 25 gemotiveerde reductie van 2% per jaar.

De klacht onder 7c vindt evenmin steun in de bestreden uitspraak: uit de rechtsoverwegingen 12 en 30 van het eindarrest blijkt onmiskenbaar dat het Hof de belasting door grondvervoer ter grootte van 3800 eenheden als onderdeel van de totale belasting van 25.000 eenheden aan [verweerder] heeft toegerekend.

Onderdeel 7d ten slotte ziet kennelijk over het hoofd dat het Hof over de periode 1960-1993 weliswaar 7500 eenheden aan [verweerder] heeft toegerekend maar de overige 17.500 eenheden voor rekening van [eiser] heeft gebracht. Het miskent voorts dat het Hof niet was gebonden aan de mening van "de deskundige" dat 9000 equivalenten het technisch einde van de weg uitmaken. Volgt men overigens de door het middelonderdeel voorgestane verdeelwijze naar de letter dan komt men uit op dezelfde kostenverdeling als die waartoe het Hof is gekomen. In zoverre mist het onderdeel naast feitelijke grondslag tevens belang.

20. Nu geen van de in het middel vervatte klachten kan slagen, dient het beroep te worden verworpen.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

HogeRaad der Nederlanden