Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9568

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-02-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
02159/99 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9568
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 23
Wetboek van Strafvordering 30
Wetboek van Strafvordering 552a
Wetboek van Strafvordering 552f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 146
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Wortel

Nr. 02159/99 Besch. en 02158/99 Besch.

Parket, 19 oktober 2000

Conclusie inzake:

[Betrokkene=verzoeker]

Edelhoogachtbaar College,

1. Door zowel [betrokkene] (hierna te noemen: verzoeker) als door de officier van justitie is cassatie ingesteld tegen

- een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 23 juli 1999 waarbij een op grond van art. 36b, eerste lid, aanhef en onder 4o Sr en art. 552f, tweede lid, Sv gedane vordering van de Officier van Justitie deels is toegewezen en de in het dictum van deze beschikking genoemde goederen aan het verkeer onttrokken zijn verklaard, en

- een beschikking van dezelfde Rechtbank en dezelfde datum waarbij naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv is bevolen dat bepaalde voorwerpen aan verzoeker zullen worden teruggegeven, en het beklag voor het overige ongegrond is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr G. Spong, advocaat te 's Gravenhage, tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer twee middelen van cassatie, en tegen de beschikking op het klaagschrift één middel voorgesteld.

Door de officier van justitie zijn geen cassatiemiddelen voorgesteld. Hij zal ingevolge art. 447 lid 4 Sv in zijn cassatieberoepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

3. Het gaat om een grote hoeveelheid videobanden, foto's, films en gedrukt materiaal waarvan de Rechtbank ten dele heeft vastgesteld dat het 'kinderporno' betreft. De beschikkingen van de Rechtbank zijn complementair: voor zover de onttrekking aan het verkeer is bevolen (en de vordering van de officier van justitie is toegewezen) is het beklag van verzoeker ongegrond verklaard, en voor zover de Rechtbank van oordeel was dat niet gezegd kan worden dat het om kinderporno gaat (en met betrekking tot een luchtdrukwapen plus patronen) is de vordering afgewezen en naar aanleiding van het klaagschrift de teruggave bevolen.

4. Deze beschikkingen zijn gewezen op dezelfde dag als twee overeenkomstige beschikkingen van de Rechtbank betreffende een andere belanghebbende - ook met betrekking tot kinderporno - waartegen eveneens cassatie is ingesteld, bij de Hoge Raad bekend onder griffienummers 02157/99 Besch. en 02156/99 Besch.

5. De middelen houden alle verband met een bijzonderheid die zich heeft voorgedaan bij de behandeling in raadkamer, en die in de beschikking strekkende tot onttrekking aan het verkeer als volgt is weergegeven:

"De rechtbank heeft op 4 juni 1998 de officier van justitie, beslagene en zijn raadsvrouw in openbare raadkamer gehoord. Het onderzoek in raadkamer is vervolgens aangehouden teneinde de officier van justitie in staat te stellen de ontbrekende delen van het dossier over te leggen aan de rechtbank en de rechtbank en de raadsvrouw gelegenheid te geven kennis te nemen van de inbeslaggenomen voorwerpen.

Bij brief van 14 oktober 1998 heeft de raadsvrouw de officier van justitie verzocht zowel haar als beslagene in de gelegenheid te stellen de inbeslaggenomen videobanden te bekijken.

Bij brief van 19 oktober 1998 heeft de officier van justitie dit verzoek geweigerd, voor zover het de inzage door beslagene betrof. De veronderstelling van de raadsvrouw dat de beslagene in de gelegenheid werd gesteld de banden te bekijken achtte de officier van justitie onjuist.

Op 17 december 1998 heeft de rechtbank -in andere samenstelling- de officier van justitie, beslagene en zijn raadsvrouw in openbare raadkamer gehoord.

Het onderzoek is wederom aangehouden, waarbij de rechtbank besliste dat beslagene en zijn raadsvrouw in de gelegenheid moesten worden gesteld om, eventueel onder toezicht van de officier van justitie, de inbeslaggenomen stukken in te zien en gespecificeerd aan te geven welke van deze stukken zij geen kinderpornografie achten.

Bij faxbericht van 19 februari 1999 heeft de officier van justitie de raadsvrouw desgevraagd laten weten dat zij, ondanks de beslissing van de rechtbank, niet bereid was beslagene inzage te geven in het inbeslaggenomen materiaal.

De rechtbank heeft op 4 maart 1999 de officier van justitie, beslagene en zijn raadsvrouw in de openbare raadkamer gehoord.

Op 9 en 10 juni 1999 heeft de rechtbank kennisgenomen van het inbeslaggenomen materiaal."

6. In verband met de aldus weergegeven gang van zaken is namens verzoeker ten aanzien van de vordering tot onttrekking aan het verkeer een verweer gevoerd dat in de daarop gegeven beschikking als volgt is samengevat en verworpen:

"4. Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

4.1. Stelling van partijen.

De raadsvrouw van beslagene heeft gesteld dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu zij, door beslagene inzage in de inbeslaggenomen goederen te weigeren, geen gevolg heeft gegeven aan de beslissing van de rechtbank d.d. 17 december 1998.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het niet gevolg geven aan de beslissing van 17 september 1998 niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Er bestaat geen wettelijk recht op inzage in inbeslaggenomen voorwerpen. De beslissing van de rechtbank beslagene in de gelegenheid te stellen het materiaal in te zien is dan ook niet juist.

Aangezien de officier van justitie geen mogelijkheid had om een rechtsmiddel tegen de beslissing d.d. 17 december 1998 in te stellen, heeft zij een keuze moeten maken en de belangen van de slachtoffers laten prevaleren.

Voorts is de raadsvrouw van beslagene in de gelegenheid gesteld -eventueel begeleid door een onafhankelijk deskundige- het inbeslaggenomen materiaal in te zien, zodat de verdediging niet in haar belangen is geschaad.

4.2. Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de omstandigheid dat partijen van mening verschillen over de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van het in voorraad hebben van kinderpornografie in de zin van artikel 240b Sr, en gelet op de enorme hoeveelheid materiaal die in beslag is genomen heeft de rechtbank op 17 december 1998 besloten het onderzoek aan te houden om beslagene en zijn raadsvrouw in de gelegenheid te stellen het inbeslaggenomen materiaal in te zien en gespecificeerd aan te geven ten aanzien van welke beslagonderdelen zij van mening zijn dat er geen sprake van kinderpornografie is. Een en ander met het oog op een later door de rechtbank te nemen inhoudelijke beslissing.

De officier van justitie heeft (...) geweigerd aan deze beslissing mee te werken.

Door een ten gunste van de beslagene genomen rechterlijke beslissing te negeren, heeft de officier van justitie, naar het oordeel van de rechtbank, de algemene beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden. De stelling van de officier van justitie dat zij geen tussentijds rechtsmiddel kon aanwenden tegen een in haar ogen onjuiste beslissing doet daaraan niet af.

De consequentie die verbonden zou moeten worden aan de weigering van de officier van justitie voornoemde rechterlijke beslissing van 17 december 1998 uit te voeren, is in beginsel de niet-ontvankelijk verklaring van de officier van justitie met betrekking tot de vordering onttrekking aan het verkeer.

De rechtbank realiseert zich evenwel dat een niet-ontvankelijk verklaring thans, de officier van justitie niet belet op een later tijdstip een nieuwe vordering in te dienen, die de rechtbank dan (opnieuw) in volle omvang dient te beoordelen.

De rechtbank is zich er voorts van bewust dat het onderwerp kinderpornografie reeds geruime tijd een maatschappelijk gevoelig onderwerp is.

Tenslotte dient meegewogen te worden dat de voorwerpen in de onderhavige zaak meer dan drie jaar geleden inbeslaggenomen zijn en de onderhavige procedure al meer dan een jaar duurt.

Gelet op het vorenstaande alsmede op de omstandigheid dat de rechtbank in het kader van een door de beslagene ingediend klaagschrift ex art. 552a van het Wetboek van Strafvordering, kennis heeft genomen van het inbeslaggenomen materiaal, is de rechtbank van oordeel dat zij -mede om redenen van proces-economische aard- een inhoudelijke beslissing op de vordering dient te geven.

De Rechtbank zal dan ook niet overgaan tot het niet-ontvankelijk verklaren van de Officier van Justitie in haar vordering tot onttrekking aan het verkeer."

7. Het eerste middel betreffende de beschikking tot onttrekking aan het verkeer valt in twee klachten uiteen. Er wordt in betoogd dat de Rechtbank er niet vanaf had mogen zien de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren. Daarnaast wordt aangevoerd dat de Rechtbank er ten onrechte toe is overgegaan te toetsen of de inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer.

Die laatste klacht is ook opgenomen in het enige middel dat is voorgesteld tegen de beschikking waarbij het door verzoeker ingediende klaagschrift (gedeeltelijk) is afgewezen.

Het tweede middel dat is voorgesteld tegen de beschikking tot onttrekking aan het verkeer bevat ook weer een klacht tegen de wijze waarop de Rechtbank heeft onderzocht of de inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, ditmaal vanuit een wat andere invalshoek.

8. Naar aanleiding van het eerste onderdeel van het eerste middel betreffende de beschikking tot onttrekking aan het verkeer merk ik het volgende op.

Terecht neemt de steller van het middel tot uitgangspunt dat de procedure tot onttrekking van voorwerpen aan het verkeer bij afzonderlijke beschikking betrekking heeft op het vaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen, als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, zodat de in die verdragsbepaling gewaarborgde processuele rechten gerespecteerd dienen te worden (HR NJ 1988, 453).

Even juist lijkt mij het door de steller van het middel betrokken standpunt te zijn dat tot deze, verdragsrechtelijk gewaarborgde, processuele rechten behoort dat degene die als beslagene (of anderszins als belanghebbende) wordt geconfronteerd met een vordering als bedoeld in art. 552f lid 2 Sv, kennis moet kunnen nemen van al hetgeen aan de rechter die over de vordering moet beslissen wordt voorgelegd, zodat naar behoren verweer tegen die vordering kan worden gevoerd. Dat brengt mee dat, indien de belanghebbende te kennen geeft niet voldoende op de hoogte te zijn van aard of eigenschappen van de voorwerpen waarvan de onttrekking aan het verkeer wordt gevoerd, en die stelling niet als kennelijk ongegrond kan worden aangemerkt, hem de gelegenheid dient te worden geboden zich een eigen oordeel over die voorwerpen te vormen.

Zonder die mogelijkheid tot kennisneming van de aan het verkeer te onttrekken voorwerpen zal in dat geval niet gesproken kunnen worden van de eerlijke behandeling van de zaak die het eerste lid van art. 6 EVRM beoogt te waarborgen.

9. Bovendien vloeit de bevoegdheid tot kennisneming van die voorwerpen reeds uit de Nederlandse wetgeving voort. Indien die kennisneming van inbeslaggenomen voorwerpen noodzakelijk is om te kunnen bepalen in hoeverre zij vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer zullen die voorwerpen moeten worden aangemerkt als behorende tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in art. 23 lid 4 Sv. Ook dit wettelijk voorschrift dwingt er dus toe bezwaarden en klagers alsmede hun raadslieden desgevraagd in staat te stellen van de inbeslaggenomen voorwerpen inhoudelijk kennis te nemen.

Het tijdens de behandeling van de onderhavige zaak door de officier van justitie ingenomen standpunt dat er in verband met een vordering tot onttrekking aan het verkeer geen recht voor de belanghebbende zou zijn kennis te nemen van het inbeslaggenomen materiaal, anders dan (hooguit) tijdens de behandeling in raadkamer op grond van art. 309 Sv (waarbij de officier van justitie mogelijk heeft gedacht aan analoge toepassing van dat, voor de behandeling ter terechtzitting van een strafzaak gegeven, voorschrift op een behandeling in raadkamer, die met het oog op art. 23 lid 4 Sv overigens allerminst geboden lijkt te zijn), is derhalve onjuist.

10. Dit zal er niet aan in de weg behoeven te staan dat de officier van justitie die een vordering als bovenbedoeld doet, en de rechter die in raadkamer van zo een vordering kennisneemt, gepaste maatregelen nemen opdat het op de voorwerpen rustende beslag door belanghebbendes kennisneming daarvan onaangetast blijft totdat bij onherroepelijk gewijsde op de vordering zal zijn beslist.

Blijkens een aan het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer op 4 maart 1999 gehechte notitie heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de belangen van derden - de kinderen die in een sexuele context zijn afgebeeld - zich ertegen verzetten dat verzoeker zelf van het inbeslaggenomen materiaal kennis neemt. In beginsel zou ik niet willen uitsluiten dat in een procedure als de onderhavige kennisneming van de inbeslaggenomen voorwerpen door een of meer procespartijen wordt beperkt of - geheel of ten dele - uitgesloten omdat aannemelijk is dat de belangen van derden daardoor in onevenredige mate zouden worden geschonden. Praktisch gesproken laat zich die situatie evenwel zeer moeilijk denken, omdat niet licht valt in te zien hoe de belangen van derden in gevaar zouden kunnen komen indien de inhoud van inbeslaggenomen voorwerpen aan een zo beperkte kring van personen (de verweerders in de procedure), met een dergelijk beperkt doel (het voeren van verweer in die procedure) bekend wordt gemaakt. Bovendien zullen er wel heel zwaarwegende belangen aanwezig moeten zijn om de voor een doeltreffende verdediging geboden kennisneming van stukken te beletten of te beperken. Sluiting der deuren tijdens de behandeling in raadkamer zou dan een meer voor de hand liggende optie zijn.

11. In aanmerking genomen dat het hier gaat om een verzameling pornografie die, naar uit de stukken valt af te leiden, reeds ten minste enige tijd in het bezit van verzoeker is geweest, komt het argument van de officier van justitie dat de afgebeelde personen er op moeten kunnen vertrouwen dat verzoeker niet (wederom) van het materiaal waarop zij voorkomen kan kennisnemen niet bijster overtuigend voor.

Daarentegen kon de namens verzoeker betrokken stelling dat de verdediging al het inbeslaggenomen materiaal moest kunnen inzien teneinde een eigen standpunt te kunnen bepalen omtrent het kinderpornografisch karakter daarvan niet aanstonds onaannemelijk worden genoemd. In het algemeen zal degene, bij wie voorwerpen in beslag zijn genomen, geacht kunnen worden te weten om welke voorwerpen het gaat, en wat de aard ervan is. Die veronderstelling valt niet vol te houden indien het gaat om een zo grote hoeveelheid materiaal als hier aan de orde is.

12. Ook de door de verdediging betrokken stelling dat niet volstaan kon worden met inzage in het inbeslaggenomen materiaal door de raadsvrouwe, maar dat verzoeker zelf daartoe in staat moest worden gesteld omdat hij zou kunnen vaststellen dat afgebeelde personen - ten tijde van het vervaardigen van de afbeelding - reeds de leeftijd van 16 jaar hadden bereikt, kon niet aanstonds van de hand worden gewezen. Het is niet ondenkbaar dat verzoeker uit eigen wetenschap zou menen te kunnen verklaren dat een of meer afgebeelde personen reeds ouder dan 16 jaar waren op het moment waarop zij werden gefotografeerd of gefilmd. Daaraan doet niet af dat verzoekers verklaringen op dat punt, op grond van andere vaststellingen of waarnemingen, vervolgens als onaannemelijk van de hand gewezen had kunnen worden.

13. Begrijpelijk is dan ook het oordeel van de Rechtbank dat kennisneming van het inbeslaggenomen materiaal door verzoeker en zijn raadsvrouwe aan geen andere beperking diende te worden onderworpen dan de mogelijkheid dat de officier van justitie daarop toezicht zou houden, klaarblijkelijk als waarborg dat het beslag op de voorwerpen door de kennisneming niet teloor zou gaan. De tijdens de raadkamerbehandeling van 17 december 1998 door de Rechtbank gegeven aanwijzing dat, naast de raadsvrouwe, ook verzoeker in staat moest worden gesteld kennis te nemen van de inbeslaggenomen gegevensdragers heeft de officier van justitie bewust niet opgevolgd.

14. Terecht heeft de Rechtbank voorts overwogen dat het aan de officier van justitie te maken verwijt niet minder groot wordt door de omstandigheid dat tegen de haar onwelgevallige tussenbeslissing geen rechtsmiddel kon worden aangewend. Waar geen rechtsmiddel is opengesteld zou het met het gezag dat aan rechterlijke beslissingen dient te worden toegekend niet verenigbaar zijn dat daaraan geen gevolg wordt gegeven. Dat geldt niet alleen voor (niet-appelabele) uitspraken en beschikkingen, maar ook, en in nog sterkere mate, voor beslissingen die de rechter ter zitting neemt met het oog op een in zijn ogen juiste en doeltreffende behandeling. De wijze waarop die behandeling plaatsvindt komt immers rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de rechter, en die verantwoordelijkheid moet niet illusoir worden gemaakt door zijn beslissingen te negeren.

15. De Rechtbank heeft zich laten leiden door de gedachte dat het haar in deze raadkamerprocedure vrijstond, ook na te hebben vastgesteld dat zich een zodanig ernstige, aan het openbaar ministerie toe te rekenen, normschending heeft voorgedaan dat het openbaar ministerie deswege niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, desalniettemin nog te besluiten die sanctie, op grond van een waardering van belangen en praktische overwegingen, achterwege te laten.

16. Daartegen wordt met name in de onderdelen 6, 7 en 8 van de toelichting op het middel een rechtsklacht ontwikkeld. Gesteld wordt dat het met het rechtsstatelijk belang van een niet-ontvankelijk verklaring, dan wel met een eerlijk proces waarvan de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak deel uitmaakt, niet verenigbaar is dat die sanctie om proces-economische redenen uitblijft. Aldus zouden de niet-ontvankelijk verklaring en het 'fair trial' inflatoir worden.

Tot op zekere hoogte kan ik dat bezwaar wel delen. Een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie is de meest zwaarwegende sanctie op een normschending. Zij dient voorbehouden te blijven voor de gevallen waarin een norm is overtreden van zó fundamenteel belang dat het niet-naleven ervan door de justitiële autoriteiten nimmer kan worden getolereerd, of waarin op de belangen van degene die zich moet verweren een zodanige inbreuk is gemaakt dat die binnen de lopende procedure onmogelijk meer te herstellen of te compenseren valt. De niet-ontvankelijk verklaring moet berusten op een afweging van belangen, voorafgaand aan het oordeel of deze sanctie geboden is, maar haar karakter van een uiterste vorm van afkeuring lijkt niet goed verenigbaar met nog weer een nadere afweging van belangen teneinde die uitspraak te nuanceren of te relativeren.

17. Toch meen ik, evenals klaarblijkelijk de Rechtbank heeft gedaan, dat er aanleiding kan zijn de kwestie van een (afkeuring uitdrukkende) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in raadkamerprocedures als de onderhavige wat anders te bezien dan het geval zou zijn in een strafvervolging.

Indien die sanctie in een strafvervolging valt wordt daarmee uitgedrukt dat er een zó ernstig te nemen onrechtmatigheid is voorgevallen dat een veroordeling om die reden nimmer meer bereikt kan worden. Ter zake van de tenlastegelegde feiten wordt het vervolgingsrecht definitief (behoudens, uiteraard, een andersluidende beslissing in hoger beroep) aan het openbaar ministerie ontnomen.

Dat definitieve karakter kan deze sanctie in raadkamerprocedures niet hebben. Behoudens wettelijk voorziene termijnen kan een op een beschikking gerichte vordering van het openbaar ministerie die niet het beoogd effect krijgt in beginsel door een nieuwe vordering van dezelfde strekking worden gevolgd. Daarom getuigt het naar mijn inzicht niet zonder meer van een onjuiste rechtsopvatting indien de rechter in een procedure als de onderhavige, zelfs indien hij reeds het oordeel heeft bereikt dat er een zodanige onrechtmatigheid bij de behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden dat een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie op haar plaats zou zijn, mede in ogenschouw neemt welke situatie er zal ontstaan indien die beslissing inderdaad valt. Onder omstandigheden kunnen daarmee ook de belangen van degene die zich tegen de vordering moet worden gediend zijn, bijvoorbeeld doordat tijdverlies wordt voorkomen.

18. De in het eerste onderdeel van dit middel opgenomen rechtsklacht lijkt mij uiteindelijk niet terecht te zijn voorgesteld. Ik voeg daaraan toe dat, anders dan daarin (onderdeel 6 van de toelichting) wordt gesteld uit HR NJ 1999, 567 niet valt op te maken dat het openbaar ministerie in alle gevallen waarin het 'zich een bevoegdheid aanmeet die hem niet toekomt en aldus de verhouding tussen het openbaar ministerie en de rechter bij de behandeling van strafzaken miskent' deswege niet-ontvankelijk verklaard zal moeten worden. In die situatie zal de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie spoedig ter sprake komen, omdat (zoals in deze uitspraak is overwogen) een inbreuk op de taakverdeling tussen openbaar ministerie en rechter, of op de gehoudenheid van het openbaar ministerie rechterlijke uitspraken ten uitvoer te leggen, 'het wettelijk systeem in de kern raakt'. Of een niet-ontvankelijk verklaring in een dergelijk geval moet volgen blijft evenwel ter beoordeling van de rechter. Nog minder kan uit EHRM NJ 1998, 434 worden begrepen dat 'buiten kijf staat dat een rechterlijke beslissing door het openbaar ministerie op straffe van een niet-ontvankelijkverklaring dient te worden gerespecteerd' (onderdeel 8 van de toelichting op het middel), reeds omdat het EHRM zich uit de aard der zaak niet uitlaat over de gevolgen die een nationale rechter, binnen de grenzen van diens rechtsstelsel, zal hebben te verbinden aan een schending van in het EVRM gewaarborgde rechten.

19. Uit de toelichting op het middel onder 7 en 8 zou kunnen worden opgemaakt dat tegen de beslissing van de Rechtbank tevens een motiveringsklacht wordt opgeworpen.

Er wordt immers gesteld dat de Rechtbank zich heeft bediend van een speculatie, door in aanmerking te nemen dat een niet-ontvankelijk verklaring de officier van justitie niet zou beletten op een later tijdstip een nieuwe vordering te doen, ofschoon niet kon blijken dat 'een dergelijke standpuntbepaling door de officier van justitie is ingenomen'.

Dat bezwaar deel ik niet, zij het ook in dit opzicht na ampele overweging. Hetgeen de Rechtbank in dit opzicht overwoog geeft niet heel duidelijk inzicht in haar gedachtegang. Het is onaannemelijk dat de Rechtbank uit het oog heeft verloren dat zij, na de officier van justitie in de vordering niet-ontvankelijk verklaard te hebben, nog zou hebben te beslissen over het (gelijktijdig behandelde) klaagschrift van verzoeker. Het kan er, naar ik meen, voor gehouden worden dat de Rechtbank tot uitdrukking heeft willen brengen dat, voor zover naar aanleiding van dat klaagschrift een last tot teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen aan verzoeker zou zijn gevolgd, die zou hebben meegebracht dat verzoeker (wederom) in het bezit zou komen van een hoeveelheid afbeeldingen die naar het inzicht van de officier van justitie onder het bereik van art. 240b Sr vallen, opnieuw inbeslagneming zou plaatsvinden, gevolgd door een tweede vordering tot onttrekking aan het verkeer.

In aanmerking genomen dat de op 1 februari 1996 in werking getreden wetswijziging het voorhanden hebben van kinderpornografisch materiaal, anders dan voorheen, tot een strafbaar feit maakt ongeacht of er een achterliggend oogmerk van verdere verspreiding of openlijke tentoonstelling is, hetgeen als een nieuwe omstandigheid zou kunnen worden aangemerkt ten opzichte van het moment waarop de eerdere inbeslagneming plaatsvond, acht ik het niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank met zo een nieuwe (niet bij voorbaat onrechtmatig te achten) inbeslagneming rekening heeft gehouden. Voorts gelet op het in de onderhavige procedure door de officier van justitie ingenomen standpunt komt mij evenmin onjuist of onbegrijpelijk voor dat de Rechtbank er vanuit is gegaan dat de officier van justitie zich niet zou willen neerleggen bij teruggave van het in de vordering omschreven materiaal, en metterdaad (na niet-ontvankelijk te zijn verklaard) opnieuw de inbeslagneming zou hebben bevolen en een tweede vordering tot onttrekking aan het verkeer zou hebben gedaan.

20. Ook kan ik de Rechtbank volgen in haar overweging dat kinderpornografie reeds geruime tijd een maatschappelijk gevoelig onderwerp is. In deze context zullen die woorden aldus moeten worden verstaan dat de Rechtbank heeft meegewogen dat het ongecontroleerd bezit van kinderporno niet alleen in strijd is met de wet, maar daarenboven in brede kring wordt gezien als een ernstige misstand, zodat het dringend aangewezen is dat de rechter, indien hem wordt gevraagd als kinderpornografie aan te merken voorwerpen aan het verkeer te onttrekken, inderdaad tot een eindoordeel komt. Aldus opgevat komt mij deze overweging alleszins juist en ter zake voor.

Op zichzelf beschouwd acht ik voorts begrijpelijk dat de Rechtbank heeft meegewogen dat reeds geruime tijd was verstreken sinds het moment van inbeslagneming, waarin besloten ligt dat het van belang is, zo enigszins mogelijk, nog verder tijdsverloop alvorens een eindoordeel kan worden bereikt te vermijden, hetgeen - uiteraard - verband houdt met de door de Rechtbank voorziene omstandigheid dat de officier van justitie zich niet zou neerleggen bij teruggave van het kinderpornografisch materiaal aan verzoeker.

21. De overweging dat de Rechtbank - in verband met het door verzoeker ingediende klaagschrift - kennis had genomen van het in de vordering bedoelde materiaal, en het mede daarom mogelijk en aangewezen achtte tot een inhoudelijk oordeel omtrent de vordering te komen, acht ik daarentegen niet begrijpelijk.

Het aan de officier van justitie gemaakte verwijt betreft niet het bemoeilijken van de oordeelsvorming bij de Rechtbank, maar (zoals in de beschikking naar aanleiding van de vordering tot onttrekking aan het verkeer ook is vastgesteld) een schending van verzoekers te respecteren verdedigingsrechten, gevoegd bij - maar niet los te zien van - het bewust negeren van een door de Rechtbank gegeven opdracht. De omstandigheid dat de Rechtbank zich wèl een goed inzicht in de aard van het inbeslaggenomen materiaal heeft kunnen vormen kan aan die schending, en dus ook aan dat verwijt, niet afdoen. Dat lijkt de Rechtbank uit het oog te hebben verloren.

22. In dit opzicht meen ik dat de in dit middelonderdeel bestreden beslissing een motiveringsgebrek vertoont die de begrijpelijkheid ervan aantast. Ik meen daar niet aan voorbij te kunnen gaan omdat uit de processen-verbaal van behandeling in raadkamer en bij de stukken gevoegde correspondentie blijkt dat namens verzoeker is aangevoerd dat tegen de vordering geen behoorlijk verweer kon worden gevoerd omdat verzoeker niet bekend was met de aard van de inbeslaggenomen voorwerpen. Voor de goede orde wijs ik er op dat de onderhavige zaken in zoverre een verschil vertonen met de bovengenoemde zaken met de griffienummers van de Hoge Raad 02157/99 Besch. en 02156/00 Besch., waarin door de verdediging was gesteld dat de klager/belanghebbende op de hoogte was van hetgeen in beslag was genomen.

23. Hier komt ook de klacht in zicht die is opgenomen in het tweede onderdeel van het eerste middel met betrekking tot de beschikking tot onttrekking aan het verkeer en in het enige middel betreffende de beschikking op het klaagschrift.

Dat is de klacht dat de Rechtbank ten onrechte heeft onderzocht in hoeverre de in de vordering bedoelde voorwerpen inderdaad kinderpornografie vormden en op basis van dat onderzoek tot een beslissing is gekomen. Blijkens de toelichting wordt in dit middelonderdeel gedoeld op de omstandigheid dat de Rechtbank de in de vordering bedoelde voorwerpen aan de hand van een inhoudelijk criterium heeft onderzocht, ofschoon de verdediging zich over de inhoud van dat materiaal niet had kunnen uitlaten

Hierbij kan tegelijkertijd het tweede middel met betrekking tot de beschikking tot onttrekking aan het verkeer in aanmerking worden genomen (overigens is de toelichting daarop ten dele ook opgenomen bij het middel dat tegen de andere beschikking is voorgesteld). Daarin wordt in wezen dezelfde klacht weer naar voren gebracht, maar dan toegespitst op de omstandigheid dat de Rechtbank eerst na de (laatste) behandeling in raadkamer het inbeslaggenomen materiaal heeft onderzocht, en heeft nagelaten, alvorens tot een beslissing te komen, de verdediging van haar bevindingen op de hoogte te brengen en de gelegenheid te geven dienaangaande een standpunt kenbaar te maken.

24. Mèt de steller van het middel meen ik dat de Rechtbank niet op die wijze op de vordering had mogen beslissen.

Ik wil mij overigens nadrukkelijk distantiëren van een deel van hetgeen in de schrifturen ter onderbouwing van deze klacht naar voren is gebracht. Dat betreft de opmerking dat de Rechtbank heeft gehandeld in strijd met 'de geest van art. 11 lid 3 en 24 RO', en in verband met de behandeling van de vordering contact met het openbaar ministerie heeft onderhouden op een ongeoorloofde wijze die 'in de volksmond al gauw een onderonsje wordt genoemd'. Het komt mij voor dat deze bepalingen uit de Wet op de Rechterlijke Organisatie, achtereenvolgens een ontslaggrond ten aanzien van rechterlijk ambtenaren en een tot hen gericht algemeen gedragsvoorschrift, in deze context uit hun verband zijn gerukt, en dat de verwijzing daarnaar nietszeggend is. Het verwijt dat de Rechtbank ongeoorloofd contact met het openbaar ministerie heeft onderhouden door zich in het bezit van het inbeslaggenomen materiaal te laten stellen lijkt mij geheel ongegrond. Een rechter mag zich tot een procespartij wenden met het verzoek alsnog (ontbrekende) stukken te produceren die tot het dossier moeten behoren. Overigens merk ik op dat de raadsvrouwe blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal in raadkamer van 4 juni 1998 heeft gezegd; "Er staat hier nu een immense stapel dozen; het kost dagen om dat materiaal allemaal door te nemen". Die opmerking laat zich bezwaarlijk anders verstaan dan dat de raadsvrouwe die dozen met inbeslaggenomen materiaal in de zittingszaal aanwezig vond, zodat dit materiaal - ook toen al - als onderdeel van het dossier ter beschikking van de Rechtbank stond.

In zoverre heb ik de indruk dat hier jegens de Rechtbank harde woorden zijn gebruikt zonder dat daarvoor een redelijke grond te vinden is.

25. Dat neemt niet weg dat een rechter onder alle omstandigheden zal dienen te vermijden dat hij in verband met een aan zijn oordeel onderworpen zaak kennisneemt van feitenmateriaal dat niet aan de andere partij in het geding bekend is, en waaromtrent die andere partij zich niet heeft kunnen uitlaten. Dat is in dit geval wèl gebeurd. Aangenomen moet worden dat het openbaar ministerie met de in de vordering bedoelde stukken bekend was. Het heeft ten slotte het standpunt betrokken dat het om kinderporno ging. De raadsvrouwe heeft in raadkamer van 4 maart 1999 herhaald dat de verdediging de inbeslaggenomen stukken niet heeft kunnen inzien, waaruit voortvloeit dat de verdediging zich niet in staat achtte te beoordelen of, en zo nodig te betwisten dat, het inbeslaggenomen materiaal kinderporno bevatte. De Rechtbank heeft van het inbeslaggenomen materiaal kennis genomen op 9 en 10 juni 1999. Nadien is de zaak niet meer in raadkamer behandeld. De Rechtbank heeft haar bevindingen derhalve niet aan verzoeker en zijn raadsvrouwe voorgelegd, en hen niet in staat gesteld zich daarover uit te laten.

26. Ik acht het alleszins begrijpelijk dat de Rechtbank heeft gezocht naar een mogelijkheid om te voorkomen dat miskenning van de verdedigingsrechten door de officier van justitie, en het negeren van de aanwijzing die de Rechtbank hem met het oog daarop gaf, het uitermate onwenselijke resultaat zou moeten hebben dat een beslissing omtrent (vernietiging van) het mogelijk kinderpornografisch materiaal niet bereikt zou kunnen worden. Bestrijding van kinderporno is een ernstig te nemen zaak. Indien in verband met een onderzoek naar in art. 240b Sr strafbaar gestelde gedragingen kinderpornografisch materiaal in beslag is genomen is het dringend aangewezen dat onttrekking aan het verkeer daarvan - indien aan de voorwaarden is voldaan - spoedig kan worden geëffectueerd. Begrijpelijk is dan ook dat de Rechtbank in aanmerking heeft genomen dat reeds geruime tijd was verstreken sinds de inbeslagneming van het materiaal.

27. Evenwel komt de wijze waarop de vordering tot onttrekking aan het verkeer en het klaagschrift van verzoeker zijn behandeld er op neer dat voorbij is gegaan aan het namens verzoeker betrokken standpunt dat deze onkundig was van wat er precies in beslag was genomen, en de verdediging dus niet uit eigen wetenschap kon beoordelen in hoeverre aan het wettelijk criterium voor onttrekking aan het verkeer, dan wel ongegrond verklaring van het klaagschrift, was voldaan. Dat standpunt kon, gelet op de kennelijk zeer grote hoeveelheid inbeslaggenomen materiaal, niet aanstonds onaannemelijk genoemd worden.

Van een dergelijke wijze van behandeling van een vordering tot onttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen, respectievelijk een klaagschrift strekkende tot teruggave van die voorwerpen, waarbij een beslissing is bereikt zonder dat de belanghebbende als verweerder, respectievelijk klager, in staat is geweest behoorlijk van de voorwerpen kennis te nemen teneinde zich te kunnen verweren ten aanzien van de vraag of het ongecontroleerd bezit van die voorwerpen in strijd met de wet of het algemeen belang kan zijn, dan wel of het belang van de strafvordering aan teruggave in de weg kan staan, en waarbij de rechter bovendien zijn oordeel mede heeft doen berusten op resultaten van een door hemzelf ingesteld onderzoek waarvan de resultaten niet ter zitting, in bijzijn (of althans na oproeping) van de belanghebbende aan de orde zijn gesteld, zodat hij zich daaromtrent niet heeft kunnen uitlaten, kan niet gezegd worden dat voldaan is aan de vereisten van een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, als gewaarborgd in art. 6 lid 1 EVRM.

28. De middelen zijn terecht voorgesteld. Een nieuwe feitelijke behandeling zal aangewezen zijn.

29. Deze conclusie strekt ertoe dat:

- de officier van justitie in beide zaken niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn cassatieberoep;

- de bestreden beschikkingen zullen worden vernietigd, met terugwijzing van de zaken naar de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, teneinde na nieuwe behandeling op de vordering tot onttrekking aan het verkeer en op het klaagschrift te doen beslissen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,