Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9347

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
02-04-2002
Zaaknummer
R01/064HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9347
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 188
JWB 2002/121
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnummer R 01/064 HR

Mr. Bakels

Parket, 4 januari 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

t e g e n

[De man]

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze alimentatiezaak om de klachten (a) dat de vrouw in het door de man ingestelde incidenteel beroep geen eerlijk proces heeft gehad en (b) dat het hof zowel ten aanzien van de voor de vrouw als voor de minderjarige zoon van partijen verschuldigde alimentatie, een onbegrijpelijk gemotiveerde beslissing heeft gegeven.

1.2 In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende.

(a) Partijen zijn op 24 januari 1986 te Rotterdam in koude uitsluiting met elkaar getrouwd.

(b) Uit hun huwelijk is op 10 juli 1986 de thans nog minderjarige [zoon] geboren.

(c) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 1995 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 22 september 1995 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

(d) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 3 maart 1997 is, met wijziging van een eerdere beschikking van die rechtbank, bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van f 2 500,- per maand aan alimentatie dient te voldoen zolang [de zoon] bij de man verblijft en door hem wordt verzorgd en opgevoed en van f 2 300,- per maand indien en zodra [de zoon] bij de vrouw verblijft en door haar wordt verzorgd en opgevoed.

(e) [De zoon] woonde tot en met 22 november 1999 bij de man en woont sindsdien bij de vrouw.

1.3 Tegen deze achtergrond heeft de vrouw de onderhavige procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Rotterdam. Zij verzocht, kort gezegd, dat de beschikking van 3 maart 1997 in die zin zal worden gewijzigd dat de man wordt veroordeeld aan haar een alimentatie van f 6 100,- per maand te voldoen met terugwerkende kracht tot 3 maart 1997. Voorts verzocht zij om de voor de verzorging en opvoeding van [de zoon] verschuldigde alimentatie vast te stellen op f 750,- per maand met ingang van 1 november 1999. De man voerde verweer en verzocht van zijn kant dat de beschikking van 3 maart 1997 in die zin zal worden gewijzigd dat de door hem aan de vrouw verschuldigde alimentatie wordt bepaald op nihil met ingang van 1 januari 1999.

1.4 Na mondelinge behandeling van de zaak heeft de rechtbank bij twee afzonderlijk uitgesproken beschikkingen van 11 augustus 2000, kort gezegd, de tussen partijen op 3 maart 1997 gewezen beschikking in die zin gewijzigd dat de man aan de vrouw een alimentatie dient te voldoen van f 800,- per maand met ingang van de datum van de uitspraak en voorts bepaald dat de man met ingang van 1 november 1999 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de zoon] een bedrag zal voldoen van f 500,- per maand. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.

1.5 Tegen deze beschikkingen heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. Zij verzocht, kort gezegd vernietiging van de beide beschikkingen van de rechtbank en voorts dat het hof, opnieuw rechtdoende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van 3 maart 1997zou stellen op f 5 500,- per maand en voor [de zoon] met ingang van 1 december 1999 op f 750,- per maand.

De man voerde verweer en stelde tevens incidenteel beroep in. In het principaal beroep concludeerde hij tot verwerping en in het incidenteel beroep verzocht hij dat de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 januari 1999 op nihil zal worden gesteld.

1.6 De zaak is door het hof mondeling behandeld, waarna zij is aangehouden om de vrouw in de gelegenheid te stellen de door het hof ter zitting genoemde stukken over te leggen, waarop de man mocht reageren. De raadsman van de vrouw heeft vervolgens bij brief van 2 februari 2001 een reeks stukken aan het hof en aan de wederpartij doen toekomen, waarop de raadsvrouw van de man bij brief van 9 februari 2001 heeft gereageerd.

1.7 Bij beschikking van 28 maart 2001 heeft het hof beide bestreden beschikkingen vernietigd. Opnieuw rechtdoende heeft het de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van de datum van de uitspraak gesteld op nihil en de voor [de zoon] te betalen alimentatie met ingang van diezelfde datum op f 700,- per maand. Het meer of anders verzochte werd afgewezen.(1)

1.8 De vrouw is tegen deze beschikking tijdig in cassatie gekomen.(2) Zij stelde drie middelen tot cassatie voor, die alle in een groot aantal onderdelen uiteenvallen. De man is in cassatie niet verschenen.

2. Bespreking van de middelen

2.1 Met de gemeenschappelijk te bespreken onderdelen van middel I stelt de vrouw dat zij in het door de man ingestelde incidenteel beroep door toedoen van het hof geen eerlijk proces heeft gekregen. Kort gezegd voerde zij daartoe aan dat het door de man ter griffie van het hof ingediende verweerschrift in het principaal beroep, tevens houdende incidenteel appèl, door het hof op 28 december 2000 is doorgezonden naar de procureur van de vrouw, door wie het pas op 11 januari 2001 is ontvangen. Omdat de mondelinge behandeling van de zaak op 12 januari 2001 was bepaald, is de vrouw niet in de gelegenheid geweest tijdig van het verweerschrift kennis te nemen en/of in het incidenteel beroep een verweerschrift in te dienen.

2.2 Het middel mist feitelijke grondslag wat betreft de gestelde reden waarom de vrouw geen verweerschrift in het incidenteel beroep heeft ingediend. Uit het proces-verbaal van mondelinge behandeling(3) valt immers af te leiden dat het hof de zitting is begonnen met te informeren naar de processuele gang van zaken in het incidenteel beroep. Het proces-verbaal vermeldt als verklaring van de procureur van de vrouw:

"Incidenteel verweer heb ik niet ingediend in verband met mijn vakantie die duurde tot 8 januari 2001."

2.3 Weliswaar blijkt zowel uit het middel als uit de inventarislijst, die is gevoegd bij het door de vrouw overgelegde procesdossier, dat dit proces-verbaal niet voorhanden was ten tijde van het opstellen van het middel, maar in het door de griffie van de Hoge Raad aangelegde procesdossier bevindt zich een brief van de cassatie-advocaat van de vrouw van 23 juli 2001, die als volgt luidt:

"Hierbij zend ik U (...) het proces-verbaal van de hofzitting; de inhoud daarvan noopt mij tot een aanvullend verzoekschrift, echter om tijdsredenen moet ik daarvan thans noodgedwongen afzien."

Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding de vrouw uit te nodigen alsnog haar zienswijze te geven op het gestelde in dit proces-verbaal. Voorts brengt het feit dat het proces-verbaal van mondelinge behandeling blijkbaar pas in een onwenselijk laat stadium is opgesteld, althans ter beschikking van de advocaat van de vrouw is gekomen, niet mee dat de vrouw geen eerlijk proces heeft gekregen.

2.4 Om de volgende, in samenhang te beoordelen, redenen is m.i. het recht van de vrouw op een eerlijk proces ook overigens niet geschonden.

(a) Met zijn incidenteel beroep betrok de man in de kern dezelfde processuele positie als hij ook in eerste aanleg had verdedigd.

(b) In de pleitnota waarvan de advocaat van de vrouw zich op 12 januari 2001 heeft bediend, is op blz. 7-9 zonder enig voorbehoud verweer gevoerd in het incidenteel appèl.

(c) Het hof heeft, nog steeds blijkens het proces-verbaal van mondelinge behandeling(4), nadat de raadslieden van beide partijen het woord hadden gevoerd,

"(...) de behandeling voor overleg in raadkamer (geschorst), waarna de behandeling wordt voortgezet. De voorzitter deelt de partijen mee dat het hof behoefte heeft aan aanvullende informatie, gelet op het late tijdstip dat verweer op het incidentele hoger beroep is gevoerd."

Op die grond heeft het hof vervolgens beslist

"(...) dat de vrouw de gelegenheid krijgt te bewijzen van welke gelden zij in de periodes van 1995 tot 1999 en van 2000 tot heden heeft geleefd, bijvoorbeeld door overlegging van betalingsbewijzen en overboekingen."

Daartoe heeft het, zoals reeds opgemerkt onder 1.6 van deze conclusie, de vrouw in de gelegenheid gesteld bewijsstukken aan het hof toe te zenden, waarop de man mocht reageren, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt.

2.5 In dit licht kan niet worden volgehouden dat de vrouw onvoldoende gelegenheid heeft gehad zich naar behoren te verdedigen tegen het incidenteel beroep van de man. Het middel faalt.

2.6 Middel II is gericht tegen 's hofs beslissing over de nihilstelling van de door de man aan de vrouw verschuldigde alimentatie.

2.7 's Hofs beslissing is gebaseerd op twee zelfstandige gronden. Ten eerste ("Enerzijds") heeft de vrouw niet aannemelijk gemaakt dat zij niet over inkomsten beschikt waarmee zij in de door haar gestelde behoefte kan voorzien:

"In haar na de mondelinge behandeling bij het hof ingekomen brief van 2 februari 2001 waarin zij berekent dat zij van het door haar genoten inkomen in haar levensonderhoud heeft voorzien, stelt zij dat zij vanaf 1995 tot heden gemiddeld f 1 000, - per maand heeft uitgegeven aan kosten voor eten, drinken, kleding, telefoon, auto en ziektekostenverzekering. Een dergelijk bedrag komt het hof niet reëel voor. De vrouw stelt immers in haar beroepschrift al autokosten van f 700,- per maand. Voor de overige posten zou dan nog slechts f 300,- per maand resteren. Van een dergelijk bedrag kunnen naar het oordeel van het hof niet de door de vrouw opgevoerde kosten van eten, drinken, kleding, telefoon en ziektekostenverzekering worden voldaan. Het hof gaat er derhalve van uit dat zij meer kosten heeft gehad dan zij stelt en dat het meerdere is voldaan uit inkomstenbronnen die de vrouw niet bekend heeft gemaakt. Het hof heeft de vrouw in de gelegenheid gesteld bewijsstukken over te leggen met betrekking tot haar inkomsten in de jaren april 1996 tot heden. De vrouw heeft haar stelling dat zij ruime financiële giften kreeg van haar familie niet of nauwelijks onderbouwd. Dat de Gemeentelijke Sociale Dienst haar een bijstandsuitkering heeft toegekend doet aan het voorgaande niet af, omdat de gemeente slechts beperkt onderzoek instelt voordat een bijstandsuitkering wordt toegekend."

Ten tweede ("Anderzijds") moet de vrouw in staat worden geacht zelf in haar levensonderhoud te voorzien. Zij heeft

"(...) niet aannemelijk gemaakt dat zij, gelet op haar achtergrond en de door haar in het verleden gerealiseerde arbeidsinkomsten, niet in staat is door middel van arbeid in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. In 1999 heeft zij een betrekking als fondsenwerver weten te verwerven in welke functie zij een redelijk salaris ontving. De vrouw heeft een behoorlijke opleiding genoten en heeft diverse goedbetaalde functies uitgeoefend. Een aannemelijke reden voor haar huidige werkloosheid geeft de vrouw niet."

2.8 De hiertegen gerichte onderdelen 4.1-4.6 bevatten slechts een inleiding. De onderdelen 4.8 en 4.9 zijn gericht tegen de eerste grondslag voor 's hofs beslissing en onderdeel 4.10 tegen de tweede, terwijl de onderdelen 4.7 en 4.11 deze beide grondslagen betreffen.

2.9 De onderdelen 4.8 en 4.9 stellen, als ik ze goed begrijp, dat de vrouw zowel in eerste aanleg als in hoger beroep uitvoerig haar lasten heeft opgesomd en haar behoefte aan ondersteuning heeft berekend. Bovendien heeft de gemeente Rotterdam bij beschikking van 9 oktober 2000 aan de vrouw met terugwerkende kracht een ABW-uitkering toegekend. Het door het hof aan de vrouw gemaakte verwijt dat zij kennelijk inkomstenbronnen heeft verzwegen is onbegrijpelijk omdat de vrouw tot in 1999 inkomsten heeft gehad die zij aan de man bekend heeft gemaakt, welke situatie zich in 2000 niet voordeed.

2.10 Voorzover de onderdelen betrekking hebben op de aan de vrouw toegekende ABW-uitkering, kunnen ze reeds niet tot succes leiden omdat daarmee geen specifieke en onderbouwde klacht wordt geformuleerd tegen de desbetreffende overweging van het hof, die mij overigens geheel juist voorkomt.

Voor het overige gaan de klachten langs 's hofs beslissing heen. Het feit dat de vrouw (uitvoerig) haar lasten heeft opgesomd, haar behoefte heeft berekend en melding heeft gemaakt van haar werkzaamheden als fondsenwerver voor [A], doet immers niet af aan 's hofs gemotiveerde oordeel dat zij nog méér inkomsten moet hebben gehad, die zij voor de man heeft verzwegen.(5)

Dit - feitelijke en niet onbegrijpelijke - oordeel wordt door de onderdelen niet bestreden. Daarom kunnen deze onderdelen niet tot vernietiging leiden, hetgeen tevens betekent dat het belang bij de behandeling van onderdeel 4.10 vervalt.

2.11 Overigens kan dit onderdeel evenmin doel treffen. Daarin wordt kort gezegd naar voren gebracht dat uit de toekenning van de ABW-uitkering aan de vrouw, haar behoefte al blijkt, waarbij komt dat in 's hofs overwegingen besloten ligt dat de vrouw in beginsel tot een onderhoudsbijdrage gerechtigd is.

Het eerste argument loopt echter stuk op 's hofs eerder aangehaalde, op zichzelf niet bestreden, overweging dat de gemeente slechts in beperkte mate een onderzoek instelt voordat een bijstandsuitkering wordt toegekend.

Het tweede argument mist feitelijke grondslag omdat uit 's hofs beschikking onmiskenbaar blijkt dat naar zijn mening in de gegeven omstandigheden van de vrouw kan worden verlangd dat zij door betaalde arbeid in haar eigen onderhoud voorziet, zodat zij juist niet tot een onderhoudsbijdrage gerechtigd is. Dit klemt temeer omdat uit door de rechtbank op 11 augustus 2000 gewezen beschikking(6) blijkt dat die rechtbank reeds op 14 november 1995 heeft overwogen

"dat de vrouw in staat moet worden geacht zich (op termijn) een plaats op de arbeidsmarkt te verwerven";

dat de rechtbank in haar beschikking van 3 maart 1997 heeft overwogen

"dat de vrouw in principe gehouden is voldoende pogingen in het werk te stellen om in ieder geval aan de slag te komen, wellicht in een functie, welke beneden haar capaciteiten ligt"

en dat de rechtbank in de beschikking van 11 augustus 2000 heeft overwogen

"dat de vrouw haar mogelijkheden aanmerkelijk kan uitbreiden en de bandbreedte van haar sollicitaties ook dient uit te breiden (...), ook naar functies welke wellicht beneden haar opleidingsniveau liggen, zodat zij eerst en vooral meer uitgebreide werkervaring opdoet. Indien de vrouw ervoor blijft kiezen deze weg niet te bewandelen, kunnen de gevolgen ervan niet op de man afgewenteld blijven worden (...)."

De kruik gaat net zolang te water totdat zij barst en dat moment was naar het kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel van het hof thans gekomen.

2.12 Met onderdeel 4.7 wijst de vrouw erop dat de man heeft verzocht de alimentatie voor haar op nihil te stellen met ingang van 1 januari 1999 of een latere datum. Voorzover het gestelde in de brief van de man van 9 februari 2001 (mede) op de periode voordien ziet, was dit een nieuwe grief die het hof buiten beschouwing moest laten.

2.13 Voor het geval het onderdeel ertoe strekt dat het hof dit laatste niet heeft gedaan, faalt de klacht reeds bij gebrek aan belang omdat het hof de ingangsdatum van de nihilstelling van de alimentatie heeft bepaald op de datum van de uitspraak van zijn beschikking, terwijl in de daaraan ten grondslag liggende motivering de periode van vóór 1 januari 1999 geen enkele rol speelt. Overigens brengt de enkele omstandigheid dat de advocaat van de man aan het slot van zijn genoemde brief mede enige aandacht heeft besteed aan de periode sinds april 1996, nog niet mee dat daarin een nieuwe grief ligt opgesloten. De bestreden beschikking bevat voorts geen schijn of schaduw van een begin van een aanwijzing dat het hof in die brief een nieuwe grief heeft gelezen.

2.14 Onderdeel 4.11 heeft geen zelfstandige betekenis en kan dus buiten beschouwing blijven.

2.15 Middel III is gericht tegen de door het hof gegeven beslissing over de alimentatie voor [de zoon]. Onderdeel 5.1 bevat slechts een inleiding. Onderdeel 5.2 bouwt voort op middel II en moet dus in het lot daarvan delen. Onderdeel 5.3 mist feitelijke grondslag omdat de omstandigheid dat naar 's hofs oordeel de draagkracht van de man een kinderalimentatie van f 700,- toelaat, niet impliceert dat deze draagkracht ook een alimentatie van f 750,- per maand toelaat.

3. Conclusie

Deze strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Merkwaardigerwijs bevat het dictum van 's hofs beschikking geen uitsplitsing van de beslissingen in het principaal en het incidenteel beroep. Maar in zijn geheel gelezen laat de beschikking redelijkerwijs geen andere uitleg toe dan dat het hof het principaal beroep heeft verworpen ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, maar dit gegrond heeft geacht ten aanzien van de omvang van de alimentatie voor [de zoon]. Het incidenteel beroep was naar het klaarblijkelijk oordeel van het hof terecht voorgedragen.

2 Het cassatierekest dateert van 28 mei 2001.

3 Processtuk 17.

4 Blz. 6.

5 Dit oordeel klemt overigens temeer gelet op het volgende citaat uit blz. 2 van het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep:

"procureur vrouw:

U zegt mij dat de vrouw f 40 000,- salaris heeft ontvangen voor een tijdelijk betrekking waarin zij 19 uur per week werkte, dat een dergelijk inkomen - gelet op het huidige inkomen van de vrouw - geen marginaal inkomen genoemd kan worden en dat de vrouw die inkomsten niet heeft gemeld aan de man.

De vrouw heeft die inkomsten niet willen melden, omdat zij wilde voorkomen dat er opnieuw geprocedeerd zou worden. Het inleidend verzoek heb ik zelf niet opgesteld. Zelf zou ik het inkomen van de vrouw wel in het inleidende verzoek hebben genoemd."

6 Alle citaten op blz. 4 van die beschikking.