Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD9144

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2002
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
R01/100HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD9144
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 63
Faillissementswet 296
Faillissementswet 297
Faillissementswet 285
Faillissementswet 327
Faillissementswet 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 92
NJ 2002, 259 met annotatie van B. Wessels
RvdW 2002, 41
JWB 2002/73
JOR 2002/91
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. 01/100HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 21 dec. 2001

conclusie inzake

1. [Verzoeker 1]

2. [Verzoekster 2]

Edelhoogachtbaar College,

1. Ten aanzien van verzoekers van cassatie, hierna: [verzoeker 1] en [verzoekster 2], die in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd zijn gehuwd, heeft de Rechtbank te Almelo bij vonnissen van 24 februari 1999 de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis van 28 april 1999 heeft de Rechtbank het verzoek tot definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 27 mei 1999 dit vonnis evenwel vernietigd en, opnieuw recht doende, alsnog de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

2. Bij vonnissen van 3 juli 2001 heeft genoemde Rechtbank op voordracht van de rechter-commissaris de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker 1] en [verzoekster 2] beëindigd op de gronden bedoeld in art. 350 lid 3 onder c en e Fw (het niet naar behoren nakomen van uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen resp. het trachten de schuldeisers te benadelen).

3. In hoger beroep heeft het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 2 augustus 2001 de vonnissen van de Rechtbank bekrachtigd. Wat de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker 1] betreft, overwoog het Hof onder meer (r.o. 3.3.):

"[Verzoeker 1] heeft van september 2000 tot november 2000 onbetaalde arbeid verricht bij de firma [A] en van januari 2001 tot maart 2001 bij de firma [B]. [Verzoeker 1] heeft daarvan de bewindvoerder niet op de hoogte gesteld. Ook heeft [verzoeker 1] de bewindvoerder niet geïnformeerd over de onkostenvergoeding die hij ontving.

[Verzoeker 1] had de bewindvoerder moeten inlichten over de onbetaalde arbeid. Het Hof verwerpt de stelling van [verzoeker 1] dat de bewindvoerder alleen geïnformeerd dient te worden als er sprake is van betaalde arbeid en een arbeidscontract. Immers als [verzoeker 1] in staat is om onbetaalde arbeid te verrichten dan dient hij in het belang van de crediteuren ervoor te kiezen om betaalde arbeid te verrichten. [Verzoeker 1] had aan de bewindvoerder moeten melden dat hij onbetaalde arbeid zou gaan verrichten en [verzoeker 1] had met de bewindvoerder moeten overleggen of deze daartoe toestemming gaf in het geval dat [verzoeker 1] (nog) geen betaald werk zou kunnen krijgen. Ook is [verzoeker 1] nalatig geweest in de informatieplicht met betrekking tot de onkostenvergoeding. [Verzoeker 1] had ook dit moeten melden aan de bewindvoerder. Ten aanzien van [verzoeker 1] is de schuldsaneringsregeling dan ook terecht beëindigd."

Wat de beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster 2] betreft, overwoog het Hof onder meer (r.o. 3.3):

"Ook [verzoekster 2] is tekortgeschoten in haar informatieverplichting. Zij was op de hoogte van de onbetaalde arbeid van [verzoeker 1] en van de onkostenvergoeding die hij daarvoor ontving en ook zij had de bewindvoerder daarover moeten informeren. Bovendien geldt dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, waardoor het faillissement van [verzoeker 1] automatisch leidt tot het faillissement van de gemeenschap van goederen (artikel 63 Faillissementswet). Derhalve is ook ten aanzien van [verzoekster 2] terecht de schuldsaneringsregeling beëindigd, (...)."

4. [Verzoeker 1] en [verzoekster 2] zijn tegen het arrest van het Hof (tijdig; zie art. 351 jo. 342 lid 3 Fw) in cassatie gekomen met een uit vier onderdelen opgebouwd middel.

5. Onderdeel 1 van het middel komt op tegen het oordeel van het Hof dat het niet verstrekken van algemene informatie door de schuldenaar die is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, een grond oplevert voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, Fw. Het middel verdedigt de opvatting dat onder een schending van de verplichtingen voortvloeiend uit de toepasselijkheid van de schuldsaneringsregeling slechts moeten worden verstaan schending van die verplichtingen die - rechtstreeks - voortvloeien uit art. 296 lid 1 en 2 en art. 297 lid 2 Fw, alsmede schending van de verplichtingen die - rechtstreeks - voortvloeien uit het aangenomen saneringsplan (subonderdeel 1.a) en dat op de schuldenaar in de schuldsaneringsregeling (dus) geen algemene informatieplicht rust (subonderdeel 1.b), althans geen plicht om eigener beweging niet gevraagde inlichtingen te verstrekken (subonderdeel 1.c).

6. In art. 350 lid 3 Fw zijn de gronden waarop de Rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling kan beëindigen, uit oogpunt van rechtszekerheid, limitatief vermeld. De gronden die zijn opgenomen onder c, d en e kunnen worden beschouwd als stok achter de deur voor de schuldenaar, nu beëindiging op een van deze gronden van rechtswege het faillissement van de schuldenaar tot gevolg heeft (art. 350 lid 5 Fw). Vgl. Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 64.

7. Wat de onder c opgenomen beëindigingsgrond ("de schuldenaar komt een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren na") precies inhoudt, wordt in de memorie van toelichting op art. 350 Fw niet aangegeven. Aangenomen moet worden dat de grond betrekking heeft op verplichtingen die voor de schuldenaar rechtstreeks uit de wet voortvloeien, zoals de verplichtingen bedoeld in art. 296 en 297 Fw, als ook op verplichtingen die uit het saneringsplan voortvloeien. Vgl. Polak-Wessels, IX, par. 9371. Blijkens HR 19 januari 2001, NJ 2001, 232 valt onder de eerstbedoelde categorie verplichtingen ook de verplichting van de schuldenaar om de gegevens te verstrekken als bedoeld in art. 285 lid 2 Fw en, op grond van art. 327 jo. 105 Fw, om alle inlichtingen te verschaffen die door de bewindvoerder of de rechter-commissaris worden gevraagd. In hoeverre bij de laatstbedoelde informatieplicht het initiatief tot het verschaffen van inlichtingen bij de schuldenaar kan komen te lichten, is afhankelijk van de aard van de aan de schuldenaar gestelde vragen. Vgl. de conclusie van A-G Langemeijer onder 2.13 voor genoemd arrest van de Hoge Raad. In het algemeen is beslissend of de schuldenaar op grond van de aan hem gestelde vragen of op grond van de door de bewindvoerder of rechter-commissaris aan hem verstrekte aanwijzingen wist of behoorde te weten dat van hem verlangd werd - ook zonder dat daarom nog uitdrukkelijk is gevraagd - bepaalde inlichtingen te verstrekken.

8. Naast de specifieke inlichtingenplicht ex art. 327 jo. 105 Fw is er, dunkt mij, ook een meer algemene op de schuldenaar rustende inlichtingenplicht die voortvloeit uit de doelstelling van de WSNP. Deze doelstelling komt erop neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn terechtgekomen de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te kunnen gaan. Daar moet echter tegenoverstaan dat van de schuldenaar een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning moeten worden gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers. Zie Kamerstukken II 1992/93, 22 969, nr. 3, blz. 6. Van de schuldenaar mag, anders gezegd, actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling gevergd worden. Tegen deze achtergrond moeten de beëindigingsgronden van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, d en e, Fw m.i. begrepen worden: zij hebben betrekking op gedrag van de schuldenaar dat een duidelijke aanwijzing vormt dat de vereiste medewerking om de schulsaneringsregeling tot een goed einde te brengen bij de schuldenaar ontbreekt. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan sprake zijn indien de schuldenaar nalaat aan de bewindvoerder juiste, actuele en volledige informatie te verschaffen over gegevens waarvan hij weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling.

9. Of het niet verstrekken van inlichtingen aan de bewindvoerder aangemerkt kan worden als het niet naar behoren nakomen door de schuldenaar van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen in de zin van art. 350 lid 2, aanhef en onder c, Fw, is - gelet ook op het discretionaire karakter van de in art. 350 Fw aan de Rechtbank toegekende beëindigingsbevoegdheid - afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Relevante omstandigheden zijn met name of de bewindvoerder om die inlichtingen heeft gevraagd, dan wel of de schuldenaar, gelet ook op de aard van de niet ter kennis van de bewindvoerder gebrachte gegevens, wist of behoorde te weten dat hij de bewuste inlichtingen had moeten verstrekken. Maatstaf is of, in het licht van de overige omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt.

10. Uit het vorenstaande volgt dat naar mijn oordeel de door onderdeel 1 verdedigde opvatting in haar algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard. Uit de strekking van de schuldsaneringsregeling vloeit voort dat de schuldenaar, die de kans wordt geboden met een schone lei verder te gaan, gehouden is - ook eigener beweging - de bewindvoerder juist en volledig in te lichten over feiten en omstandigheden waarvan de schuldenaar weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor de uitvoering van de regeling. Die verplichting is aan te merken als een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting in de zin van art. 350 lid 2, aanhef en sub c, Fw. Het onderdeel faalt m.i.

11. Onderdeel 2 valt uiteen in vier subonderdelen en bestrijdt r.o. 3.3 van 's Hofs arrest met motiveringsklachten.

12. Subonderdeel 2.a verwijt het Hof niet te hebben aangegeven op welke van de in art. 350 lid 3 Fw bedoelde gronden het is overgegaan tot beëindiging van de schuldsaneringsregelingen.

13. Het verwijt mist feitelijke grondslag; uit de aanhef van r.o. 3.3 ("Het hof is van oordeel dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zijn nagekomen") blijkt dat het Hof zijn beslissing heeft doen steunen op de in art. 350 lid 3 onder c Fw bedoelde beëindigingsgrond.

14. In subonderdeel 2.b wordt geklaagd over een innerlijke tegenstrijdigheid tussen r.o. 3.3 en r.o. 3.2.

15. Het subonderdeel berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Het verliest uit het oog dat r.o. 3.2 geen opsomming behelst van door het Hof vastgestelde feiten en omstandigheden, maar slechts een weergave van de stellingen van [verzoeker 1] en [verzoekster 2]. Van een tegenstrijdigheid tussen r.o. 3.3 en 3.2 is derhalve geen sprake.

16. De subonderdelen 2.c en 2.d lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij verwijten het Hof schending van zijn motiveringsplicht, omdat het Hof - kort gezegd - niet heeft gemotiveerd waarom [verzoeker 1], door het niet melden van het verrichten van onbetaalde arbeid c.q. van de onkostenvergoeding, is tekortgeschoten in zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, en voorts omdat het Hof er geen blijk van heeft gegeven het gedrag van [verzoeker 1] te hebben getoetst met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het geval.

17. Voor zover deze subonderdelen uitgaan van de veronderstelling dat het Hof in r.o. 3.2 van zijn arrest een opsomming geeft van vaststaande feiten en omstandigheden, falen zij op dezelfde grond als subonderdeel 2.b.

18. Voor zover de subonderdelen strekken ten betoge dat het Hof nader had behoren te motiveren waarom de in r.o. 3.3 bedoelde nalatigheid van [verzoeker 1] om melding te maken van de door hem verrichte arbeid en de door hem verkregen onkostenvergoeding beëindiging van de schuldsaneringsregeling op de grond van art. 350 lid 2, aanhef en onder c, Fw rechtvaardigt, treffen zij evenwel doel.

19. Blijkens 's Hofs arrest hebben [verzoeker 1] en [verzoekster 2] zich onder meer beroepen op de aanhoudende pogingen van [verzoeker 1] om een betaalde baan te krijgen, op de gebrekkige gezondheid van [verzoeker 1], ten blijke waarvan een verklaring van de huisarts en de psycholoog is overgelegd, en op de omstandigheid dat [verzoeker 1] per 1 juni 2001 een contract voor zes maanden bij een taxibedrijf heeft. In aanmerking genomen dat, zoals hiervoor is betoogd, het niet nakomen van de algemene inlichtingenplicht door de schuldenaar eerst dan kan worden aangemerkt als een schending van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen die op de voet van art. 350 lid 2, aanhef en onder c, Fw beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling rechtvaardigt, indien, in het licht van de omstandigheden van het geval, die schending een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, moet worden geoordeeld dat het Hof, door te oordelen dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling moet worden beëindigd op de enkele grond dat [verzoeker 1] melding had behoren te maken van de door hem verrichte onbetaalde arbeid en verkregen onkostenvergoeding, tekort is geschoten in zijn motiveringsplicht. Het Hof had, mede in aanmerking genomen de periode gedurende welke de schuldsaneringsregeling voor [verzoeker 1] en [verzoekster 2] reeds loopt, niet zonder enige motivering voorbij mogen gaan aan de zojuist vermelde, door [verzoeker 1] en [verzoekster 2] aangevoerde omstandigheden.

20. Onderdeel 3 van het middel, dat berust op de veronderstelling dat het Hof de toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft beëindigd op de grond bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder e, Fw, faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Uit de aanhef van r.o. 3.3 van het bestreden arrest blijkt dat het Hof zijn oordeel heeft gebaseerd op de beëindigingsgrond bedoeld onder c van genoemde wetsbepaling.

21. In onderdeel 4 van het middel wordt in twee subonderdelen opgekomen tegen het oordeel van het Hof dat ook [verzoekster 2] is tekortgeschoten in haar informatieverplichting door de bewindvoerder niet te informeren over de onbetaalde arbeid van [verzoeker 1] en over de onkostenvergoeding die hij daarvoor ontving en dat ook ten aanzien van haar de toepassing van de schuldsaneringsregeling behoort te worden beëindigd.

22. Subonderdeel 4.a stelt dat het Hof heeft miskend dat op [verzoekster 2], als de in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenote van [verzoeker 1], ingevolge art. 327 jo. 105 lid 2 Fw slechts de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen rust voor zover zij gehandeld heeft.

23. Het subonderdeel faalt. Het verliest uit het oog dat art. 105 lid 2 Fw, welke bepaling ingevolge de schakelbepaling art. 327 Fw van overeenkomstige toepassing is op de schuldsaneringsregeling, ziet op het geval dat slechts een van beide echtgenoten in staat van faillissement is verklaard resp. tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten. Waar in het onderhavige geval ten aanzien van zowel [verzoeker 1] als [verzoekster 2] de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard, is art. 105 lid 2 Fw niet van toepassing en kan [verzoekster 2] zich niet beroepen op de in die bepaling bedoelde beperking aan de inlichtingenplicht van de niet-gefailleerde echtgenoot.

24. Subsidiair voert subonderdeel 4.b aan dat het Hof zijn oordeel dat [verzoekster 2] is tekortgeschoten in een op haar rustende informatieplicht onvoldoende heeft gemotiveerd. Voorts klaagt het subonderdeel over onbegrijpelijkheid van 's Hofs motivering dat tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster 2] gerechtvaardigd wordt door het feit dat het faillissement van [verzoeker 1] automatisch leidt tot het faillissement van de gemeenschap van goederen.

25. De eerstbedoelde klacht acht ik gegrond op de hierboven onder 19 uiteengezette gronden.

26. Ook de andere klacht van het subonderdeel komt mij gegrond voor. Ingevolge art. 63 Fw wordt het faillissement van een persoon die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd, behandeld als faillissement van die gemeenschap. Op grond van de schakelbepaling van art. 313 Fw is art. 63 Fw van overeenkomstige toepassing op de schuldsaneringsregeling, zodat toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van een persoon die in enige gemeenschap van goederen is gehuwd, wordt behandeld als toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van die gemeenschap. Uit dit een en ander volgt dat ten aanzien van echtgenoten die in enige vorm van gemeenschap zijn gehuwd, bij faillissement van de ene echtgenoot ten aanzien van de andere echtgenoot de schuldsaneringsregeling niet kan worden toegepast: de gemeenschap kan immers niet tegelijkertijd onderworpen zijn aan zowel de faillissementsregeling als de schuldsaneringsregeling.

27. Anders dan het Hof kennelijk van oordeel is, betekent dit echter niet dat, wanneer op beide echtgenoten de schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard en ten aanzien van één van hen grond bestaat om de schuldsaneringsregeling uit hoofde van art. 350 lid 3, aanhef en onder c, d en/of e, Fw, tussentijds te beëindigen de andere echtgenoot noodzakelijk het lot van een faillissement op grond van het vijfde lid van dat artikel moet ondergaan. Vgl. HR 13 juli 2001, RvdW 2001, 133. Dat kan slechts het geval zijn, indien ook ten aanzien van de andere echtgenoot een grond als bedoeld in art. 350 lid 3, aanhef en onder c, b en/of e, Fw zich voordoet. Is daarvan geen sprake, dan ontbreekt een wettelijke basis voor het faillissement van de andere echtgenoot. De schuldsaneringsregeling blijft voor deze echtgenoot van toepassing, maar zal, zo moet wel worden aangenomen, niet kunnen worden voortgezet omdat de gemeenschap onder het faillissement valt.

28. Wat hiervan ook zij, 's Hofs oordeel dat de omstandigheid dat [verzoeker 1] en [verzoekster 2] in gemeenschap van goederen zijn gehuwd in verband met art. 63 Fw mee zou moeten brengen dat ook ten aanzien van [verzoekster 2] de schuldsaneringsregeling behoort te worden beëindigd met het in lid 5 van art. 350 Fw bedoelde gevolg, vindt geen steun in de wet.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest van het Gerechtshof te Arnhem en tot verwijzing van de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,