Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8963

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
00512/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8963
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36f
Wetboek van Strafvordering 51a
Wetboek van Strafvordering 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 183
NJ 2002, 497
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 512/01

Zitting 29 januari 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is op 13 december 2000 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage - met bevestiging van het vonnis van de Rechtbank te Dordrecht van 20 april 2000 - wegens poging tot doodslag, voorafgegaan van diefstal en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid te verzekeren, meermalen gepleegd, alsmede wegens poging tot doodslag, meermalen gepleegd, veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Tevens is de verdachte terbeschikking gesteld met het bevel tot verpleging van overheidswege.

Tevens is de vordering van twee benadeelde partijen toegewezen voor een bedrag van ƒ 8.000,- ([slachtoffer 1]) respectievelijk ƒ 8.050,- ([slachtoffer 2]) en is de verdachte ex art. 591a lid 5 veroordeeld tot het betalen van de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten. Het Hof heeft bovendien de door de Rechtbank opgelegde schadevergoedingsmaatregel bevestigd voor een bedrag van ƒ 8.500,- respectievelijk ƒ 8.550,- vervangen door telkens 80 dagen hechtenis.

Verdachte heeft, nadat hij op heterdaad bij een winkeldiefstal was betrapt, een vuurwapen getrokken en daarmee geschoten op medewerkers van de supermarkt en op winkelend publiek.

2. Namens verdachte heeft mr. J. van Beest, advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte een verzoek om een tweede psychiatrisch onderzoek van verdachte heeft afgewezen.

4. Ter terechtzitting van het Hof heeft de raadsman van verdachte verzocht een contra-expertise te laten plaatsvinden na het onderzoek van het Pieter Baan Centrum. Volgens de raadsman zou daarin onvoldoende rekening zijn gehouden met het mogelijke effect van middelen die verdachte zou gebruiken ten tijde van de tenlastegelegde feiten, in het bijzonder (het afbouwen van) het gebruik van Rohypnol.

5. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen en daartoe overwogen zoals is weergegeven in de toelichting op het middel.

Door de noodzaak van het ter terechtzitting verzochte onderzoek te beoordelen, heeft het Hof de juiste maatstaf aangelegd (art. 328 Sv in verband met art. 316 en 415 Sv; HR 17 april 2001, nr. 1522/99 rov. 3.4.). Gelet op de door het Hof aangehaalde inhoud van de rapporten van het Pieter Baan Centrum en van de psycholoog H.S.M. Weber alsmede van de verklaringen van de ter terechtzitting in eerste aanleg, eveneens op verzoek van de raadsman, gehoorde getuige-deskundigen, is dat oordeel bepaald niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat uit de verklaring van de getuige-deskundige kan worden opgemaakt dat deze bij zijn conclusie ook de omstandigheid dat verdachte zijn gebruik van rohypnol mogelijk aan het verminderen was heeft meegewogen.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

6. Ambtshalve wil ik nog de aandacht vestigen op de door het Hof toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen. Die vorderingen zijn toegewezen in combinatie met de in art. 36f Sr omschreven maatregel. Bij het opleggen van de genoemde maatregel heeft het Hof - anders dan bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij krachtens art. 51a lid 1 Sv - tevens de proceskosten betrokken. Dat is onjuist nu dit geen schade is die rechtstreeks door het strafbare feit is geleden (HR 18 april 2000, NJ 2000, 413 rov. 3.1.1.). Dit betekent dat het bedrag waarop de maatregel betrekking heeft voor wat betreft beide benadeelde partijen moet worden verminderd met een bedrag van ƒ 500,-. Gevolgen voor de vervangende hechtenis hoeft dit niet te hebben nu het Hof daarmee ruimschoots boven het in art. 24c lid 3 Sr bepaalde minimum is gebleven.

7. Tevens merk ik op dat de vordering van de benadeelde partijen voor wat betreft de materiële en de immateriële schade als voorschot is gevorderd en ook toegewezen. Uit een recente evaluatie van de Wet Terwee blijkt dat vaker een vordering van de benadeelde partij als voorschot wordt toegewezen (R. Kool & M. Moerings, De Wet Terwee: evaluatie van juridische knelpunten, Deventer 2001, blz. 15, 44, 46). Het is echter de vraag of dit past in het systeem van de betreffende wettelijke regeling.

8. Voorop moet worden gesteld dat de benadeelde partij volkomen vrij is de door haar geleden schade van de verdachte te vorderen en - indien ze daartoe besluit - even vrij is daarvoor de strafrechtelijke of een civielrechtelijke weg te kiezen (daargelaten de vraag of de gekozen weg succesvol zal zijn).

Indien de benadeelde partij de strafrechtelijke weg kiest, laat art. 51a lid 3 haar uitdrukkelijk vrij zich 'voor een deel' te voegen, waaruit volgt dat zij haar vordering kan beperken. Een overweging daarbij kan zijn dat in de strafprocedure alleen de schade van eenvoudige aard wordt gevorderd. Uit de wetsgeschiedenis blijkt voor het overige niet dat de benadeelde partij haar vordering niet om andere redenen zou mogen beperken. Het is ook niet goed denkbaar dat de benadeelde partij zou zijn gebonden in de mate waarin ze haar vordering beperkt nu ze ook geheel van de vordering kan afzien.

9. Ook de rechter heeft de nodige ruimte de vordering van de benadeelde partij te beperken in deze zin dat hij de vordering kan splitsen in een deel van eenvoudige en een deel van niet-eenvoudige aard. In dat geval zal hij het deel van eenvoudige aard kunnen toewijzen en de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het andere deel (art. 361 lid 3 Sv). De benadeelde partij kan de vordering dan voor dat overige - volgens de strafrechter van niet-eenvoudige aard - bij de burgerlijke rechter aanhangig maken. De niet-ontvankelijk verklaring staat daaraan niet in de weg (art. 361 lid 3 Sv). Die weg zou evenwel zijn afgesneden indien de strafrechter de vordering voor het overige had afgewezen zodat het om die reden de voorkeur verdient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren (Kamerstukken II 1989-1990, 21 345, nr. 3 (MvT), blz. 12; Kamerstukken II 1990-1991, 21 345, nr. 5 (MvA), blz. 24).

10. In de onderhavige zaak heeft de Rechtbank in zijn door het Hof bevestigde vonnis, de vordering van de benadeelde partijen als voorschot toegewezen voor zover het betrekking had op materiële en immateriële kosten. Het als voorschot toewijzen van de vordering van de benadeelde partijen moet aldus worden verstaan dat de rechtbank daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat het betreffende deel van de vordering van eenvoudige aard is en dus door de strafrechter kan worden toegewezen. Dit sluit ook aan bij de door Kool & Moerings beschreven praktijk:

Immateriële schadevergoeding wordt toegewezen als voorschot, vooruitlopend op de civielrechtelijke procedure. Het feit dat zo'n civiele procedure in de praktijk niet altijd volgt staat toewijzing van immateriële schade in het kader van de Wet Terwee niet in de weg. Soms preludeert de officier hier ook op wanneer de gevorderde immateriële schadevergoeding te hoog wordt gevonden; in zo'n geval vordert hij slechts een voorschot, in de verwachting dat een civielrechtelijke bodemprocedure zal uitblijven (officier Den Haag).

(Kool & Moerings, a.w., blz. 46)

11. Voor het overige zijn de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard, als zijnde van niet-eenvoudige aard, zodat zij hun vordering bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

12. Ik concludeer dat de bestreden uitspraak wordt vernietigd ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen, dat deze worden verminderd met de het daarin begrepen bedrag aan proceskosten en dat het beroep voor het overige wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,