Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
29-07-2002
Zaaknummer
00339/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8961
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 354
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00339/01

Zitting 29 januari 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker = verdachte]

1. Verzoeker is door het gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 22 december 2000 ter zake van het medeplegen van een gewapende ripdeal veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf. Voorts zijn beslissingen genomen over de inbeslaggenomen goederen als in het arrest vermeld.

2. Namens verzoeker hebben mr. G.P. Hamer en mr. A.M. Ficq-Kengen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel komt met een motiveringsklacht op tegen de beslissing van het hof, voor zover daarin ten aanzien van het bij verzoeker inbeslaggenomen Nederlandse geld ter waarde van fl. 10.425,00 de bewaring is gelast ten behoeve van de (onbekende) rechthebbende.

4. Het hof heeft bewezenverklaard, voorzover hier van belang, dat verzoeker:

"op 27 januari 2000 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig bedrag aan Duitse Marken en enig bedrag aan Nederlands geld, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders ()."

5. Het hof heeft in de rubriek "De op te leggen straf en maatregel" onder meer overwogen:

"Met betrekking tot de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten

- Geld buitenlands, zijnde 8620 Duitse Marken

- Geld Nederlands, zijnde f 10.425,-,

zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten, nu ten aanzien van die voorwerpen thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt."

6. Tot het bewijs heeft het hof onder nummer 2 een ambtsedig proces-verbaal van aangifte gebezigd, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], zakelijk weergegeven:

"() Ik had een bedrag van ongeveer 52.000 DM bij mij. Dat bedrag bestond uit Duits geld en Nederlands geld. Ik denk 42.700 DM en 5.000 Nederlandse guldens.()"

7. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof dd. 12 december 2000 gevoegde pleitnota onder het kopje "Conclusie" heeft de raadsman van verzoeker het volgende verzocht:

"() Voorts verzoek() ik u de teruggave te gelasten van het Nederlandse geld dat bij [verdachte] in beslag is genomen ten tijde van zijn aanhouding ad f 10.425,-. [verdachte] heeft hierover verklaard dat dit zijn eigen geld is.

Hij heeft dit niet, zoals het bedrag in Duitse valuta dat eveneens bij hem in beslag is genomen, van [mededader] gekregen."

8. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft verzoeker het navolgende verklaard:

"() U houdt mij voor dat ik bij mijn aanhouding een flink geldbedrag op zak had. Omdat ik krap bij kas zit, had ik een gouden ketting uit de erfenis van mijn vader verkocht. ()

U vraagt mij hoe ik aan de Duitse marken ben gekomen, die ik bij mijn aanhouding ook op zak had. Ik was bij het winkelcentrum. () [mededader] gaf me geld in handen.()"

9. Uit het proces-verbaal van aangifte blijkt dat het slachtoffer is beroofd van ongeveer 5000 Nederlandse guldens. Bij verzoeker is evenwel onder meer een bedrag van f. 10.425,-- in beslag genomen.

10. Dat bedrag zou afkomstig kunnen zijn van [slachtoffer], aangezien de som van de afzonderlijke porties Duits en Nederlands geld een gat van ± 5000 vertoont ten opzichte van het door hem opgegeven totale bedrag. Voorts is bij verzoekers mededader [mededader] een bedrag van DM 26.300 in beslag genomen (bewijsmiddel 8). In totaal is dus na de beroving bij twee van de drie daders DM 34.920 en f. 10.425 inbeslaggenomen.

11. Het dossier biedt aanknopingspunten voor het vermoeden dat het aan [slachtoffer] ontstolen bedrag niet de opbrengst van zuivere koffie was.

12. Verzoeker heeft voor het feit dat hij een dergelijk bedrag op zak had een verklaring gegeven. Of deze verklaring al dan niet geloofwaardig is, is van belang bij de afweging die de feitenrechter moet maken indien over de rechten op het inbeslaggenomene een geschil bestaat.

13. Namens verzoeker is het verweer gevoerd ertoe strekkende dat hij de rechthebbende van het inbeslaggenomen Nederlandse geld was.

14. Het hof heeft de bewaring ten behoeve van een onbekende rechthebbende gelast met als motivering dat thans geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt. Daarmee heeft het hof dus te kennen gegeven: (1) dat verzoeker niet als rechthebbende op het inbeslaggenomene wordt beschouwd; (2) dat ook [slachtoffer] niet als rechthebbende op dat geld wordt beschouwd.

Gelet op het gevoerde verweer, de gegeven verklaring van herkomst en in aanmerking genomen dat het geld onder verzoeker in beslag is genomen, had het hof nader moeten motiveren op grond waarvan de bewaring van dat Nederlandse geld ten behoeve van de destijds onbekende rechthebbende werd gelast (vgl. HR 6 maart 2001, nr 02157/00, dat alleen in die zin van de onderhavige zaak verschilt dat in die zaak een rechthebbende niet viel aan te wijzen, en in de onderhavige zaak thans niet. Dit verschil komt mij niet cruciaal voor). Het middel, dat hierover klaagt, slaagt derhalve.

15. Het middel is gegrond. Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen.

16. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen som gelds ter grootte van f. 10.425,--, en tot verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde ten aanzien van die beslissing opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG