Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8940

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
19-03-2002
Zaaknummer
01415/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8940
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 185
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 1415/01

Zitting 29 januari 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is op 6 februari 2001 door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens zware mishandeling, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, alsmede wegens medeplegen van poging tot doodslag, veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf. Tevens heeft het Hof bevolen dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege.

Het Hof heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen voor een bedrag van ƒ 19.839,03 in combinatie met de verplichting dit bedrag ten behoeve van de benadeelde partij aan de Staat te betalen, te vervangen door 120 dagen hechtenis. Voor het overige deel is de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Namens verdachte heeft mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, één middel van cassatie oorgesteld.

3. Het beroep in cassatie betreft de juridische kant van gebeurtenissen die tot grote maatschappelijke beroering hebben geleid. Verdachte heeft op 7 januari 2000, op een NS-station te Vlaardingen, [het] toen 17-jarige [slachtoffer] met zijn rechter vuist - zonder dat [het slachtoffer] daartoe enige aanleiding had gegeven, zoals het Hof benadrukt - hard op het hoofd geslagen. Twee dagen later is [het slachtoffer] overleden als gevolg van een door die klap opgetreden scheur in een hoofdslagader.

In november 1999 heeft verdachte bovendien, tezamen en in vereniging met een ander, een willekeurige voorbijganger van een 2,5 tot 3 meter hoge kademuur in het water geduwd.

4. Het middel richt zich primair tegen een overweging van het Hof die betrekking heeft op de betrouwbaarheid van enkele door de verdachte afgelegde bekentende verklaringen waarop verdachte is teruggekomen, en subsidiair tegen een overweging van het Hof met betrekking tot de op te leggen straf.

5. In een nadere bewijsoverweging is het Hof ingegaan op de ter terechtzitting door de raadsman aan de orde gestelde kwestie dat verdachte is teruggekomen op de bekentenissen die hij aflegde kort na de zware mishandeling van [het slachtoffer]. De raadsman van verdachte betoogde ter terechtzitting dat verdachte op zijn bekentenissen is teruggekomen omdat hij aanvankelijk een "maatje" van hem wilde beschermen die daadwerkelijk de klap had toegebracht. Daarmee zocht de raadsman aansluiting bij de getuige-deskundige die ter terechtzitting in eerste aanleg en ook in zijn rapport "maatjes-gedrag" van verdachte had gerelateerd waarbij verdachte zich in zijn "maatjes" kan verliezen en de verantwoordelijkheid voor zijn "maatjes" op zich neemt.

6. Het Hof heeft uitvoerig uiteengezet waarom het niet aannemelijk acht dat verdachte wegens dit "maatjes-gedrag" aanvankelijk heeft bekend en daarop is teruggekomen. Daarbij heeft het Hof onder meer overwogen zoals is weergegeven in de toelichting op het middel.

7. Bij de beoordeling van het middel moet voorop staan dat het Hof geen rekenschap behoefde af te leggen over de keuze en betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal (HR 21 september 1999, NJ 2000, 380 rov. 3.1.2. m.nt. Kn). Een van de uitzonderingen op deze regel doet zich hier niet voor.

Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat de raadsman bij het innemen van de stelling dat verdachte door zijn "maatjes-gedrag" ten onrechte een bekennende verklaring heeft afgelegd en daarop is teruggekomen, aansluiting heeft gezocht bij een algemenere opinie van een getuige-deskundige welke echter niet op deze stelling was toegesneden. Met andere woorden: de getuige-deskundige heeft niet aangegeven dat het door hem bij verdachte gesignaleerde "maatjes-gedrag" van invloed is geweest op de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde bekentenissen welke daarom niet tot bewijs zouden mogen worden gebezigd (vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 580 rov. 4.5.). Evenmin heeft het Hof zich voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de door verdachte afgelegde bekentenis verlaten op een verklaring van een getuige-deskundige waarvan de betrouwbaarheid gemotiveerd is betwist (vgl. HR 30 maart 1999, NJ 1999, rov. 4.4. m.nt. 'tH).

8. Tegen deze achtergrond was het Hof niet gehouden de gemaakte afweging - die overigens niet onbegrijpelijk is - nader te motiveren, zodat deze klacht faalt.

9. In de toelichting op het middel werpt de steller van het middel nog de vraag op of het Hof bij de overwegingen van de op te leggen straf acht mocht slaan op "het dramatisch gevolg, dat ook voor het leven van de nabestaanden een verwoestend effect heeft gehad". Eerder had het Hof namelijk overwogen dat bij verdachte "het opzet in de zin van voorwaardelijk opzet tot zware mishandeling aanwezig was".

10. Het opwerpen van een vraag betreft geen stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, zodat dit niet kan worden aangemerkt als een middel van cassatie als bedoeld in art. 437 lid 2 Sv (HR 10 juli 2001, NJ 2001, 605 rov. 3.1.).

Ten overvloede merk ik op dat de opgeworpen vraag berust op een verkeerde lezing van het arrest. Het Hof heeft in de ter discussie gestelde strafmotivering aangegeven dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de zware mishandeling, maar niet op het vervolgens ingetreden gevolg, te weten de dood van [het slachtoffer]. Hoewel het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet was gericht op de dood van het slachtoffer, is de dood van [het slachtoffer] wel aan diens gewelddadig handelen te wijten, zoals ook bewezen is verklaard. Daarom kon het Hof bij het bepalen van de straf - zoals ook de wetgever dat doet in het bedreigde strafmaximum - rekening houden met dat zo ernstige gevolg.

11. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,