Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8907

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
00610/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8907
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 170
NJ 2002, 331
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00610/01

Mr Fokkens

Zitting: 22 januari 2002

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 2. primair tenlastegelegde feit en wegens 1. opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor en ander te duchten is" en 2. subsidiair "opzetheling" veroordeeld tot drie jaren en zes maanden gevangenisstraf.

2. Tegen deze uitspraak heeft verdachte cassatieberoep ingesteld. Het beroep richt zich kennelijk niet tegen de gegeven vrijspraak.

3. Namens verdachte heeft mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, drie middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel klaagt erover dat het Hof het verzoek om een onderzoek te laten instellen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [...] ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft afgewezen.

5. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 20 september 2000 is aldaar ter sprake gekomen een brief van de raadsman van 13 september 2000, die onder meer inhoudt:

"Uit het vonnis van de Rechtbank valt verder op te maken dat de Rechtbank ondermeer gebruik heeft gemaakt van de verklaringen afgelegd door getuige [...]. Deze getuige heeft verre van consistent verklaard en vaststaat dat zij sinds mei 1999 opgenomen is met een rechterlijke machtiging en lijdt aan schizofrenie. De verdediging stelt zich op het standpunt dat onderzoek dient plaats te vinden naar de geloofwaardigheid en/of betrouwbaarheid van deze getuige en de door haar afgelegde verklaringen, middels benoeming van een getuige-deskundige."

6. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 6 november 2000 houdt onder meer in:

"De raadsman krijgt het woord en verklaart dat hij zijn op de terechtzitting van dit hof van 20 september 2000 gedane verzoeken (...) herhaalt, te weten een onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van [de getuige] (...)."

7. Het Hof heeft dit verzoek afgewezen en heeft daartoe overwogen:

"Wat het verzoek betreft om de betrouwbaarheid van een getuige te onderzoeken oordeelt het hof dat dit bij uitstek de taak van de rechter is. Uit het arrest zal blijken welke waarde het hof aan de verklaring van bedoelde getuige zal toekennen. Het verzoek van de raadsman wordt afgewezen"

8. De eerste vraag is of het hier gaat om een verzoek aan de rechter als bedoeld in art. 328 Sv om gebruik te maken van de hem in art. 315, eerste lid, Sv toegekende bevoegdheid waarop de rechter krachtens art. 330 Sv een uitdrukkelijke beslissing dient te nemen. Dat is mijns inziens niet het geval. In NJ 2000, 128 heeft de Hoge Raad ten aanzien van een vergelijkbaar verzoek als waarvan hier sprake is overwogen: "Het voorschrift van art. 330 Sv veronderstelt - voor zover het een verzoek betreft tot het (doen) verrichten van nader onderzoek - dat de verzoeker welomschreven onderzoekshandelingen opgeeft, zoals het horen van met name genoemde getuigen (of getuige-deskundigen) of het inwinnen van een deskundigenbericht omtrent een welomschreven vraagstelling." Het verzoek van de raadsman voldoet niet aan deze maatstaf.

9. Kennelijk heeft het Hof ook aldus over dit verzoek geoordeeld. Als het Hof het verzoek had opgevat als een verzoek in de zin van art. 328 Sv had het Hof immers als maatstaf voor zijn beslissing op het verzoek moeten hanteren of de noodzaak van het verzochte was gebleken. Die maatstaf is in de overweging van het Hof niet terug te vinden. In de weergegeven overweging heeft het Hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het Hof - mede in ogenschouw nemend dat de raadsman de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige in twijfel heeft getrokken en van mening is dat voor een juiste beoordeling van die betrouwbaarheid nader onderzoek noodzakelijk is - de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige zal onderzoeken. Uit de door het Hof overgenomen overwegingen van de Rechtbank dienaangaande blijkt waarom het Hof geen reden ziet aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen. Die overweging is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden onderzocht.

10. Het middel kan derhalve niet slagen.

11. Het tweede middel klaagt erover dat de bewezenverklaring (naar ik begrijp van feit 1, JWF) niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, doordat in het door het Hof bevestigde vonnis ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd wordt gesteld dat de veroordeling mede berust op de leugenachtigheid van verklaringen van de verdachte.

12. De verdachte heeft een viertal wisselende verklaringen afgelegd omtrent het moment waarop hij het pand waarin brand is gesticht heeft verlaten, variërend van 2 maart 2000 om middernacht tot 00.30 uur, en enigszins verschillende verklaringen over het tijdstip van zijn terugkeer alsmede verschillende verklaringen over de redenen waarom hij enkele deurklinken in de in brand gestoken woning heeft verwijderd. De Rechtbank heeft over deze verklaringen overwogen:

"Het feit dat de verdachte steeds andersluidende verklaringen aflegt over de tijdstippen waarop hij vertrok en terugkeerde doet voorts vermoeden dat hij over de werkelijke gang van zaken de bewuste nacht geen openheid wil geven. In dit licht ziet de rechtbank ook de steeds andersluidende verklaringen die de verdachte in de loop van de tijd heeft gegeven voor het door hem verwijderen van de klinken van enige deuren in het pand; gaf hij eerst als reden het willen verhinderen van pogingen van de hond om de deuren te openen, ter zitting voert hij gevoelens van onveiligheid aan, waarvan de rechtbank onduidelijk is waarom deze niet eerder door hem in de diverse verhoren kenbaar zijn gemaakt, temeer nu de ontbrekende deurklinken meermalen uitdrukkelijk onderwerp van ondervraging zijn geweest"

en heeft even verder overwogen dat zij mede gelet op de door haar vastgestelde leugenachtigheid tot de overtuiging is gekomen dat verdachte het feit heeft begaan.

13. Volgens het middel is de omstandigheid dat uit verklaringen het vermoeden rijst dat een verdachte over de werkelijke

gang van zaken geen openheid wil geven iets anders dan dat uit bewijsmiddelen de kennelijke leugenachtigheid van die verklaringen blijkt. Die klacht berust echter op een verkeerde lezing van de overwegingen van de Rechtbank. De Rechtbank heeft uit de omstandigheid dat de verdachte verschillende verklaringen over de tijdstippen van vertrek en aankomst en het verwijderen van de deurklinken heeft afgelegd, afgeleid dat deze leugenachtig zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. In de overweging dat deze wisselende verklaringen het vermoeden wekken dat verdachte over de werkelijke gang van zaken geen openheid wil geven, heeft de Rechtbank aangegeven waarom deze leugenachtige verklaringen redengevend zijn voor de bewezenverklaringen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Het oordeel van de Rechtbank dat een dergelijk vermoeden voor het bewijs mag worden gebezigd geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting.

14. Het middel treft dus geen doel. Ik merk daarbij nog op dat voor de in het middel gestelde eis dat uit de gebezigde bewijsmiddelen dient te volgen dat de verklaringen van de verdachte evident leugenachtig zijn, geen steun is te vinden in het recht, en overigens ook niet in de in de toelichting op het middel genoemde conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Meijer vóór HR 24 maart 1987, NJ 1987, 893.

15. Het derde middel klaagt erover dat de bewezenverklaring (naar ik begrijp van feit 1, JWF) onvoldoende is gemotiveerd, omdat de tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [...] niet redengevend is voor het bewijs.

16. De onder 9 tot het bewijs gebezigde verklaring van de getuige luidt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang:

"[verdachte] heeft ongeveer 9 dagen na de brandstichting gezegd dat ze maar moeten bewijzen dat hij het heeft gedaan."

17. Ook deze klacht kan niet slagen. Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt dat [de getuige] in hetzelfde verhoor heeft verklaard dat verdachte, toen hij de bewuste uitlating deed, enkele bedreigingen tegenover haar heeft geuit (weliswaar staat dit niet opgenomen in de verklaring van [de getuige] zoals die is weergegeven onder de bewijsmiddelen, maar nu het proces-verbaal van dat verhoor is opgenomen onder de bewijsmiddelen kon de Rechtbank een deel van haar verklaring ook weergeven in haar bewijsoverwegingen) en dat verdachte al eerder had gedreigd zichzelf en het huis in de fik te steken. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank deze uitlating van verdachte tegenover [de getuige] aldus uitgelegd, dat hij daardoor tegenover haar de indruk wilde wekken dat hij zijn eerdere bedreiging het huis in de fik te steken had uitgevoerd, maar dat het toch niet mogelijk zou zijn te bewijzen dat hij dit had gedaan. Het is niet onbegrijpelijk dat de Rechtbank van oordeel was dat deze omstandigheid steun biedt voor de vaststelling dat verdachte de brand heeft gesticht en dus redengevend is voor de bewezenverklaring.

18. Ambtshalve vraag ik nog de aandacht voor het volgende. Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding onder 2 subsidiair tenlastegelegd dat:

"hij in of omstreeks 22 februari 2000 te Rotterdam (een) goed(eren), te weten een (personen)auto (merk Opel, type Kadett, voorzien van het kenteken [AA-00-AA]), heeft verworven (van) en/of heeft voorhanden gehad en/of heeft overgedragen (aan) , terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal, althans door enig (ander) misdrijf verkregen goed(eren) betrof"

19. Bewezenverklaard (in de vorm van een uitgestreepte tenlastelegging met handgeschreven toevoeging in de kantlijn) is dat:

"hij op 22 februari 2000 te Rotterdam een goed, te weten een personenauto (merk Opel, type Kadett, voorzien van het kenteken [AA-00-AA]), heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden hebben van dat goed wist, dat het een door misdrijf, namelijk door diefstal, verkregen goed betrof"

20. In de eerste plaats heeft het Hof door bewezen te verklaren dat de verdachte ten tijde van het "voorhanden hebben" wist dat het een door diefstal verkregen goed betrof de grondslag van tenlastelegging verlaten, zodat de bewezenverklaring van feit 2 niet in stand kan blijven. Daarnaast wijs ik erop dat het aldus onder 2 bewezenverklaarde feit geen strafbaar feit oplevert.

21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft het onder 2 bewezenverklaarde feit en de strafoplegging en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden