Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8883

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-03-2002
Datum publicatie
07-05-2002
Zaaknummer
00474/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8883
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 359
Wetboek van Strafvordering 378
Wetboek van Strafvordering 426d
Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00474/01

Mr Wortel

Zitting: 8 januari 2002

Conclusie inzake:

[verzoeker=verdachte]

1. Naar aanleiding van een zonder beperkingen ingesteld hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Breda heeft het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 22 januari 2001 bepaald dat het rechtsmiddel, voor zover dat vonnis een veroordeling wegens overtredingen behelst, aangemerkt moet worden als cassatieberoep, en de stukken aan de Hoge Raad doen toekomen.

2. In deze zaak zijn door of namens verzoeker geen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve vraag ik de aandacht voor het volgende. Wegens (feit 3) 'overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994' (rijden zonder rijbewijs) en (feit 4) 'als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden' is verzoeker in bovengenoemd vonnis veroordeeld ten aanzien van feit 3 tot een geldboete van ƒ. 200,-, subsidiair 4 dagen hechtenis en ten aanzien van feit 4 tot een geldboete van ƒ. 500,- subsidiair 10 dagen hechtenis.

4. Het vonnis houdt daarenboven in dat verzoeker wegens twee misdrijven is veroordeeld. In de aantekening van het mondeling vonnis is ten aanzien van de gebruikte bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring overwogen:

"De politierechter grondt haar overtuiging dat de verdachte het hierboven omschrevene heeft begaan op feiten en omstandigheden die in de volgende bewijsmiddelen zijn vervat.

De processen-verbaal voor zover hiervoor onder sub. 2, sub. 3., sub. 4., sub. 5., sub. 6.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben."

5. In het deel van het proces-verbaal der terechtzitting dat voorafgaat aan de aantekening van het mondeling vonnis is te vinden dat de politierechter mededeling heeft gedaan van een aantal stukken, waarbij de zakelijke inhoud is weergegeven van de bewijsmiddelen genummerd 2 tot en met 5. Die betreffen het onderwerpen van verzoeker aan een ademanalyse en verklaringen van twee getuigen. De ene getuige heeft verklaard dat verzoeker de bestuurder is geweest van een automobiel die van de rijbaan afgeraakt was en een verkeersbord had geraakt. De tweede getuige heeft verklaard dat een andere, bij die auto aanwezige persoon niet de bestuurder was geweest.

6. Kennisneming van de aan de Hoge Raad toegezonden stukken leert dat de bevindingen van de politie met betrekking tot het niet verzekerd zijn van het voertuig en met betrekking tot de omstandigheid dat aan verzoeker geen rijbewijs is afgegeven zijn opgenomen in het door de Politierechter onder 6 genoemde proces-verbaal met kenmerk PL2066/97-003099. Dat proces-verbaal, in de index van de door de politie opgestelde stukken aangeduid als 'hoofd-proces-verbaal' bevat een weergave van al hetgeen politie-functionarissen hebben verricht nadat de melding was ontvangen dat er een aanrijding had plaatsgevonden.

7. Redactie en inhoud van het vonnis dat op de in art. 378 lid 2 Sv voorziene wijze wordt aangetekend zijn geregeld in de 'Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep' (ministeriële regeling van 2 oktober 1996, Stcrt 1996, 197).

In art. 1 aanhef en onder b. van deze Regeling is bepaald:

"De aantekening van het mondeling vonnis als bedoeld in artikel 378, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering dient de navolgende gegevens te bevatten:

(...)

b. alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt);

(...)."

8. Deze bepaling staat dus toe dat de gebruikte bewijsmiddelen worden vermeld door verwijzing naar processtukken, mits - indien niet de hele inhoud van een stuk voor het bewijs is gebruikt - wordt aangegeven welk deel daarvan is gebruikt.

Dienaangaande heeft de Hoge Raad eerder beslist dat verwijzing, voor wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, naar processtukken niet in het onzekere mag laten of verklaringen, opgenomen in het stuk waarnaar is verwezen, tot het bewijs hebben meegewerkt die naar hun inhoud niet redengevend voor de bewezenverklaring kunnen zijn, vgl HR NJ 1988, 28.

9. In het onderhavige geval is noch in de aantekening van het mondeling vonnis, noch in het proces-verbaal van de terechtzitting waarin die aantekening is opgenomen, aangeduid in welke delen van het door de Politierechter met 6 genummerde proces-verbaal het bewijs is gevonden voor de vier bewezenverklaarde feiten.

10. Dit heeft tot gevolg dat tot de bewijsconstructie ook delen van dit proces-verbaal behoren die geen enkele betekenis kunnen hebben voor de bewezenverklaring; met andere woorden: vanuit het oogpunt van bewijslevering volstrekt overbodig zijn. Zoals de plek waar de auto van de weg is geraakt, de inbeslagneming van die auto en een passage waarin de verbalisanten op grond van verklaringen van getuigen en overige bevindingen de toedracht van het ongeval - met inbegrip van de omstandigheid dat verzoeker de auto heeft bestuurd - hebben gereconstrueerd.

11. In de conclusie bij HR 8 mei 2001, griffienr 02600/00, heb ik al eens betoogd dat art. 1, aanhef en onder b van de 'Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep' niet noodzakelijk aldus behoeft te worden uitgelegd dat een uitspraak als bedoeld in art. 378, tweede lid, Sv nietig is indien de verwijzing naar processtukken meebrengt dat tot de bewijsconstructie passages zijn gaan behoren die voor het bewijs overbodig zijn. Dat standpunt werd ingegeven door de gedachte dat art. 378, tweede lid, Sv ertoe strekt de werklast van enkelvoudig rechtsprekende rechters en hun griffiers te verminderen, doch veel kostbare, nuttiger te besteden, tijd verloren gaat indien ervoor gewaakt moet worden dat een voor het bewijs relevant geacht proces-verbaal van opsporingsambtenaren steeds zodanig wordt weergegeven dat alle voor het bewijs overbodige bevindingen van verbalisanten en de toepassing van dwangmiddelen wegvallen. Nauwlettend voorkomen daarvan kan tijdrovend zijn, zeker indien het proces-verbaal - zoals ook in het onderhavige geval - van belang is voor het bewijs van verschillende, tenlastegelegde, feiten.

12. De grens zou ik daar willen leggen waar de verwijzing naar een processtuk als geheel meebrengt dat tot het bewijs kennelijk een passage heeft gediend die een aan de rechter voorbehouden conclusie inhoudt, terwijl die passage essentieel is voor de bereikte bewezenverklaring. Dat zal zich voordoen indien de bewijsconstructie voor het overige niet uitwijst dat de rechter zo een gevolgtrekking zelf heeft gemaakt. Dan is er geen sprake meer van een in de verwijzing naar het processtuk besloten overbodigheid, maar van een wezenlijk tekort in de bewijsmiddelen.

13. Evenmin zal de verwijzing naar een processtuk als geheel tot gevolg mogen hebben dat er een passage tot de bewijsconstructie gaat behoren die met de bewezenverklaring in strijd is. In verband daarmee moet in de nu te beoordelen zaak worden opgemerkt dat de verwijzing naar het door de Politierechter met 6 genummerde proces-verbaal meebrengt dat ook een daarin opgenomen samenvatting van een door verzoeker afgelegde verklaring is gaan behoren, inhoudend dat hij de auto niet heeft bestuurd, dat hij niet weet of de auto verzekerd was en dat hij nimmer in het bezit van een rijbewijs is geweest.

14. Voor zover die verklaring behelst dat verzoeker ontkende de auto te hebben bestuurd is zij onverenigbaar met de bewezenverklaring.

De strijdigheid die het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren in dit ene opzicht lijkt te vertonen ten opzichte van de bewezenverklaring onder 3 en 4 wordt niet opgeheven door de mededeling dat de bewijsmiddelen slechts zijn gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

15. Anderzijds maken de eveneens tot het bewijs gebezigde (in het proces-verbaal der terechtzitting weergegeven) verklaringen van getuigen duidelijk waarom de Politierechter is voorbijgegaan aan verzoekers - ook ter terechtzitting volgehouden -ontkenning de auto te hebben bestuurd. De Politierechter heeft in haar uitspraak nog een bijzondere overweging opgenomen waarin dit is benadrukt.

16. In HR 8 mei 2001, griffienr 02600/00, is het vonnis vernietigd omdat die in het proces-verbaal van de terechtzitting aangetekende uitspraak niet de gebezigde bewijsmiddelen bevatte. Die uitspraak vertoonde evenwel (naast nog andere gebreken) het manco dat er in het deel van het proces-verbaal waarin de gang van zaken ter terechtzitting was beschreven weliswaar melding was gemaakt van de voorgehouden stukken, maar in de aantekening van het mondeling vonnis geen enkele verwijzing naar de gebezigde bewijsmiddelen voorkwam. Vooralsnog leid ik uit de beslissing van de Hoge Raad daarom niet af dat de zienswijze die in de daartoe genomen conclusie is ontwikkeld ten aanzien van de verwijzing naar een processtuk die meebrengt dat er voor het bewijs overbodige passages tot de bewijsconstructie zijn gaan behoren niet gevolgd kan worden.

17. Die zienswijze voortzettend stel ik nu voor te oordelen dat een op de voet van art. 378, tweede lid, Sv aangetekende uitspraak niet vernietigd behoeft te worden indien de verwijzing naar een geheel processtuk als bewijsmiddel weliswaar impliceert dat een daarin voorkomende passage in de bewijsconstructie is opgenomen die met de bewezenverklaring onverenigbaar is, doch uit de bewijsmiddelen voor het overige, of uit overwegingen van de rechter ten aanzien van het bewijs, volgt dat en waarom de rechter aan die met de bewezenverklaring niet te verenigen passage is voorbijgegaan. In dat geval kan, naar mij voorkomt, worden aangenomen dat de tegenstrijdigheid in de bewijsmiddelen is weggenomen.

18. Overigens vond ik geen redenen voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,