Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8198

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
01-03-2002
Zaaknummer
R01/143HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 133
JWB 2002/95
BJ 2002/21
Verrijkte uitspraak

Conclusie

R 01/143 HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 18 januari 2002

(Wet Bopz)

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

In deze zaak wordt een machtiging tot voortgezet verblijf bestreden met motiveringsklachten.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement 's-Hertogenbosch heeft op 8 oktober 2001 bij de rechtbank aldaar een vordering ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis van thans-verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene)(1). Bij de vordering zijn een op 5 oktober 2001 ondertekende geneeskundige verklaring met een behandelingsplan en een bericht over de stand van uitvoering ("vervolg-behandelplan") overgelegd.

1.2. Op 2 november 2001 heeft de rechtbank gehoord: betrokkene, zijn advocaat, de psychiater V. Cats en de verpleegkundige H. Vos. Op dezelfde dag heeft de rechtbank de machtiging verleend voor de duur van één jaar, ingaande op 2 november 2001 en eindigende op 2 november 2002.

1.3. Tegen deze beschikking heeft betrokkene tijdig cassatieberoep ingesteld, onder aanvoering van één middel van cassatie.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Op de voet van art. 15, tweede lid, Wet Bopz kan de rechter een machtiging tot voortgezet verblijf verlenen indien naar zijn oordeel:

a. de stoornis van de geestesvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn en deze stoornis betrokkene ook dan gevaar zal doen veroorzaken en

b. het gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten het ziekenhuis kan worden afgewend.

Met betrekking tot de machtiging tot voortgezet verblijf zijn art. 2, derde en vierde lid, en art. 4 van overeenkomstige toepassing (art. 15 lid 3). De vereisten voor een machtiging tot voortgezet verblijf zijn dus dezelfde als die voor een voorlopige machtiging, met dien verstande niet wordt beoordeeld het gevaar dat een reeds opgenomen persoon binnen het ziekenhuis laat zien maar het gevaar dat zijn stoornis hem buiten de inrichting zou doen veroorzaken(2). Het begrip "gevaar" wordt gedefinieerd in art. 1, lid 1 sub f, zoals gewijzigd bij de wet van 22 juni 2000, Stb. 292.

2.2. Het middel klaagt erover, dat de rechtbank m.b.t. het vereiste gevaar slechts de wettekst van art. 15, lid 2 onder a, herhaalt, maar niet aangeeft welk gevaar door de rechtbank aanwezig wordt geacht en op welke grond.

2.3. De rechtbank heeft volstaan met verwijzing naar "de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen". Naar vaste rechtspraak kan met een dergelijke standaardmotivering worden volstaan, mits de uit de gedingstukken naar voren komende feiten voldoende sprekend zijn om te rechtvaardigen dat in de beschikking met een summiere motivering wordt volstaan: uit de inhoud van de gedingstukken dient zonder nadere redengeving voldoende duidelijk te zijn wat de rechtbank voor ogen heeft gestaan(3). Deze regel laat onverlet de algemene eis, dat een rechterlijke beslissing (op tegenspraak) in geschillen waarop art. 6 EVRM toepasselijk is tenminste zodanig dient te worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang, opdat zij zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van een hogere voorziening: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar is(4). Deze regel is begrijpelijk: wanneer de gedingstukken en de verschafte inlichtingen meer dan één mogelijkheid openlaten of wanneer zij door de patiënt worden aangevochten, liggen er uiteenlopende mogelijkheden op de tafel van de rechter waaruit deze een keuze zal moeten maken. De rechter kan in dat geval ter verklaring van zijn keuze niet volstaan met een simpele verwijzing naar "de overgelegde stukken", "de gehouden verhoren" of "de verkregen inlichtingen". Anderzijds wordt niet vereist dat de rechter ieder detail bespreekt. Het gaat erom dat de motivering voldoende inzicht geeft in de aan het oordeel ten grondslag liggende gedachtegang.

2.4. Van de vier wettelijke vereisten (kortweg: geestelijke stoornis, gevaar, het ontbreken van een alternatief (art. 15 lid 2 onder b) en het ontbreken van de nodige bereidheid tot vrijwillig verblijf), is in dit cassatieberoep alleen het gevaarscriterium aan de orde. De diagnose luidt: "chronische schizofrenie, paranoïde vorm, met verval van cognitief én sociaal functioneren" (rubriek 3c van de geneeskundige verklaring). De geestesstoornis van betrokkene blijkt uit de volgende gedragingen en feiten (rubriek 3a):

"In zichzelf gekeerd, lijkt regelmatig te hallucineren. Paranoïde uitingen en opstelling. Inactief, weinig tot geen zelfzorg. Moet voortdurend aangespoord worden tot minimale zelfzorg. Waanachtige ideeën c.q. waansysteem met name in relatie tot ex-echtgenote met wie hij naar eigen zeggen gaat samenwonen als hij hier "vrij" is. Niet te corrigeren in dit soort gedachten."

Blijkens rubriek 3b, heeft de ex-echtgenote van betrokkene regelmatig haar bezorgdheid hierover uitgesproken en heeft zij aangegeven dat zij nog steeds door betrokkene wordt benaderd.

Het gevaar wordt in de geneeskundige verklaring (rubriek 4b) omschreven als volgt:

"Zelfverwaarlozing leidend tot te gronde gaan.

Woede (uitbarsting) wanneer de realiteit van zijn relatie ten opzichte van ex-vrouw zou doordringen".

Rubriek 4b vermeldt de volgende gevaren:

- gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat;

- gevaar dat betrokkene zichzelf ernstig zal verwaarlozen;

- gevaar dat betrokkene, door zijn hinderlijk gedrag, agressie van anderen tegen zichzelf zal oproepen;

- gevaar dat betrokkene een ander van het leven zal beroven of hem ernstig letsel zal toebrengen.

Het laatste wordt in rubriek 4b het belangrijkste genoemd. Verder wordt rubriek 4.d opgegeven:

"Geen enkele verbetering, geen enkel ziekte-inzicht of -besef. "Vrij zijn" (zonder rechterlijke machtiging) zou waarschijnlijk betekenen zijn gang naar [A] (ex-vrouw)."

In de periodieke verslaglegging wordt opgemerkt dat bij betrokkene in de afgelopen jaren geen verbetering is geconstateerd en ook dit jaar er geen aanleiding is geweest om het behandelingsplan d.d. 5 december 1997 te wijzigen.

2.5. Ofschoon de geneeskundige verklaring gevaren van uiteenlopende aard noemt -de eerste drie genoemde gevaren zien op betrokkene zelf; het laatstgenoemde op gevaar voor anderen - kan worden gezegd dat de overgelegde stukken, waarnaar de rechtbank verwijst, éénduidig zijn m.b.t. de aard en intensiteit van de gevaren waarvoor gevreesd moet worden indien de machtiging niet wordt verleend. De aanvullende informatie van de psychiater bij gelegenheid van het verhoor strookt met hetgeen in de geneeskundige verklaring staat. In het bijzonder m.b.t. de vrees voor zelfverwaarlozing heeft de psychiater aangegeven dat toezicht nodig is om betrokkene te doen eten en zich te doen kleden en wassen.

2.6. Ter terechtzitting is door en namens betrokkene uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen de gevorderde machtiging. Met betrekking tot het gestelde gevaar voor zelfverwaarlozing is aangevoerd dat betrokkene redelijk in staat is zelfstandig te leven (p.-v. blz. 2). Met betrekking tot het gevaar voor anderen (de geneeskundige verklaring doelt op het gevaar voor de gezondheid van de ex-echtgenote), heeft betrokkene o.m. verklaard dat hij wel terug naar [A] wil, maar niet naar zijn ex-echtgenote; "als ze zelf contact wil, dan graag" (p.-v. blz. 1, herhaald op blz. 2).

2.7. Er lagen dus uiteenlopende standpunten op tafel, waaruit de rechtbank een keuze diende te maken. De motivering biedt de lezer geen inzicht waarom de rechtbank aan het verweer voorbij is gegaan. De lezer kan slechts trachten te gissen wat de rechtbank tot haar beslissing heeft bewogen. Het kan bijvoorbeeld zijn, dat de rechtbank het standpunt van betrokkene te vaag vond in verhouding tot de gedetailleerde informatie uit de geneeskundige verklaring. Het kan zijn, dat de rechtbank vanwege het langdurige en geen vooruitgang biedende ziekteverloop geen fiducie heeft gehad in de mogelijkheden van betrokkene buiten het ziekenhuis. Het kan zijn, dat de rechtbank geen gewicht wilde toekennen aan de verklaringen van betrokkene wegens het ontbreken van ziekte-inzicht en realiteitszin bij betrokkene. Weer een andere mogelijkheid is, dat de rechtbank niet zo zwaar heeft getild aan het ene gevaar (zelfverwaarlozing), maar het andere gevaar (attaqueren van de ex-echtgenote) als zó ernstig heeft beschouwd dat dit op zichzelf reeds een machtiging voortgezet verblijf rechtvaardigde. Eén regel motivering zou, bij wijze van spreken, al voldoende zijn geweest om een tip van deze sluier op te lichten. Bij deze stand van zaken voldoet de motivering ten aanzien van het gevaarscriterium inderdaad niet aan de minimumeis. De conclusie zal daarom strekken tot vernietiging en verwijzing.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het hof van het ressort.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Betrokkene, geboren in 1941, verblijft op grond van een eerder verleende rechterlijke machtiging in GGZ Oost Brabant (locatie [...] te [...]).

2 Zie: Laurs (red.), Handboek Opneming en Verblijf, art. 15, aant. 2.1 (Dijkers), waar in dit verband wordt verwezen naar een passage uit de nadere MvA, TK 1979/80, 11 270, nr. 12, blz. 20.

3 O.m.: HR 17 maart 2000, NJ 2000, 312; HR 6 oktober 2000, NJ 2000, 716.

4 HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659; HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. EAA; EHRM 9 december 1994, NJ 1997, 20; zie ook: EHRM 27 september 2001, EHRC 2001, 77 m.nt. H.