Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8196

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2002
Datum publicatie
15-02-2002
Zaaknummer
R01/104HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8196
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 429i
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 93
JWB 2002/72
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rek.nr. R01/104

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 21 december 2001

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

1. Feiten en procesverloop(1)

1.1 Partijen zijn gehuwd op 29 augustus 1974. Hun huwelijk is op 3 maart 1998 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 21 januari 1998 van de arrondissementsrechtbank te Utrecht in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 Bij beschikking van de rechtbank Utrecht van 24 maart 1999 is de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 3 maart 1998 bepaald op ƒ 5000,-- per maand.

1.3 De man heeft de rechtbank Utrecht vervolgens bij inleidend verzoekschrift van 20 september 1999 verzocht de ten behoeve van de vrouw te betalen bijdrage aldus te wijzigen dat deze wordt vastgesteld op nihil met ingang van 24 maart 1998, althans op een nader in goede justitie door de rechtbank vast te stellen bedrag en tijdstip. Aan dit verzoek heeft hij de stelling ten grondslag gelegd dat de door de rechtbank opgelegde partneralimentatie van het begin af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man verzocht de wijziging te doen ingaan per 3 maart 1998(2).

1.4 De rechtbank heeft bij beschikking van 29 december 1999 de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 december 1999 op nihil bepaald. Daarnaast heeft de rechtbank beslist dat de bedoelde uitkering over de periode van 3 maart 1998 tot 29 december 1999 nader wordt bepaald op hetgeen dienaangaande in feite is betaald of verhaald.

1.5 De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam en heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

de man te veroordelen, met ingang van de datum waarop de beschikking van de rechtbank Utrecht is gewezen (29 december 1999) als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 5000,-- te voldoen, danwel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag;

de man te veroordelen om over te gaan tot betaling van de wettelijke rente over het door het hof vast te stellen alimentatiebedrag vanaf de dag van indiening van het verzoekschrift (17 februari 2000).

De man heeft een verweerschrift ingediend en verzocht de beschikking te bekrachtigen.

1.6 De zaak is op 12 februari 2001 ter zitting behandeld. Tijdens die zitting heeft de vrouw mondeling een provisionele voorziening uitvoerbaar bij voorraad verzocht, inhoudende een voor de duur van de procedure door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 5000,-- per maand. De man heeft hiertegen aangevoerd dat hij bereid is ten hoogste een bedrag van ƒ 1.000,-- tot ƒ 1500,-- per maand te betalen.

1.7 Bij beschikking van 1 maart 1999 heeft het hof als provisionele voorziening bepaald - uitvoerbaar bij voorraad - dat de man voor de duur van het geding aan levensonderhoud van de vrouw een bedrag van ƒ 1.500,-- zal betalen.

1.8 In de hoofdzaak heeft het hof bij beschikking van 1 maart 1999 de behandeling van de zaak aangehouden en de man in de gelegenheid gesteld bepaalde bescheiden over te leggen. Bij eindbeschikking van 21 juni 2001 heeft het hof de beschikking van de rechtbank van 29 december 1999 vernietigd en het inleidende verzoek van de man afgewezen.

1.9 De man heeft tegen de beschikking van het hof tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld. In het verzoekschrift tot cassatie wordt één middel voorgesteld. De vrouw heeft een verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het middel

2.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen het dictum van de beschikking van het hof van 21 juni 2001. Het hof heeft daarin beslist als volgt.

"Vernietigt de beschikking waarvan beroep; wijst af het inleidende verzoek van de man."

2.2 Het middel klaagt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden. Het hof heeft in zijn eindbeschikking aan de vrouw meer toegewezen dan in hoger beroep door haar is verzocht, door niet alleen de beschikking waarvan beroep te vernietigen, maar tevens het inleidende verzoek van de man af te wijzen.

Volgens het middel heeft de vrouw in hoger beroep slechts verzocht de beschikking van de rechtbank Utrecht van 29 december 1999 te vernietigen en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud vanaf 29 december 1999 op ƒ 5.000,-- te bepalen dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag alsmede de man te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf 17 februari 2000.

2.3 Een uitspraak van de appelrechter mag er niet toe leiden dat de appellant meer krijgt dan hij in appel heeft gevorderd. Miskenning van deze regel betekent dat de appelrechter treedt buiten de rechtsstrijd in hoger beroep(4). Deze regel geldt zowel in de dagvaardingsprocedure als in een verzoekschriftprocedure, zoals hier.

2.4 Deze regel is door de Hoge Raad onder meer toegepast in een zaak die met de onderhavige gelijkenis vertoont. In die zaak had de man zich op 3 februari 1986 tot de rechtbank gewend met een verzoek tot nihilstelling van de door hem te betalen alimentatie vanaf 3 februari 1986. Nadat de rechtbank het verzoek had afgewezen, heeft het hof op het door de man ingestelde appel bij beschikking van 22 december 1986 de alimentatie vanaf die datum op ƒ 700,-- per maand gesteld en de alimentatie tot 22 december 1986 bepaald op hetgeen de man heeft betaald en/of op hem is verhaald.

De vrouw klaagde in cassatie dat hetgeen het hof had bepaald ter zake van de periode tot 22 december 1986 ook betrekking heeft op de periode vóór 3 februari 1986. De Hoge Raad (10 juni 1988, NJ 1988, 833) oordeelde in rechtsoverweging 3.3 als volgt:

"Door, nu daarom niet was verzocht, de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ook over de periode vóór 3 febr. 1986 te bepalen op hetgeen hij heeft betaald en/of op hem is verhaald, is het hof getreden buiten de grenzen van het geschil zoals aan het hof voorgelegd en heeft het zijn taak als appelrechter miskend." (5).

2.5 Bij de bespreking van het middel in de onderhavige zaak staat voorop dat in deze zaak twee tijdvakken bestaan waarin de alimentatieverplichting een rol speelt: (a) de periode vanaf 3 maart 1998 tot en met 29 december 1999 en (b) de periode vanaf 29 december 1999.

2.6 Die tijdvakken zijn bij de bespreking van het middel van belang doordat:

- de rechtbank op verzoek van de man diens alimentatieverplichting (van ƒ 5.000,-- per maand) niet alleen op nihil heeft gesteld vanaf 29 december 1999, doch tevens (op verzoek van de man) de alimentatieverplichting in de periode vanaf 3 maart 1998 tot 29 december 1999 heeft bepaald op hetgeen feitelijk is betaald of verhaald;

- de vrouw in het petitum van het beroepschrift heeft verzocht de beschikking van de rechtbank te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man met ingang van 29 december 1999 een bedrag van ƒ 5.000,-- dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag zal voldoen.

2.7 De vrouw heeft haar verzoek in hoger beroep dus beperkt tot tijdvak (b). Uit de gedingstukken blijkt niet dat de vrouw haar verzoek op de voet van art. 429i Rv. heeft vermeerderd(6).

2.8 Het hof heeft in de eindbeschikking mede beslist over tijdvak (a) door het inleidend verzoek van de man, dat beide tijdvakken omvatte, af te wijzen. Aldus heeft het hof geoordeeld over een onderdeel van de beschikking van de rechtbank dat hem niet ter beoordeling door de vrouw was voorgelegd, zodat het hof het buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden.

2.9 Aan voorgaande conclusie kan niet afdoen dat het hof in zijn tussenbeschikking van 1 maart 2001 in rechtsoverweging 3.1 het volgende heeft overwogen:

"Aan het hof ligt de vraag voor of de rechtbank terecht de bij de beschikking van 24 maart 1999 door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van ƒ 5.000,-- per maand heeft gewijzigd en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 december op nihil heeft bepaald alsmede de betalingsachterstand kwijtgescholden."(7)

2.10 Weliswaar is deze tussenbeschikking in cassatie niet bestreden, doch het hof heeft in deze overweging m.i. geen - in cassatie alleen op begrijpelijkheid te toetsen(8) - uitleg van de grieven gegeven(9), maar veeleer de inhoud van de bestreden beschikking weergegeven. Wat daarvan ook zij, ook een ruime uitleg van grieven kan er niet toe leiden dat het hof meer toewijst dan de appellant vordert(10).

2.11 Het middel is mitsdien terecht voorgesteld.

De Hoge Raad kan de zaak na vernietiging van de beschikking van het hof zelf afdoen door de beschikking van 29 september 1999 van de rechtbank te vernietigen en de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw met ingang van die datum vast te stellen op ƒ 5.000,-- per maand.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot afdoening door de Hoge Raad als vermeld onder 211.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Voor zover in cassatie van belang, onder meer ontleend aan de beschikkingen van het hof te Amsterdam van 1 maart 2001 en van 21 juni 2001.

2 Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 november 1999, blz. 1 alsmede de beschikking van de rechtbank van 29 december 1999, blz. 3.

3 Het verzoekschrift tot cassatie is ter griffie binnengekomen op 20 augustus 2001.

4 Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2001, nr. 85.

5 Zie ook Ras/Hammerstein, a.w., nr. 87.

6 Ras/Hammerstein, a.w., nr. 15.

7 Cursivering A-G.

8 Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495.

9 Zie het verweerschrift van de vrouw onder 2.2.

10 Vgl. Snijders/Wendels, Civiel appel, 1999, nr. 416.