Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8189

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28-06-2002
Datum publicatie
28-06-2002
Zaaknummer
R00/102HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8189
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Koophandel 263, geldigheid: 2002-06-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 379
NJ 2002, 609
RvdW 2002, 113
S&S 2003, 85
AV&S 2003, p. 60
JWB 2002/242

Conclusie

Rek.nr. R00/102HR (NA)

Mr L. Strikwerda

Zt. 11 jan. 2002

conclusie inzake

Sonesta Hotels of Anguilla Ltd.

tegen

Ennia Caribe Schade N.V.

Edelhoogachtbaar college,

1. Het gaat in deze zaak om de uitleg van een verzekeringsovereenkomst met betrekking tot een hotel/resort. De verzekering biedt onder meer dekking voor bedrijfsschade. Het hotel/resort is door de verzekeringsnemer verkocht en geleverd aan een derde. Partijen houdt verdeeld of en in hoeverre de verzekeraar onder de polis jegens de nieuwe eigenaar gehouden is tot uitkering van bedrijfsschade die gedeeltelijk vóór en gedeeltelijk na de eigendomsoverdracht is geleden.

2. Voor zover thans in cassatie nog van belang, liggen de feiten als volgt (zie r.o. 4.1 van het bestreden vonnis).

(i) Thans verweerster in cassatie, hierna: Ennia, heeft als verzekeraar op 28 februari 1994 een verzekeringsovereenkomst gesloten met Casablanca Resorts Anguilla Ltd, hierna: Casablanca, als verzekerde. De verzekering betrof een aan Casablanca in eigendom toebehorend hotel/resort te Anguilla.

(ii) De verzekering bestond onder meer uit een bedrijfsschadeverzekering. Blijkens de polis gaf die verzekering dekking voor bedrijfsschade gedurende maximaal 104 weken en tot een maximumbedrag van US$ 5,5 miljoen.

(iii) De algemene verzekeringsvoorwaarden die op de bedrijfsschadeverzekering van toepassing zijn houden onder meer het volgende in:

"1. Extent of cover

1.1. This insurance covers net profit and all standing charges if the business hereinbefore described in this policy is brought wholly or partly to a standstill or is interrupted as a consequence of material damage to and/or destruction of the buildings and/or contents of the buildings and annexes and/or objects located on this site (all being the property of the insured and/or of third parties), caused by one or more of the perils mentioned in art. 2.1 to 2.11 incl. or in consequences of the occurence of one or more of the perils mentioned in art. 2.12 and 2.13.

(...).

5. Period of indemnity

(...).

5.3. Regardless of the expiry date of this policy, the period of indemnity shall be limited to the number of succesive weeks mentioned in this policy. If, after the occurrence, however, the insured's business is permanently discontinued or liquidated or if, within 8 weeks after the occurence, no efforts have been made to restore the business to its capacity prior to the occurence, the period of indemnity shall be reduced to 13 weeks (...).

(...).

23. Transfer of interest

23.1. In case of transfer of the insured interest the following provisions apply:

23.1.1. In case of transfer by contract the insurance will continue in favour of the new interested party for the time of 1 month from the date the risk had been transferred in accordance with the said contract. The insurance will continue also beyond the said period provided the new interested party, within 8 days from the date of the transfer of the risk, has given advice of same in writing to the insurers and provided the insurers did not, within a fortnight after the said advice, inform the new acquirer by means of a registered letter or bij legal writ that they do not wish to continue the insurance."

(...).

(iv) Op 5 en 6 september 1995 werd Anguilla getroffen door de orkaan Luis. Ten gevolge hiervan heeft het hotel/resort schade geleden. Een orkaan is een "peril" in de zin van art. 1 van de verzekeringsvoorwaarden.

(v) Op 10 november 1995 heeft Casablanca het hotel/resort verkocht aan thans verzoekster van cassatie, hierna: Sonesta. Over de koopprijs van US$ 10 miljoen was reeds in augustus 1995 overeenstemming bereikt. De overdracht vond plaats op 28 november 1995.

(vi) In november 1995 heeft Casablanca aan Sonesta verkocht de rechten/aanspraken van Casablanca op schadepenningen op grond van de bedrijfsschadeverzekering ter zake van schade als gevolg van de orkaan Luis voor zover betrekking hebbend op de periode vanaf 1 maart 1996. De overdracht van deze rechten heeft bij akte van cessie van 28 november 1995 plaatsgevonden. Bij brief d.d. 6 december 1995 is de cessie aan Ennia medegedeeld, die deze vervolgens op 8 december 1995 heeft erkend.

(vii) In maart 1996 heeft Casablanca aan Sonesta verkocht alle rechten uit de bedrijfsschadepolis, voorzover betrekking hebbend op de periode vanaf 5 september 1995 tot eind februari 1996. De overdracht van deze rechten heeft bij akte van cessie van 21 maart 1996 plaatsgevonden. Bij brief d.d. 12 april 1996 is de cessie ter kennis van Ennia gebracht. Ennia heeft de cessie bij faxbericht van 8 mei 1996 erkend.

(viii) De exploitatie van het hotel/resort, die door de orkaan was komen stil te liggen, is op 18 januari 1996 hervat.

3. Sonesta heeft bij inleidend verzoekschrift d.d. 7 januari 1997 Ennia in rechte betrokken voor het Gerecht in Eerste Aanleg, zittingsplaats Curaçao. Voor zover thans nog van belang vorderde Sonesta, na wijziging van eis, dat Ennia aan zowel Casablanca als Sonesta dekking moet verlenen en alle bedrijfsschade onder de limieten en voorwaarden van de polis aan hen moet vergoeden.

4. Ennia heeft de vordering weersproken en heeft zich onder meer beroepen op art. 5.3 van de polisvoorwaarden. Zij stelt zich op het standpunt dat, doordat Casablanca het hotel op 28 november 1995 heeft overgedragen aan Sonesta, zich het geval voordoet dat "the insured's business is permanently discontinued", zodat "the period of indemnity" ingevolge genoemd art. 5.3 is beperkt tot 13 weken.

5. In zijn vonnis d.d. 19 april 1999 heeft het GEA het verweer van Ennia verworpen en voor recht verklaard

"dat Ennia ingevolge de bedrijfsschadeverzekering in kwestie dekking moet verlenen aan Casablanca tot de datum van overdracht (te betalen aan Sonesta voor zover aan Sonesta gecedeerd) en daarna aan Sonesta vanaf de datum van overdracht."

Daartoe overwoog het GEA, kort weergegeven, het volgende. De overdracht kan niet gelijkgesteld worden met het staken van de onderneming, aangezien de wet aan die overdracht de voortzetting van de verzekering ten behoeve van de verkrijger verbindt. De verzekeringsovereenkomst knoopt daar in artikel 23 bij aan (r.o. 5.1). De aanspraak op vergoeding zet zich, van dag tot dag zolang de gedekte schade voortduurt, voort over de termijn die de polis stelt (r.o. 6.1). De voortzetting strekt vanaf de datum van overdracht ten behoeve van de rechtsopvolgster, Sonesta, want vanaf die dag gaat het om háár bedrijf, dus haar belang (r.o. 6.3). Dit brengt mee dat die aanspraak vanaf de datum van overdracht niet meer toekwam aan Casablanca en dus, voor zover zij de periode na de overdracht betreft, niet gecedeerd kon worden aan Sonesta; Sonesta heeft over de periode vanaf die dag een eigen aanspraak (r.o. 6.4). Waar de overeenkomst niet is voortgezet op de wijze voorzien in art. 23 van de verzekeringsvoorwaarden, is de verzekeringsovereenkomst volgens de regeling van dat artikel een maand na de overdracht geëindigd (r.o. 7.1 t/m 7.3). Beëindiging van een verzekeringsovereenkomst beëindigt echter niet een reeds ontstane dekkingsplicht (r.o. 7.4). De conclusie is derhalve dat Ennia onder de tijdslimiet en overige voorwaarden van de polis tot de datum van overdracht aan Casablanca en na de datum van overdracht aan Sonesta moet uitkeren (r.o. 7.5).

6. Ennia is van het vonnis van het GEA in hoger beroep gegaan bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. Sonesta tekende incidenteel hoger beroep aan.

7. Ennia had succes. Bij vonnis d.d. 2 mei 2000 heeft het Gemeenschappelijk Hof het vonnis van het GEA op het principaal appèl vernietigd en, opnieuw recht doende, voor recht verklaard

"dat Sonesta jegens Ennia een vorderingsrecht heeft ter zake van de in artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden bedoelde bedrijfsschade van Casablanca over een periode van maximaal 13 weken, aanvangende op 6 september 1995",

onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Het Hof was, met Ennia, van oordeel dat op grond van de onderhavige verzekeringsovereenkomst jegens Ennia slechts gedurende maximaal de in art. 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden genoemde termijn van 13 weken aanspraak kan worden gemaakt op vergoeding van de in art. 1.1 van die voorwaarden bedoelde bedrijfsschade. Daartoe overwoog het Hof (r.o. 4.4.2):

"Blijkens artikel 1.1 van de verzekeringsvoorwaarden in verbinding met pagina 1 van het polisblad voorziet de verzekering in de dekking van het risico van winstderving en van de uitgaven van vaste lasten indien de onderneming van de verzekerde geheel of gedeeltelijk tot stilstand wordt gebracht. Gelet hierop moet artikel 5.3 van de verzekeringsvoorwaarden aldus worden uitgelegd dat sprake is van "permanently discontinue" van "the insured's business" als het hotel/resort door de verzekerde (lees: Casablanca) niet blijvend wordt voortgezet. De uitleg van Sonesta dat onder de "insured's business" moet worden verstaan het hotel/resort, ongeacht wie de eigenaar van het hotel/resort is en ongeacht wie het hotel exploiteert wordt verworpen. Aanvaarding van deze uitleg zou in strijd zijn met het beginsel dat een verzekering, behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde. Bovendien zou de uitleg van Sonesta betekenen dat de verzekeraar niet de vrijheid zou hebben te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet of (zoals in casu) niet langer te accepteren. Dit is met name van belang in een geval als het onderhavige waarbij de omvang van de verzekerde schade c.q. het door de verzekeraar te dekken risico in belangrijke mate afhankelijk is van de wijze waarop het hotel/resort door de verzekerde wordt geëxploiteerd.

Gelet op het bepaalde in artikel 23.1.1 van de verzekeringsvoorwaarden heeft de verzekeraar van zijn bevoegdheid tot weigering van een opvolgend eigenaar van het hotel/resort als verzekerde geen afstand gedaan, nu dit artikel de verzekeraar de mogelijkheid biedt om de verzekering met die opvolger niet voort te zetten."

Voorts overwoog het Hof dat Casablanca niet meer rechten dan zij zelf heeft aan Sonesta kan cederen, zodat de cessies die betrekking hebben op aanspraken op verzekeringspenningen over de periode na de overdracht, rechtskracht missen (r.o. 4.5).

In het incidenteel appèl verwierp het Hof de grieven van Sonesta wegens gebrek aan belang (r.o. 4.9.2 en 4.9.3).

8. Sonesta is tegen het vonnis van het Hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit vijf onderdelen opgebouwd middel. Ennia heeft een verweerschrift in cassatie ingediend en daarbij de Hoge Raad verzocht het cassatieberoep te verwerpen.

9. De onderdelen 1 en 2 van het middel bestrijden de verwerping door het Hof van de in het incidenteel appèl door Sonesta aangevoerde grieven, terwijl de onderdelen 3, 4 en 5 betrekking hebben op het oordeel van het Hof dat de periode waarover Ennia gehouden is tot uitkering maximaal 13 weken bedraagt.

10. Ik bespreek eerst de onderdelen 3 t/m 5. Centraal in deze onderdelen staat de klacht dat door het Hof gegeven uitleg aan art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden, mede gezien de bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA, onbegrijpelijk is.

11. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende vooropgesteld te worden. Art. 330 lid 1 WvK NA, dat gelijkluidend is aan art. 263 lid 1 (oud) van het Nederlandse WvK, bepaalt het volgende:

"Bij verkoop en andere eigendomsovergang van verzekerde voorwerpen loopt de verzekering ten voordele van de koper of nieuwe eigenaar, zelfs zonder overdracht, voor zover schaden betreft, opgekomen nadat het voorwerp ten bate of schade van de koper of nieuwe verkrijger is gekomen, alles tenzij het tegendeel tussen de verzekeraar en de oorspronkelijke verzekerde ware bedongen."

Naar aanleiding van de invoering van het huidige Nederlandse BW is de redactie van art. 263 (oud) WvK gewijzigd. Daarmee werd geen inhoudelijke wijziging beoogd. In het toekomstige verzekeringsrecht wordt deze materie geregeld in art. 7.17.2.5 NBW. Belangrijkste wijziging is dat, anders dan onder het huidige recht, de looptijd van de verzekering ten behoeve van de nieuwe rechthebbende niet onbeperkt is; de verzekering blijft slechts gedurende één maand doorlopen. Zie hierover F. Stadermann, in: Het nieuwe verzekeringsrecht, een eerste verkenning van 7.17 NBW (2000), blz. 107-109; T.J. Dorhout Mees, Nederlands handels- en faillissementsrecht III*, het nieuwe verzekeringsrecht (1987), blz. 60-62.

12. De regel van art. 330 WvK NA wordt veelal samengevat als "verzekering volgt belang". Blijkens HR 13 februari 1930, NJ 1930, blz. 415 nt. EMM wordt hiermee bedoeld dat

"bij den daarbedoelde overgang van het risico, de overeenkomst van verzekering ten opzichte van den oorspronkelijke een einde neemt en de daaruit voortspruitende rechten en verplichtingen in vollen omvang op den kooper of nieuwe verkrijger overgaan."

Het probleem dat de verzekeraar aldus een onbekende en wellicht ongewenste nieuwe verzekerde krijgt opgedrongen, wordt ondervangen doordat de wettelijke regeling van aanvullend recht is. Of in de woorden van de Hoge Raad in zijn zojuist geciteerde arrest:

"dat, zeker, dusdoende de verzekeraar zijnen medecontractant verliest, en, onafhankelijk van zijnen wil, een ander in diens plaats gesteld ziet, maar de wettelijke regeling geldt tenzij het tegendeel tusschen den verzekeraar en den oorspronkelijke verzekerde is overeengekomen, zoodat de wet zelve het middel aangeeft, om een mogelijk ongewenscht gevolg van haar stelsel te ontgaan."

Zie ook HR 9 maart 1956, NJ 1959, 135.

13. Het in art. 330 lid 1 WvK NA uitgedrukte beginsel brengt mee dat de aanspraak jegens de verzekeraar op vergoeding van schade ontstaan door een schade-evenement dat heeft plaatsgevonden na de eigendomsovergang van het verzekerde voorwerp toekomt aan de nieuwe eigenaar van de zaak. Is de schade gevallen voordat het verzekerde voorwerp in eigendom is overgegaan, dan blijft aanspraak op schadevergoeding van de oorspronkelijk verzekerde heeft, bij deze berusten. De aanspraak kan slechts door middel van cessie worden overgedragen aan de nieuwe eigenaar. Vgl. T.J. Dorhout Mees, Schadeverzekeringsrecht, 1967, blz. 142/143; Asser-Clausing 5-VI (1998), nr. 213.

14. Bij een bedrijfsschadeverzekering als de onderhavige vallen gevaarsobject, d.w.z. de lichamelijke zaak waaraan de ramp zich zou kunnen voltrekken ("the buildings and/or contents of the buildings and annexes and/or the objects located on the site"), en het voorwerp der verzekering, d.w.z. het verzekerde belang ("loss of net profits and all standing charges"), niet samen. Dat sluit de toepasselijkheid van de bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA m.i. niet uit. De verzekering waarop de bepaling ziet betreft verzekering van een belang dat is verbonden aan een bepaalde zaak. Bij een bedrijfsschadeverzekering als de onderhavige is het verzekerde belang (verlies aan bedrijfsinkomsten) verbonden aan een bepaalde zaak (het hotel/resort met aanhorigheden). De bepaling van art. 330 lid 1 WvK NA is hier dus, behoudens uitsluiting of afwijking in de polisvoorwaarden, van toepassing. Vgl. P.L. Wery, Hoofdzaken verzekeringsrecht, 8e dr. 1995, blz. 36.

15. De eigendomsovergang van het hotel/resort van Casablanca naar Sonesta vond plaats nadat de orkaan Luis de exploitatie van het hotel had stilgelegd. Brengt dit, afgezien van eventuele afwijkingen in de polisvoorwaarden, mee dat, nu het schade-evenement heeft plaatsgevonden vóór de eigendomsovergang, de aanspraak op vergoeding van de schade uitsluitend toekomt aan Casablanca en niet aan Sonesta, ook al is een deel van die schade pas opgetreden na de eigendomsovergang? Of moet worden aangenomen dat de aanspraak op vergoeding van de schade opgetreden vóór de eigendomsovergang toekomt aan Casablanca en de aanspraak op vergoeding van de schade opgetreden na de eigendomsovergang toekomt aan Sonesta? M.i. is dit laatste het geval. Het verzekerd belang is immers niet het eigenaarsbelang bij de opstallen en aanhorigheden van het hotel/resort, maar het bedrijfsbelang bij de exploitatie van het hotel/resort. De bedrijfsschade geleden na de eigendomsovergang kwam voor rekening van Sonesta, zodat, nu het verzekerde belang de exploitatie van het hotel/resort betrof, dit belang niet meer bij Casablanca doch bij Sonesta lag.

16. Tegen deze achtergrond is 's Hofs uitleg van de art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden inderdaad onbegrijpelijk.

17. Art. 23.1.1 regelt de overdracht van het verzekerd belang ("transfer of interest"). Het bepaalt dat in geval van "transfer by contract" de verzekering doorloopt ten gunste van de nieuwe rechthebbende gedurende één maand na de overdracht van het verzekerd belang; voor de periode daarna moet de nieuwe rechthebbende toestemming vragen aan de verzekeraar binnen acht dagen na de overdracht van het verzekerd belang. De bepaling van art. 23.1.1 regelt derhalve hetzelfde onderwerp als art. 330 lid 1 WvK NA. Zij sluit de wettelijke regeling niet uit, maar geeft daarop een beperking: de verzekering volgt het belang, doch slechts gedurende één maand na de overgang van het verzekerde voorwerp. Daarna loopt de verzekering slechts door ten gunste van de nieuwe eigenaar indien de verzekeraar instemt met een daartoe strekkend verzoek van de nieuwe eigenaar.

18. Beschouwd in het licht van de bepaling van art. 23.1.1 ligt het dan ook niet voor de hand dat de enkele overdracht van het verzekerde voorwerp door de oorspronkelijke verzekerde aan een derde moet worden aangemerkt als een geval waarin "the insured's business is permanently discontinued or liquidated" in de zin van art. 5.3 van de polisvoorwaarden. De bepaling van art. 23.1.1 is dan zinledig. De door het Hof gevolgde redenering waarom dit anders is (het beginsel dat een verzekering uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde; de vrijheid van de verzekeraar om te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet (langer) te accepteren), sluit niet. Uit art. 330 lid 1 WvK NA volgt immers dat in geval van eigendomsovergang van het verzekerde voorwerp de verzekering nu juist wel kan strekken ten voordele van de nieuwe verkrijger. Dat de verzekeraar daardoor een onbekende en wellicht ongewenste nieuwe verzekerde krijgt opgedrongen, wordt ondervangen doordat de wettelijke regeling van aanvullend recht is (vgl. HR 13 februari 1930, NJ 1930, blz. 415 nt. EMM).

19. De centrale klacht van de onderdelen 3 t/m 5 van het middel acht ik derhalve gegrond. Ik loop de afzonderlijke in deze onderdelen opgeworpen klachten langs.

20. Dat de eerste motiveringsklacht van onderdeel 3 gegrond is, volgt uit het vorenstaande. In het licht van de door Sonesta verdedigde uitleg van de bepaling van art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden is niet begrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat onder het geval waarin "the insured's business is permanently discontinued or liquidated" als bedoeld in art. 5.3 van de polisvoorwaarden tevens begrepen moet worden het geval waarin de oorspronkelijke verzekerde het verzekerde voorwerp verkoopt en overdraagt. De tweede motiveringsklacht van het onderdeel acht ik ongegrond. Anders dan het onderdeel betoogt, is binnen 's Hofs uitleg van de polisvoorwaarden, niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat Sonesta jegens Ennia slechts gedurende maximaal de in art. 5.3 genoemde termijn van 13 weken aanspraak op vergoeding van schade kan maken. Dit oordeel berust niet op de door het onderdeel aan het Hof toegeschreven opvatting dat art. 5.3 een regeling zou geven van de overgang van het belang, maar op de opvatting dat in dit geval ingevolge art. 5.3 de maximale duur van de schadevergoeding 13 weken bedraagt en dat deze aan Casablanca toekomende aanspraak op 13 weken schadevergoeding door Casablanca aan Sonesta is gecedeerd (r.o. 4.4.3 en 4.5).

21. De klacht van subonderdeel 4.1 mist feitelijke grondslag. Het Hof doelt in de bestreden overweging niet op het indemniteitsbeginsel, maar kennelijk op het beginsel dat alleen partijen aan de overeenkomst rechten of plichten kunnen ontlenen.

22. Subonderdeel 4.2 betoogt terecht dat, zonder nadere motivering, onbegrijpelijk is het oordeel van het Hof dat art. 5.3 van de polisvoorwaarden tevens ziet op het geval waarin de oorspronkelijke verzekerde het verzekerde voorwerp in eigendom overdraagt. Zoals gezegd, is deze uitleg zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet goed begrijpelijk in verband met het bepaalde in art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden dat nu juist de strekking lijkt te hebben dat bij overgang van het verzekerde voorwerp de verzekering doorloopt ten voordele van de nieuwe rechthebbende.

23. Subonderdeel 4.3 klaagt terecht dat het Hof in r.o. 4.2.2 de regel van art. 330 WvK NA heeft miskend door te overwegen dat een verzekering behoudens wanneer het tegendeel wordt overeengekomen, uitsluitend strekt ter dekking van het belang van de verzekerde. Eveneens terecht is de klacht dat het Hof er voorts aan voorbij heeft gezien dat art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden een regeling voor de overgang van het verzekerd belang bevat, zodat niet begrijpelijk is 's Hofs overweging dat de uitleg van Sonesta zou betekenen dat de verzekeraar niet de vrijheid zou hebben te beslissen om een verzekerde die hem niet aanstaat niet (langer) te accepteren.

24. Eveneens gegrond is de klacht van subonderdeel 4.4 die strekt ten betoge dat het Hof voorbij is gegaan aan de stelling van Sonesta dat de verzekeringsovereenkomst ingevolge art. 23.1.1 van de polisvoorwaarden door haar is voortgezet. Voor zover 's Hof overweging dat de verzekeraar van zijn bevoegdheid tot weigering van een opvolgend eigenaar van het hotel/resort als verzekerde geen afstand heeft gedaan, moet worden aangemerkt als de motivering van 's Hofs oordeel dat die stelling niet opgaat, is die motivering niet begrijpelijk. Dat de verzekeraar geen afstand heeft gedaan van zijn door het Hof bedoelde bevoegdheid, sluit het betoog van Sonesta dat ingevolge art. 23.1.1 de verzekering gedurende enige tijd doorloopt ten voordele van de nieuwe rechthebbende niet uit.

25. De klacht van subonderdeel 4.5 mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft, anders dan het subonderdeel betoogt, aan zijn oordeel dat het geval als bedoeld in art. 5.3 van de polisvoorwaarden zich heeft voorgedaan, niet de conclusie verbonden dat de verzekeringsovereenkomst is geëindigd, doch slechts dat de maximale aanspraak op schadevergoeding is beperkt tot 13 weken. Het oordeel van het Hof dat Sonesta aan de verzekering niet (rechtstreeks) een aanspraak op schadevergoeding jegens Ennia kan ontlenen berust evenmin op het oordeel dat de verzekeringsovereenkomst zou zijn beëindigd; het berust op 's Hofs oordeel dat Sonesta aan de tussen Casablanca en Ennia gesloten verzekeringsovereenkomst geen rechten kan ontlenen.

26. De op de onderdelen 3 en 4 voortbouwende klachten van onderdeel 5 tegen 's Hofs overwegingen in r.o. 4.6 t/m 4.8 treffen doel voor zover de klachten van de onderdelen 3 en 4 doel treffen.

27. Resteert nog de bespreking van de onderdelen 1 en 2 van het middel, die opkomen tegen de verwerping door het Hof van de in het incidenteel appèl door Sonesta aangevoerde grieven.

28. De onderdeel 1 richt zich tegen r.o. 4.9.2, waarin het Hof de eerste incidentele grief van Sonesta verwerpt. De grief heeft betrekking op de - door het GEA in ontkennende zin beantwoorde - vraag of Sonesta (tijdig) aan Ennia heeft verzocht de verzekering van Casablanca te mogen overnemen. Het Hof heeft de grief verworpen op grond van de overweging dat Sonesta daarbij geen belang heeft, aangezien de eventuele overgang van de verzekering niet meebrengt dat Sonesta aanspraak kan maken op schade die het gevolg is van een evenement dat zich voor die overgang heeft voorgedaan.

29. Het onderdeel treft doel. 's Hofs oordeel berust kennelijk op zijn uitleg van art. 5.3 en 23.1.1 van de polisvoorwaarden, welke uitleg door de onderdelen 3 t/m 5 van het middel terecht als onbegrijpelijk is bestreden.

30. Onderdeel 2 keert zich tegen r.o. 4.9.3 waarin het Hof de tweede incidentele grief van Sonesta verwerpt. De grief heeft betrekking op de - door het GEA eveneens in ontkennende zin beantwoorde - vraag of tot de verzekerde bedrijfsschade ook de schade moet worden gerekend die na heropening van het hotel/resort is geleden doordat het gastenaanbod als gevolg van de maandenlange sluiting langzaam op gang kwam en niet meteen weer op het oude niveau was. Naar 's Hofs oordeel strandt ook deze grief op gebrek aan belang, zulks omdat de uitkeringsplicht van Ennia beperkt is tot 13 weken.

31. Waar ook dit oordeel van het Hof kennelijk is gebaseerd op 's Hofs - door de onderdelen 3 t/m 5 terecht bestreden - uitleg van de polisvoorwaarden, treft het doel.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot terugwijzing van de zaak naar het Gemeenschappelijk Hof ter verdere behandeling en beslissing.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,