Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
02-04-2002
Zaaknummer
C00/214HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 197
JWB 2002/117
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. C00/214HR

Mr. Huydecoper

Zitting 11 januari 2002

Conclusie inzake

[Eiser 1] en [eiseres 2]

eisers tot cassatie

tegen

[Verweerster]

verweerster in cassatie

Feiten en procesverloop

1) Het gaat in deze zaak om de vraag of een tussen de eisers tot cassatie ([eiser] c.s.) als verhuurders en de verweerster in cassatie ([verweerster]) als huurster geldende huurovereenkomst voor een bedrijfspand(1) met wederzijds goedvinden (stilzwijgend) is beëindigd.

2) De in cassatie relevante feiten zijn vastgesteld in het vonnis van de kantonrechter van 23 september 1999. De rechtbank heeft deze (in hoger beroep niet bestreden) feiten in het in cassatie aangevochten vonnis van 18 april 2000 overgenomen.

3) De kern van het feitencomplex komt erop neer(2) dat [verweerster] de bedrijfsruimte waar het om gaat van [eiser] c.s. in huur had voor een bepaalde tijd, die tot 6 mei 1999 zou voortduren. De huurprijs bedroeg (laatstelijk) ca. f 2090,-/maand. [verweerster] had echter inmiddels geen emplooi meer voor de bedrijfsruimte, en had het effectieve gebruik daarvan medio 1997 gestaakt. Met goedvinden van [eiser] c.s. heeft [verweerster] een andere huurder voor het object gezocht. Met deze (candidaat) huurder, (het echtpaar) [A], hebben [eiser] c.s. per 1 april 1998 een huurovereenkomst gesloten voor de duur van 5 jaar(3), en tegen een huurprijs die niet onaanzienlijk hoger was dan de voor [verweerster] geldende huurprijs (namelijk f 35.000,-/jaar). [A] is echter de "nieuwe" huurovereenkomst niet nagekomen. [Eiser] c.s. hebben de overeenkomst met [A] ontbonden(4) en alsnog van [verweerster] nakoming van de met deze gesloten huurovereenkomst gevorderd.

4) Tegen die achtergrond legden partijen aan de rechter voor of de tussen hen bestaande huurovereenkomst als (stilzwijgend, met wederzijds goedvinden) beëindigd moest worden aangemerkt. In eerste aanleg nam de kantonrechter dat niet aan, maar in appel oordeelde de rechtbank anders.

[Eiser] c.s. vechten dat oordeel in cassatie aan. [Verweerster] is in cassatie niet verschenen. [Eiser] c.s. hebben het cassatiemiddel schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Het eerste onderdeel van het middel klaagt erover dat de motivering van de beslissing van de rechtbank m.b.t. de (stilzwijgend) tot stand gekomen overeenkomst tot beëindiging van de huur gebrekkig zou zijn, omdat daaruit niet zou blijken dat de rechtbank een aantal van de namens [eiser] c.s. aangevoerde argumenten in de beoordeling heeft betrokken (en dus ook niet hoe de rechtbank die argumenten heeft gewaardeerd).

6) Deze klacht is gericht tegen een vaststelling die in overwegende mate op feitelijke waardering van de omstandigheden van het geval berust. Terecht gaat het middelonderdeel er dan ook van uit dat in cassatie alleen toetsing op begrijpelijkheid van de gegeven motivering mogelijk is, en niet (her)beoordeling van de beslissing zelf(5). De begrijpelijkheid van een dergelijke beslissing kan echter inderdaad onder de maat zijn, o.a. wanneer wezenlijke argumenten van de procespartijen bij de beoordeling niet (voldoende) in aanmerking zijn genomen(6).

7) De eisen die aan de motivering van een beslissing als de onderhavige gesteld worden, mogen echter niet worden overtrokken. Het is voldoende dat uit de beslissing valt op te maken hoe de rechter tot het betreffende oordeel is gekomen (en dat dat oordeel op een plausibele gedachtegang berust). Daarbij hoeft niet noodzakelijkerwijs expliciet te blijken waarom de rechter argumenten die voor een beslissing in andere zin pleiten, onvoldoende zwaarwegend heeft bevonden(7).

8) Verder lijkt het mij in het algemeen geoorloofd om, behoudens duidelijke aanwijzingen voor het tegendeel, ervan uit te gaan dat de rechter alles wat de partijen ter ondersteuning van hun standpunten hebben aangevoerd in zijn oordeel heeft betrokken - ook als de gegeven motivering daar niet expliciet blijk van geeft.

9) Als de rechter een door de ene procespartij verdedigde uitleg van - bijvoorbeeld - de uitingen en gedragingen die tot een overeenkomst zouden hebben geleid volgt, ligt daarin in veel gevallen al (voldoende duidelijk) besloten dat die rechter de aangevoerde argumenten ten gunste van de aldus aanvaarde uitleg van méér gewicht heeft geoordeeld, dan de argumenten van de tegengestelde strekking. Dan kan de betreffende beslissing al daardoor als voldoende gemotiveerd gelden - ook al bestaat de motivering uit niet méér dan de vaststelling dat de uitleg die daarbij is aanvaard, de meest aannemelijke is.

10) In aanmerking is nog te nemen, dat de rechter bij zijn beoordeling van de uitleg van uitingen of gedragingen zoals die in deze zaak aan de orde waren, niet gebonden is aan de argumenten die partijen hadden aangedragen. De rechter kan een zelf ontwikkelde gedachtegang aan zijn uitleg ten grondslag leggen, met voorbijgaan aan de door de partijen verdedigde uitlegargumenten(8). Hij kan echter ook partijargumenten of partijstandpunten van de ene partij honoreren, met (al-dan-niet impliciete) verwerping van de argumenten die voor de tegengestelde opvatting zijn aangevoerd (en ik denk dat de bestreden beslissing in deze zaak ook zo moet worden begrepen, dat de rechtbank dit laatste heeft gedaan).

11) Met het oog op de zojuist aangestipte uitgangspunten geldt, dat het uitzondering is en geen regel dat de motivering van een beslissing over de aan uitingen en/of gedragingen toe te kennen betekenis moet worden beoordeeld als onvoldoende begrijpelijk, (alleen) omdat daarin niet is ingegaan op argumenten die voor een andere uitleg zijn verdedigd. Het kan zelfs zo zijn dat een (nadere) motivering om aan te geven waarom één bepaalde lezing van uitingen en/of gedragingen plausibeler voorkomt dan de andere, niet of nauwelijks gegeven kan worden - zoals vaak ook niet voor nadere motivering vatbaar is, waarom het ene bewijsgegeven de rechter geloofwaardiger voorkomt dan het andere. In zulke gevallen is nadere motivering niet te verlangen, en al daarom niet vereist.

12) Als ik de argumenten waarop het eerste middelonderdeel een beroep doet tegen deze achtergrond in ogenschouw neem, leidt dat ertoe dat die argumenten niet van dien aard zijn dat die tot een (nadere) motivering noopten, en dat bij gebreke van (nadere) motivering de beslissing van de rechtbank niet aan de toets voor begrijpelijkheid voldoet.

Ik merk daarbij op dat [eiser] c.s. de huurovereenkomst met [A] sloten in de wetenschap dat [verweerster] een nieuwe huurcandidaat had voorgedragen met het oog op de tussentijdse beëindiging van de verplichtingen uit hoofde van haar eigen huurovereenkomst, en zonder (uitdrukkelijk) t.o.v. [verweerster] enig voorbehoud te maken; en dat de huurovereenkomst met [A] voor een nadere periode van vijf jaar gold, en daarin een beduidend betere huurprijs was overeengekomen dan de door [verweerster] betaalde. Ik noem de twee laatste gegevens daarom, omdat het argument van [eiser] c.s. (schriftelijke toelichting, al. 2.4, aanhef) dat zij er geen enkel belang bij hadden om een nieuwe huurovereenkomst te sluiten zolang zij (nog) opbrengsten uit de bestaande huurovereenkomst met [verweerster] mochten verwachten, daardoor aanzienlijk aan betekenis verliest.

13) De in middelonderdeel 1 onder i en ii genoemde omstandigheden maken slechts deel uit van de achtergrond waartegen het onderhavige conflict heeft kunnen ontstaan. Die omstandigheden pleiten niet bepaaldelijk voor het door [eiser] c.s. verdedigde standpunt. Zij behoefden al daarom niet specifiek in de motivering van de beslissing van de rechtbank te worden betrokken. Overigens is evident dat de rechtbank van deze gegevens uit is gegaan, en dat de rechtbank daar dus niet aan voorbij is gegaan.

14) De in dit middelonderdeel onder vii en viii genoemde gegevens zijn voor de vraag hoe [verweerster] de door [eiser] c.s. bij gelegenheid van het aangaan van de huurovereenkomst met [A] ingenomen houding redelijkerwijs heeft mogen opvatten, van zeer ondergeschikte betekenis. Die gegevens hebben zich pas na de door de rechtbank vastgestelde (stilzwijgende) beëindiging voorgedaan, en kunnen al daarom de perceptie die partijen van elkaars houding t.t.v. die beëindiging mochten hebben, niet in belangrijke mate hebben beïnvloed.

[Eiser] c.s. hebben in de feitelijke instanties verdedigd dat deze gegevens zouden suggereren dat (ook) [verweerster] zelf (later) de houding van [eiser] c.s. anders bleek op te vatten dan [verweerster] in deze procedure heeft verdedigd. Dat is een bijkomend argument van betrekkelijk ondergeschikt belang, en een argument dat bepaald niet tot de door [eiser] c.s. daaraan verbonden gevolgtrekkingen dwingt. Ik meen dan ook dat de rechtbank daaraan zonder expliciete motivering voorbij mocht gaan.

15) De in middelonderdeel 1 onder iii en iv weergegeven stellingen zijn in de feitelijke instanties door [eiser] bepaald met minder stelligheid en duidelijkheid naar voren gebracht dan thans in cassatie wordt gesteld - zie daarvoor bijvoorbeeld al. 8 van de conclusie van repliek. Reeds daarom kon de motivering die het cassatiemiddel verlangt (en die op een wezenlijk anders opgezet betoog van [eiser] c.s. zou zien), niet van de rechtbank worden verlangd.

16) Voor het overige laat de beslissing van de rechtbank er geen twijfel over bestaan dat zij, de rechtbank, het betoog van [eiser] c.s. dat ertoe strekte dat [verweerster] had moeten begrijpen dat [eiser] c.s. slechts onder voorbehoud met [A] contracteerden, en dat ook hun bereidheid om [verweerster] uit de bestaande huurovereenkomst te ontslaan in zoverre geclausuleerd was, als niet aannemelijk heeft beoordeeld. Het betrof hier een van de voornaamste punten waarover partijen in deze procedure verschilden. Daaraan is de rechtbank dan ook klaarblijkelijk niet voorbij gegaan; en in het verlengde daarvan is aannemelijk dat de rechtbank ook de in onderdeel 1 onder v en vi aangeduide gegevens niet buiten beschouwing heeft gelaten. De rechtbank heeft over dit geschilpunt en over deze gegevens anders geoordeeld dan [eiser] c.s. verdedigden. Over dat oordeel kan men - wil ik de steller van het middel toegeven - ook heel goed anders te denken; maar het blijft binnen de marge van souvereine waardering die aan de feitelijke rechter toekomt. Het is niet onbegrijpelijk.

17) In de schriftelijke toelichting (nr. 2.9) doen [eiser] c.s. een beroep op de ingrijpende gevolgen van de beslissing van de rechtbank, kennelijk om aan te geven dat daardoor de motiveringsplicht een extra nadruk krijgt - een gedachte die o.a. steun vindt bij Asser op de in voetnoot 7 genoemde plaats. Dit argument mist echter een feitelijke basis: men kan de gevolgen van de onderhavige beslissing van de rechtbank niet als "ingrijpend" betitelen. Er was in de feitelijke instanties dan ook niet gesteld dat dat zo zou zijn.

18) Daarom meen ik dat middelonderdeel 1 niet opgaat.

19) Onderdeel 2 van het middel gaat uit van de veronderstelling dat de rechtbank heeft aangenomen dat [eiser] c.s. rechten uit hoofde van de huurovereenkomst met [verweerster] hebben verwerkt. Die veronderstelling mist volgens mij feitelijke grondslag. De beslissing van de rechtbank strekt er klaarblijkelijk toe dat de huurovereenkomst is beëindigd met (stilzwijgend) wederzijds goedvinden, en dus op de voet van een stilzwijgend aangegane overeenkomst. Rov. 3.4 van het bestreden vonnis laat in dat opzicht geen ruimte voor twijfel.

20) Het middelonderdeel kan er dan ook, op zichzelf terecht, op wijzen dat de beslissing van de rechtbank geen feiten inhoudt die een beroep op rechtsverwerking zouden hebben kunnen onderbouwen ([verweerster] had overigens wel feiten gesteld die volgens haar een beroep op rechtsverwerking zouden ondersteunen, maar de rechtbank is aan wat [verweerster] in dit opzicht had gesteld, m.i. niet toegekomen). Dit onderstreept slechts dat de beslissing van de rechtbank niet op rechtsverwerking aan de kant van [eiser] c.s. betrekking heeft.

21) Dat betekent dat ik ook middelonderdeel 2 niet gegrond acht.

Conclusie

Ik meen dat het cassatieberoep zou moeten worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De stukken wekken de indruk dat het gehuurde moet worden aangemerkt als bedrijfsruimte waarop de art. 7A:1624 e.v. BW niet van toepassing zijn (overeengekomen is, dat in de ruimte een makelaarskantoor zou worden gedreven). Voor de beoordeling van deze zaak is de kwalificatie als bedrijfsruimte overigens niet van belang.

2 Daarbij vermeld ik een enkele keer feiten zoals die uit onbestreden processtukken blijken, maar die niet door de rechters in feitelijke aanleg zijn vastgesteld.

3 Ditmaal voorzag de huurovereenkomst (wel) in gebruik van het gehuurde als bedrijfsruimte op de voet van art. 7A:1624 BW (nl. als winkel voor behang en schilderswerk). De huurtermijnen van "5 + 5" jaar die met [A] werden overeengekomen, sluiten aan bij de in art 7A:1625 en 7A:1626 BW voorziene termijnen.

4 Deze ontbinding zou, in strijd met art. 7A:1636 BW, buitengerechtelijk zijn bewerkstelligd. Zie voor de (ir)relevantie van dit gegeven het vonnis in de eerste aanleg, p. 4, derde alinea.

5 Uit de recente rechtspraak verwijs ik naar HR 19 oktober 2001, RvdW 2001, 161, rov. 3.4.1; HR 4 februari 2000, NJ 2000, 562 m.nt. JBMV, rov. 3.3; de conclusie van A-G Hartkamp bij HR 2 maart 2001, NJ 2001, 304, nrs. 13 en 14; zie ook Asser-Hartkamp 4 II (2001), nr. 284; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Korthals Altes, aant. 11 bij art. 99 RO (p. I.11- 870a - d).

6 Zie over dit motiveringsgebrek bijv. Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken (1989), nr. 118, met verwijzing naar HR 3 januari 1975, NJ 1975, 327 en HR 1 juli 1977, NJ 1978, 73 m.nt. GJS.

7 De motiveringsplicht van de (civiele) rechter wordt nader beschreven door Korthals Altes in Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), p. I.11 871 - 873 en in "Gemotiveerd Gehuldigd" (van Boeschoten bundel 1993), p. 100 -102; en bij Veegens-Korthals Altes-Groen, Cassatie in Burgerlijke Zaken (1989), nrs. 119 -122, zie met name nr. 120. Zie ook Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Asser, aant. 8 bij art. 59.

8 Zie daarvoor bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4-II (2001), nr. 288; HR 23 juni 1995, NJ 1996, 566 m.nt. HJS, rov. 3.4.3, de noot onder dit arrest, nr. 2, en de daar aangehaalde verdere vindplaatsen.