Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8181

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
C00/191HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 193
JWB 2002/126
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. A.S. Hartkamp

nr. C2000/191

Zitting 11 januari 2002

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

1) [Verweerster 1]

2) (De gezamenlijke erven van) [verweerder 2]

3) [Verweerder 3]

Feiten en procesverloop

1) Voor de feiten moge ik verwijzen naar het tussenarrest van het Gerechtshof te 's Hertogenbosch van 26 mei 1998 (r.o. 4.1). Voor zover in cassatie van belang komt de zaak hierop neer. De eiseres tot cassatie, hierna te noemen [eiseres], heeft in 1982 met ene [betrokkene A] een overeenkomst gesloten, waarbij zij zich verbond werkzaamheden te verrichten ten behoeve van een bouwproject op percelen grond toebehorend aan de verweerders in cassatie, hierna te noemen [verweerder]. [Betrokkene A] was door [verweerder] als projectontwikkelaar aangetrokken. Blijkens art. 4 van de overeenkomst (prod. 1 bij conclusie van antwoord) zijn partijen onder meer overeengekomen

"De levering van diensten en werkzaamheden t.b.v. het voorlopig en definitief ontwerp zullen vooralsnog op basis van "no cure no pay" door en voor risico van de architect worden verricht, met dien verstande dat geen honorering zal plaatsvinden als het projekt geen doorgang vindt."

2) [Eiseres] heeft naast [betrokkene A] (die in hoger beroep en cassatie geen partij meer is) ook [verweerder] aangesproken tot betaling van de door haar verrichte diensten. Daartoe heeft zij blijkens het tussenvonnis van de Rechtbank te Roermond van 14 dec. 1995 aangevoerd (i) dat [verweerder] tot de door haar met [betrokkene A] gesloten overeenkomst was toegetreden; (ii) dat de fase van "no cure no pay" in 1991 was beëindigd, en (iii) dat zij extra-werkzaamheden had verricht (waaronder het maken van maquettes) die buiten de "no cure no pay"-bepaling vielen en die dus in elk geval moesten worden betaald.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis de stelling onder (i) aanvaard, zodat [verweerder] naast [betrokkene A] als contractspartij werd aangemerkt. In het eindvonnis van 7 augustus 1997 heeft de rechtbank ook stelling (ii) aanvaard en de vordering van [eiseres] toegewezen.

3) Op het hoger beroep van [verweerder] heeft het Hof in zijn voormelde tussenarrest als eerste de meest verstrekkende grief behandeld, die betrekking had op de vraag of [verweerder] als contractspartij kan worden aangemerkt. Oordelend dat dit voorshands niet kan worden afgeleid uit de gedingstukken, heeft het terzake van de toetreding door [verweerder] tot de overeenkomst een bewijsopdracht aan [eiseres] verstrekt. Bij eindarrest van 17 april 2000 heeft het hof het bewijs niet geleverd geacht en de vordering van [eiseres] ten aanzien van [verweerder] afgewezen.

4) [Eiseres] heeft tegen 's hofs arresten tijdig beroep in cassatie ingesteld en een middel aangevoerd dat uit twee onderdelen bestaat. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Onderdeel A voert aan dat het hof zijn onderzoek van de vraag of [verweerder] contractueel gebonden is jegens [eiseres], ten onrechte heeft beperkt tot de vraag of [verweerder] naast [betrokkene A] als contractspartij dient te worden aangemerkt dan wel of vastgesteld kan worden of [verweerder] is toegetreden tot de in 1982 door [eiseres] en [betrokkene A] gesloten overeenkomst. De klacht voert daartoe aan dat [eiseres] immers heeft aangevoerd extra-werkzaamheden te hebben verricht die buiten de "no cure no pay"-bepaling opeisbaar zijn. Hieruit volgt, aldus het onderdeel, dat naar de stellingen van [eiseres] de grondslag van de gehoudenheid tot de betaling van deze extra-kosten niet ligt in de met [betrokkene A] gesloten overeenkomst (met daarin het "no cure no pay"-beding), doch in een rechtstreekse opdrachtverstrekking door [verweerder] aan [eiseres]. Onderdeel B stelt in aansluiting hierop dat beslissend is of tussen [eiseres] en [verweerder] wilsovereenstemming is ontstaan terzake van het verrichten van bepaalde werkzaamheden.

6) Ik meen dat het middel tevergeefs wordt voorgesteld. Het hof heeft de stellingen van [eiseres] kennelijk aldus verstaan dat zij [verweerders] gebondenheid heeft gebaseerd op haar toetreding tot de oorspronkelijke overeenkomst tussen [eiseres] en [betrokkene A] (zo al niet moet worden aangenomen dat [verweerder] vanaf het begin partij bij die overeenkomst is geweest). Die uitleg is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Immers, ook de rechtbank heeft blijkens haar tussenvonnis de stellingen van [eiseres] in die zin opgevat (zie hierboven, onder 2) en hetzelfde geldt voor [verweerder]: in de memorie van grieven heeft zij betwist het gerechtvaardigd vertrouwen te hebben gewekt dat zij tot de overeenkomst is toegetreden (zie p. 24). In het verlengde hiervan is de bewijsopdracht in het tussenarrest geformuleerd.

Van belang is ook dat in de gedingstukken zijdens [eiseres] niet alleen vaak wordt gesproken van toetreding van [verweerder] tot (of overneming door [verweerder] van) de overeenkomst tussen [eiseres] en [betrokkene A], maar ook dat [eiseres] de gehoudenheid van [verweerder] vaak zonder meer baseert op het contract. Voor een opsomming van de relevante plaatsen moge ik kortheidshalve verwijzen naar de schriftelijke toelichting zijdens [verweerder], p. 6/7.

Tegen deze achtergrond is het m.i. niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van [eiseres], waar deze sprak over door [verweerder] verstrekte opdrachten tot extra-werkzaamheden resp. tot werkzaamheden vallende buiten de "no cure no pay"-bepaling, niet aldus heeft begrepen dat [eiseres] doelde op opdrachten gebaseerd op een andere contractuele grondslag dan de overeenkomst van 1982 tussen [eiseres] en [betrokkene A].

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden