Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD8179

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-03-2002
Datum publicatie
29-03-2002
Zaaknummer
C00/176HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD8179
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 192
JWB 2002/125
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C00/176

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 11 januari 2002

Conclusie inzake

[De vrouw]

tegen

[De man]

Inleiding.

1. Partijen, verder ook: de vrouw en de man, zijn gewezen echtgenoten. Het onderhavige, in 1993 geëntameerde geding, betreft de vraag hoe tussen partijen die op huwelijkse voorwaarden waren gehuwd, dient te worden "afgerekend"; partijen strijden met name over de uitleg van die voorwaarden. In een eerste tussenarrest heeft het Hof de huwelijkse voorwaarden uitgelegd; alvorens verder te beslissen heeft het Hof tevens een boedelnotaris benoemd om partijen op de voet van 's Hofs uitleg tot overeenstemming over de verdeling te brengen. Na een eerste mislukte poging, een tweede tussenarrest met een nieuwe verwijzing naar de notaris en een tweede mislukte poging (met name de vrouw bleef vasthouden aan haar eigen interpretatie), is het Hof in een derde tussenarrest ertoe overgegaan zelf de verdeling van de boedel vast te stellen op basis van zijn eerdere beslissingen. Teneinde verder oponthoud te voorkomen heeft het Hof ervoor geopteerd de verdeling van de onroerende zaken reeds aanstonds te effectueren door in het dictum van zijn arrest de toebedeling aan de vrouw vast te stellen tegen gelijktijdige betaling van de "overwaarde-bedragen" aan de man. Het Hof heeft tevens in het dictum bepaald dat de vrouw uit de totale boedel tot zich kan nemen het nominale, door haar uit een schenking verkregen bedrag en dat partijen tot zich kunnen nemen, ieder voor zich, de zaken (effecten) en de nominale bedragen van de banktegoeden vermeld in de "Staat van aanbrengsten". Tevens heeft het Hof de man in het dictum opgedragen zijn contractspartij(en) te verzoeken de nodige stappen te ondernemen om het door hem opgebouwde pensioen te verrekenen volgens het systeem van de zogenaamde "voorwaardelijke verrekening". In een vierde tussenarrest heeft het Hof een deskundigenonderzoek gelast met betrekking tot de waardering van de onderneming van de vrouw onder verwijzing naar zijn eerdere, op zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden gegronde, beslissing dat alle onderdelen van deze onderneming aan de vrouw moeten worden toegescheiden tegen de netto-vermogenswaarde per 27 juli 1992. Vervolgens heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen dat vierde tussenarrest en tegen de eerdere tussenarresten; zij heeft daarbij 's Hofs uitleg van de voorwaarden bestreden. De man heeft betoogd dat de vrouw niet in haar beroep kan worden ontvangen nu 's Hofs derde tussenarrest met zijn partiële verdeling een deelarrest is dat inmiddels reeds in kracht van gewijsde is gegaan aangezien destijds tegen dat deelarrest geen cassatieberoep is ingesteld zodat thans 's Hofs uitleg van de huwelijkse voorwaarden, een uitleg waarop die partiële verdeling was gebaseerd, niet meer kan worden aangevochten. Voordat ik het cassatieberoep en de ontvankelijkheid daarvan bespreek, ga ik nader in op de feiten en op het verloop van het geding dat met name ook van belang is voor het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

De feiten.

2. In deze zaak heeft zich, kort samengevat, het volgende voorgedaan.

i) De man en de vrouw zijn op 23 augustus 1972 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken bij vonnis van 17 juni 1992, dat op 27 juli 1992 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers.

ii) De akte van huwelijkse voorwaarden, gedateerd 22 augustus 1972, bevat - onder meer - de volgende bepalingen:

Artikel 1

1. Er zal tussen de echtgenoten geen gemeenschap van goederen, hoe ook genaamd bestaan.

2. Ieder der echtgenoten is eigenaar van de zaken welke door hem ten huwelijk worden aangebracht of door erfrecht, legaat, lastbevoordeling, schenking of op andere wijze om niet worden verkregen en van de opleg van de tussen hen verdeelde onverteerde inkomsten, zomede van hetgeen daarvoor in de plaats treedt door belegging of wederbelegging.

Artikel 2

Ieder der echtgenoten is eigenaar van de kleren, het lijflinnen en de lijfsieraden, welke bij de ontbinding van het huwelijk of bij scheiding van tafel en bed bij hem in gebruik zijn, of tot zijn gebruik bestemd zijn, zonder enige verrekening en ongeacht wanneer door wie en op welke wijze zij zijn verkregen en zonder dat tegenbewijs mogelijk is.

Artikel 4

De kosten der huishouding, daaronder begrepen die van verzorging en opvoeding van de kinderen, komen ten laste van de inkomsten der echtgenoten.

Onverteerde inkomsten komen evenwel aan ieder der echtgenoten voor de helft toe, terwijl ieder der echtgenoten staande huwelijk het recht heeft om verdeling te vorderen van deze onverteerde inkomsten.

Artikel 6

Indien aan de echtgenoten staande huwelijk zaken, andere dan die bedoeld in artikel 2 opkomen en niet uit bescheiden blijkt dat zij behoren tot die bedoeld in artikel 1 lid 2 dezer akte, zal van die zaken een door beide echtgenoten te ondertekenen beschrijving moeten worden opgemaakt, behoudens nochtans de bevoegdheid van de beide echtgenoten of hun erfgenamen bij gebreke van zodanige beschrijving door elk middel te bewijzen dat die zaken hem overeenkomstig artikel 1 lid 2 dezer akte in eigendom toebehoren.

De vorenbedoelde zaken, waarop noch de man noch de vrouw eigendomsrecht kan bewijzen overeenkomstig artikel 1 lid 2 dezer akte, zullen geacht worden aan ieder van hen voor de helft toe te behoren, met name zal de opleg van onverteerde inkomsten zowel uit arbeid als uit vermogen, onverschillig van wiens zijde afkomstig, indien deze niet tussen de echtgenoten staande huwelijk verdeeld zijn, zomede hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats treedt, in alle gevallen aan ieder der echtgenoten voor de helft toebehoren.

iii) Blijkens de "staat van aanbrengsten", behorende bij de akte van huwelijkse voorwaarden, zijn door de man en de vrouw enige tegoeden op bank en giro alsmede effecten ten huwelijk aangebracht, terwijl door de vrouw tevens een kwart deel van twee percelen weiland werd aangebracht. Voorts heeft de vrouw staande het huwelijk van haar moeder een schenking ontvangen ten bedrage van f 25.000,-.

iv) Tijdens het huwelijk hebben partijen beiden inkomsten uit arbeid genoten: de man werkte in loondienst, de vrouw was werkzaam in een door haar sedert 1974 gedreven catering-bedrijf, aanvankelijk de v.o.f. [A] en later [B] B.V.

v) In 1974 hebben partijen in eigendom verkregen, ieder voor de helft, het perceel [a-straat 1] te [woonplaats]; het woongedeelte van dit pand diende partijen als echtelijke woning, het overige deel fungeerde als bedrijfsruimte voor de onderneming van de vrouw. Het belendende perceel aan de [a-straat 2] was sinds 1980 eigendom van de man en werd door hem ten dele als woonruimte verhuurd; het resterende deel was in gebruik bij de onderneming van de vrouw.

vi) Tot een verdeling als bedoeld in - met name - artikel 4 van de akte van huwelijkse voorwaarden is het staande het huwelijk van partijen niet gekomen.

Het geding in eerste aanleg.

3. Bij inleidende dagvaarding van 17 februari 1993 heeft de man de Rechtbank verzocht op de voet van art. 3:185 BW een verdeling te gelasten van het bestaande vermogen voorzover opgebouwd uit onverteerde inkomsten, het aangebrachte vermogen derhalve uitgezonderd, en wel in dier voege dat tegen vergoeding van de waarde aan de vrouw worden toebedeeld alle - nader gespecificeerde - activa en passiva met uitzondering van de door de man opgebouwde, voorwaardelijk te verrekenen, pen-sioenaanspraken.

De vrouw heeft de vordering bestreden; zij betoogde dat gezien de huwelijkse voorwaarden moet worden uitgegaan van gescheiden vermogens zodat van een verdeling als door de man gevorderd geen sprake kan zijn. Op haar beurt heeft de vrouw in reconventie betaling gevorderd van een bedrag van f 319.830,- ter zake van vergoeding van gelden die uit haar vermogen in dat van de man zouden zijn gevloeid en van de vermogensvermeerdering die met deze gelden zouden zijn gerealiseerd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij de door haar gedreven onderneming is gestart met eigen middelen en dat de aanwas van privé-vermogen volgens de huwelijkse voorwaarden geheel buiten de verrekening moet blijven.

4. De Rechtbank heeft de man, bij vonnis van 30 maart 1994, niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat het in de huwelijkse voorwaarden overeengekomen verrekenbeding alleen de verbintenisrechtelijke verhouding tussen partijen bepaalt zodat geen sprake kan zijn van (economische) mede-eigendom of gemeenschap van vermogensbestanddelen en derhalve evenmin van een verdeling als door de man gevorderd.

De verdere behandeling van de procedure in reconventie heeft, na een tussenvonnis van 19 april 1995, op 22 mei 1996 geleid tot een afwijzend eindvonnis. De Rechtbank oordeelde dat uit de tekst van de huwelijkse voorwaarden noch uit hetgeen partijen daaromtrent hadden gesteld, blijkt van de bedoeling om de eventuele vermogensaanwas van aangebrachte of staande huwelijk verkregen privé-bezittingen buiten de verrekening te houden.

Het geding in hoger beroep.

5. De man heeft hoger beroep aangetekend tegen het vonnis in conventie, de vrouw tegen het tussenvonnis en het eindvonnis in reconventie. Dit heeft geleid tot twee afzonderlijke procedures onder de rolnummers 43/95 respectievelijk 910/96; in de eerstgenoemde procedure heeft de vrouw verstek laten gaan.

Het Hof heeft in beide procedures een reeks tussenarresten gewezen, steeds op dezelfde data. Het Hof heeft daarbij vooropgesteld dat de grieven van de man en de vrouw in verband met de samenhang van beide zaken waarin het feitensubstraat hetzelfde is, gelijktijdig worden besproken nu partijen kennelijk de standpunten in beide procedures als over en weer aan elkaar en aan het Hof bekend alsmede als in beide zaken over en weer door hen ingenomen veronderstellen. De overwegingen van de in beide zaken gewezen tussenarresten zijn steeds identiek voorzover het de bespreking van de grieven en het dictum betreft.

6. De vrouw heeft haar standpunt in appèl handhaafd. Zij heeft haar eis vermeerderd met een bedrag van f 40.326,-. Haar vordering in hoger beroep strekt voorts ertoe (aldus het Hof in rechtsoverweging 4.3 van zijn eerste tussenarrest) dat het Hof een bepaalde "verdeling" of "toedeling" zal verrichten met betrekking tot diverse zaken welke tot de vermogens van partijen behoren; het gaat daarbij onder meer om de panden [a-straat 1] en [2].

Het standpunt van de man luidt in appèl dat nu partijen gedurende het huwelijk geen gebruik hebben gemaakt van de door artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden geboden bevoegdheid tot verrekening van onverteerde inkomsten, het finale verrekenbeding uit artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden meebrengt dat een vorm van gemeenschap van goederen, althans van een gemeenschappelijke eigendom, althans gemeenschappelijke economische eigendom is ontstaan. Hij vordert (aldus het Hof in rechtsoverweging 5.5 van zijn eerste tussenarrest) verdeling, met vergoeding van eventuele overwaarde, hetgeen in financieel opzicht hetzelfde resultaat dient op te leveren als wanneer uitsluitend verrekening zou plaatsvinden op de wijze bedoeld in de artt. 1:136 en 139 BW met betrekking tot het gezamenlijke vermogen (na aftrek van de nominale waarde van aangebrachte of staande huwelijk door schenking verkregen zaken).

7. Op 26 juni 1997 heeft het Hof (in beide zaken) tussenarrest gewezen waarin het de huwelijkse voorwaarden als volgt heeft uitgelegd.

Het Hof heeft vooropgesteld dat bij deze uitleg van belang is dat tussen partijen vaststaat dat zij bij de aanvang van hun huwelijk geen vermogen van betekenis hadden en dat - los van de vraag wie thans als eigenaar van welk vermogensbestanddeel moet worden beschouwd of aan wie enig onderdeel zou moeten worden toebedeeld - het geschil handelt over de verdeling en verrekening met betrekking tot een aanzienlijk vermogen dat globaal gezien is opgebouwd uit de inspanningen van beide partijen, te weten die uit dienstbetrekking van de man en die uit het door de vrouw gedreven catering-bedrijf, alsmede uit herbelegging en herinvestering van die resultaten, een en ander na aftrek van de over en weer gedragen kosten van levensonderhoud en van de verzorging en opvoeding van der partijen kinderen.

Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat in de huwelijkse voorwaarden "op het eerste gezicht" het verlangen van partijen tot uiting komt om elke gemeenschap van goederen uit te sluiten en daarnaast een verrekenbeding op te nemen dat kennelijk beoogde aan te sluiten bij het ten tijde van de huwelijkssluiting zojuist ingevoerde Eerste Boek van het Nieuw B.W. en in het bijzonder bij Titel 8, Afdeling 2 omtrent het wettelijk deelgenootschap. Het Hof stelde tevens vast dat dit systeem met name in artikel 6 (juncto artikel 1 lid 2) wordt doorbroken ten gunste van een op een vorm van gemeenschap van goederen gelijkend systeem. Uit de redactie van artikel 6 spreekt immers de wens, aldus het Hof, een gemeenschappelijke eigendom van alle vruchten en inkomsten in het leven te roepen "zowel uit arbeid als uit vermogen, onverschillig van wiens zijde afkomstig, indien deze niet staande huwelijk verdeeld zijn, zomede hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats treedt".

Een redelijke uitleg van deze voorwaarden brengt - aldus het Hof - het volgende mee:

1) De goederen door partijen aangebracht of staande huwelijk door schenking verkregen, vallen buiten de verrekening. De nominale waarde daarvan (en niet de opbrengsten van beleggingen of herbeleggingen in verband met de besparingsformules in het slot van artikel 6 huwelijkse voorwaarden) zal aan ieder van partijen blijven. Voorzover die waarde in het gezamenlijke vermogen blijkt te zijn belegd of anderszins opgegaan zal die nominale waarde (desnoods na taxatie van die waarde ten tijde van de huwelijkssluiting of schenking) van de gemeenschappelijke, voor verdeling in aanmerking komende massa moeten worden afgetrokken);

2) Ten aanzien van de overige goederen geldt dat, nu verdeling staande huwelijk is uitgebleven, als gevolg van artikel 6 "in elk geval sprake is van economische mede-eigendom", zonder dat één der partijen op voorhand enig eigendomsrecht het hare kan noemen. Deze goederen zullen conform de wensen van partijen worden verdeeld tegen een vergoeding wegens overbedeling; daarbij zal in aansluiting bij de voorschriften die voor de in de wet genoemde algehele gemeenschap gelden, wat de peildatum van de waardering betreft in beginsel moeten worden uitgegaan van de waarde ten tijde van de toedeling. Daarnaast zullen de door de man opgebouwde pensioenrechten moeten worden verrekend volgens het systeem van voorwaardelijke verrekening.

Het Hof achtte termen aanwezig om partijen, die zich naar zijn oordeel allereerst dienden te beraden op de (financile) consequenties van zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden, de verdere werkzaamheden van de verdeling te laten verrichten ten overstaan van een op de voet van art. 677 Rv te benoemen notaris.

8. Op 19 februari 1998 heeft het Hof in beide zaken een tweede tussenarrest gewezen. Het Hof constateerde naar aanleiding van het door de notaris opgemaakte proces-verbaal dat partijen zich niet hebben gehouden aan de door het Hof gegeven beslissingen en dat de notaris aldus niet erin was geslaagd partijen op basis van de beslissingen van het Hof met elkaar te verenigen; het heeft partijen alsnog in de gelegenheid gesteld om, in samenwerking met de notaris, aan zijn tussenarrest arrest te voldoen.

9. Vervolgens heeft het Hof op 12 augustus 1999 in beide zaken een derde tussenarrest gewezen nadat de notaris had doen weten andermaal niet erin te zijn geslaagd partijen op basis van de beslissingen van het Hof met elkaar te verenigen, ditmaal omdat met name de vrouw haar standpunten in wezen niet had gewijzigd. Het Hof is daarop zelf overgegaan tot verdeling van de boedel op basis van de overwegingen van de arresten van 26 juni 1997, waarbij het met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen in het dictum reeds een beslissing heeft gegeven; het Hof overwoog daarbij het opportuun te achten met name de verdeling van de onroerende zaken reeds aanstonds vast te stellen tegen gelijktijdige betaling door de vrouw van de (overwaarde-)bedragen teneinde verder oponthoud (in verband met de proceshouding van de vrouw) ter zake van de verwerking van de overwaarde van de onroerende zaken te voorkomen. In het dictum heeft het Hof:

1) bepaald dat aan de vrouw wordt toebedeeld de eigendom van de beide panden te [woonplaats] tegen vergoeding van f 701.500,-, vermeerderd met de kosten van de overdracht, zulks met veroordeling van partijen om met elkaar op voorhand over te gaan tot de uitvoering van deze partiële verdeling;

2) bepaald dat partijen uit de totale boedel tot zich kunnen nemen de zaken en bedragen vermeld onder de rechtsoverweging 2.4, 2.5 en 2.8 (d.w.z. de vrouw het door haar uit schenking verkregen bedrag van f 25.000,-; de man en de vrouw de aandelen en bedragen van de diverse bank- en girorekeningen als vermeld in de Staat van aanbrengsten, de man onder aftrek van het bedrag van de in die Staat vermelde studieschuld);

3) de man opgedragen om uitvoering te geven aan de verrekening van de door hem opgebouwde pensioenaanspraken volgens het systeem van de zogenaamde voorwaardelijke verrekening.

Het Hof heeft deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het heeft onder aanhouding van iedere verdere beslissing de zaak voor het overige wederom naar de rol verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten omtrent de waardering van nog te verdelen bestanddelen (waaronder de onderneming van de vrouw) en van de op de Staat van aanbrengsten opgenomen en staande het huwelijk te gelde gemaakte goederen (aandelen en percelen weiland).

10. In een vierde tussenarrest d.d. 3 februari 2000 in beide zaken, heeft het Hof in het dictum bepaald dat de vrouw tot zich mag nemen uit de boedel de waarde van de door haar ten huwelijk aangebrachte percelen weiland voor een bedrag van f 10.337,80. Het Hof heeft voorts onder aanhouding van iedere verdere beslissing een deskundige benoemd ten einde te komen tot een waardering van de aan de vrouw toe te scheiden onderneming, een toescheiding die dient te geschieden tegen de netto-vermogenswaarde per 27 juli 1992, zoals het Hof overwoog onder verwijzing naar zijn (derde) tussenarresten van 12 augustus 1999.

Het cassatieberoep

11. De vrouw heeft binnen de termijn van drie maanden cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van 3 februari 2000 en daarbij tevens tegen de arresten van 26 juni 1997, 19 februari 1998, 12 augustus 1999 in beide procedures. De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Na het wisselen van de schriftelijke toelichtingen hebben partijen nog van repliek en dupliek gediend.

12. De vrouw is, zoals gezegd, niet verschenen in de zaak met rolnummer 43/95. Ik tekende reeds aan dat het Hof in zijn eerste tussenarresten heeft vastgesteld dat partijen kennelijk de standpunten in beide procedures als over en weer aan elkaar en aan het Hof bekend veronderstellen alsmede als in beide zaken over en weer door elkaar ingenomen veronderstellen. Ik begrijp deze overweging aldus dat in de gegeven omstandigheden ook het geding in de zaak met rolnummer 43/95 kan worden gekwalificeerd als op tegenspraak gewezen, althans dat het feit dat de vrouw in de zaak met rolnummer 43/95 in appèl niet is verschenen niet in de weg staat aan de ontvankelijkheid van haar cassatieberoep tegen de tussenarresten in deze zaak. Ook het Hof is kennelijk ervan uitgegaan dat cassatieberoep openstond; zie rechtsoverweging 2.1 van zijn tweede tussenarresten.

13. De in het cassatiemiddel vervatte klachten onder a en b richten zich tegen de uitleg van de huwelijkse voorwaarden in de tussenarresten van 26 juni 1997; onderdeel c betoogt dat gegrondbevinding van deze klachten naast de genoemde arresten ook de daarop voortbouwende tussenarresten raakt. Nu het Hof in het dictum van zijn arresten van 22 augustus 1999 op grond van zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden reeds een aantal beslissingen inzake de verdeling heeft gegeven waartegen de vrouw destijds geen cassatie heeft ingesteld, rijst de - ambtshalve te beoordelen - vraag of en in hoeverre de vrouw in haar cassatieberoep kan worden ontvangen; de man heeft deze kwestie in zijn schriftelijke toelichting ook aan de orde gesteld en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw.

14. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat voorzover bij een interlocutoir vonnis/arrest niet omtrent enig deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt, het aan de procespartijen is overgelaten of zij reeds dadelijk beroep willen instellen tegen de in dat interlocutoir vervatte bindende eindbeslissingen of dat zij daarmede willen wachten totdat een volgend tussenvonnis/tussenarrest wordt gewezen dan wel totdat eindvonnis/eindarrest wordt gewezen. Dit systeem biedt partijen de gelegenheid om de weg te kiezen die in de gegeven omstandigheden het meest praktisch voorkomt; de door een eindbeslissing in een tussenvonnis/arrest in het ongelijk gestelde partij kan onmiddellijk beroep instellen doch kan ook afwachten hoe de einduitspraak uitvalt. Door dit systeem wordt voorkomen dat partijen worden gedwongen tussentijds in beroep te gaan. Volgens vaste jurisprudentie geldt voorts dat voorzover bij het interlocutoir wél aan het proces omtrent een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt, het interlocutoir in zoverre als een eindvonnis/eindarrest is te beschouwen (men gebruikt in dit verband de term deelvonnis/deelarrest) waarvan hoger beroep/cassatie onmiddellijk moet worden ingesteld binnen de daarvoor geldende termijnen op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep voorzover dat is gericht tegen bedoelde beslissingen in het dictum en de gronden waarop deze beslissingen berusten. Dit geldt zelfs ingeval de rechter in zijn interlocutoir tussentijds beroep heeft uitgesloten. (Zie bijvoorbeeld: HR 21 februari 1935, NJ 1936, 4, m.nt PS, HR 7 juni 1957, NJ 1957, 433 m.nt LEHR, HR 21 mei 1984, NJ 1984, 598, HR 24 september 1993, NJ 1994, 299, m.nt HER, HR 6 september 1996, NJ 1996, 699 en HR 18 juni 1999, NJ 2000, 221 m.nt HJS; zie voorts H.E. Ras, Het tussenvonnis, diss. Amsterdam 1966, nr. 118-120 en H.W. Wiersma, Tussenoordelen en eindbeslissingen, diss. Amsterdam 1998, hoofdstuk 23, m.n. nr. 140 e.v., beiden met veel extra rechtspraakgegevens, alsmede Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 19e dr. 1998, nrs 88, 177 en 191.)

De leer inzake het deelvonnis/deelarrest kan partijen voor verrassingen plaatsen niet alleen ingeval zij niet erop bedacht zijn dat in het interlocutoir aan het geding omtrent een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde wordt gemaakt, doch ook ingeval niet aanstonds duidelijk is welke overwegingen in het interlocutoir moeten worden gekwalificeerd als gronden waarop de beslissing in het dictum berust. Ik kom daarover zo dadelijk nog te spreken in het kader van de onderhavige zaak. Ras heeft destijds benadrukt dat de ratio en de rechtvaardiging van deze leer is gelegen in het belang dat het deelvonnis op de gewone termijn in kracht van gewijsde kan gaan; de partij die een deelvonnis heeft verkregen kan de gewone beroepstermijn afwachten en daarna, als geen beroep is ingesteld, veilig executeren.

15. In de onderhavige procedures vorderde de man "verdeling" van de "gemeenschap" terwijl ook de vordering van de vrouw strekte tot een bepaalde "verdeling" of "toedeling", zoals het Hof heeft vastgesteld. In het dictum van zijn arresten van 12 augustus 1999 is het Hof overgegaan tot een partiële verdeling in dier voege dat het, zoals hiervoor onder 9 aangegeven, bepaalde dat:

1) aan de vrouw wordt toebedeeld de eigendom van de beide panden te [woonplaats] tegen vergoeding van f 701.500,-, met veroordeling van partijen om met elkaar op voorhand over te gaan tot de uitvoering van deze partiële verdeling;

2) partijen uit de totale boedel tot zich kunnen nemen de zaken en bedragen vermeld onder de rechtsoverweging 2.4, 2.5 en 2.8 (d.w.z. de vrouw het door haar uit schenking verkregen bedrag van f 25.000,-; de man en de vrouw de aandelen en de bedragen van de diverse bank- en girorekeningen als vermeld in de Staat van aanbrengsten, de man onder aftrek van het bedrag van de in die Staat vermelde studieschuld);

3) de man uitvoering moet geven aan de verrekening van de door hem opgebouwde pensioenaanspraken volgens het systeem van de zogenaamde voorwaardelijke verrekening.

Met deze beslissingen heeft het Hof aldus omtrent een deel van het gevorderde door een uitdrukkelijk dictum een einde gemaakt, zodat deze tussenarresten in zoverre deelarresten zijn. Nu tegen deze arresten van 12 augustus 1999 binnen de gewone termijn geen cassatieberoep is ingesteld (en overigens ook geen verzet) hebben deze deelarresten kracht van gewijsde verkregen. Deze beslissingen kunnen thans niet meer in cassatie worden aangevochten; voor een beroep tegen deze beslissingen zelf bestaat en bestond overigens in zoverre ook weinig aanleiding dat 's Hofs beslissingen in feite strookten met de wensen van beide partijen, zij het dat de vrouw een lagere waarde aan de onroerende zaken toekende dan het Hof heeft gedaan. De bepaling in het dictum van de hoogte van de vergoeding wegens overbedeling door de "toedeling" van de onroerende zaken aan de vrouw, is niet een uitdrukkelijke afwijzing van de vordering van de vrouw tot vergoeding van haar bijdrage aan de vermogensopbouw van de man; op dit punt is derhalve geen sprake van een deelarrest. De voor de vrouw kennelijk cruciale kwestie van de waardevermeerdering van de privébezittingen kan evenmin als definitief afgedaan worden beschouwd; weliswaar heeft het Hof in zijn dictum bepaald dat partijen de op de Staat van aanbrengsten vermelde zaken en bedragen kunnen terugnemen, maar daaruit volgt niet dat de vordering van de vrouw tot verrekening van de waardestijging van die vermogensbestanddelen is afgewezen; het Hof rept in het dictum ook niet van een afwijzing van de vorderingen van de vrouw. Deze kwesties kunnen derhalve nog voorwerp van cassatieberoep uitmaken.

De kwestie van niet-ontvankelijkheid heeft evenwel, zoals gezegd, niet alleen betrekking op de beslissingen in het dictum waarmee aan het proces omtrent een deel van het gevorderde een einde wordt gemaakt, doch ook op de gronden waarop deze beslissingen berusten. Het voorgaande impliceert dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen (delen van) overwegingen die wel en die niet dragend zijn voor bedoelde beslissingen. (Zie met name het hiervoor genoemde arrest HR 25 mei 1984, NJ 1984, 598; vgl. ook HR 24 december 1999, NJ 2000, 495 m.nt HJS en HR 27 oktober 2000, RvdW 2000, 210C). Het Hof heeft zijn beslissingen gegrond op zijn uitleg van de huwelijkse voorwaarden die bestaan uit een reeks onderling samenhangende artikelen. In het kader van de ontvankelijkheidskwestie zal moeten worden bezien of het cassatiemiddel dat zich richt tegen 's Hofs uitleg, zich wel beperkt tot klachten over uitleg van bepalingen in de huwelijkse voorwaarden waarop het Hof zijn meergenoemde beslissingen in het dictum niet heeft gegrond. Daarbij verdient aantekening dat de vraag van ontvankelijkheid niet aan de orde behoeft te komen voorzover de klachten over 's Hofs uitleg feitelijke grondslag missen. Het wordt thans tijd onder ogen te zien welke klachten het middel bevat.

De cassatieklachten

16. Middelonderdeel a richt zich tegen het 's Hofs oordeel in rechtsoverweging 5 van de arresten van 26 juni 1997, met name de overwegingen 5.7 en 5.10.2, dat in de huwelijkse voorwaarden het verlangen van partijen tot uiting komt om elke gemeenschap van goederen uit te sluiten en daarnaast een verrekenbeding op te nemen dat kennelijk beoogt aan te sluiten bij Titel 8, Afdeling 2, Boek 1 BW omtrent het wettelijk deelgenootschap.

Voorzover in 's Hofs overwegingen het oordeel ligt besloten dat in de tussen partijen geldende huwelijkse voorwaarden in beginsel een keuze is gemaakt voor het wettelijk deelgenootschap, is dit oordeel rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk, aldus het middel, omdat genoemde huwelijkse voorwaarden onmiskenbaar niet beogen aan te sluiten bij het wettelijk deelgenootschap nu de huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding bevatten dat in afwijking van het wettelijk deelgenootschap een verrekening behelst van onverteerde inkomsten terwijl ieder der echtgenoten staande huwelijk het recht heeft een verdeling te vorderen van deze onverteerde inkomsten zodat hetgeen partijen zijn overeengekomen veeleer de kernelementen van het zogenaamde Amsterdamse verrekenbeding bevat.

17. Het middelonderdeel faalt naar mijn oordeel bij gebrek aan feitelijke grondslag nu het Hof heeft geoordeeld dat in de huwelijkse voorwaarden "op het eerste gezicht" het verlangen van partijen tot uiting komt om elke gemeenschap van goederen uit te sluiten en daarnaast een verrekenbeding op te nemen dat kennelijk beoogde aan te sluiten bij de bepalingen omtrent het wettelijk deelgenootschap, doch dat dit systeem met name in artikel 6 (juncto artikel 1 lid 2) wordt doorbroken ten gunste van een op een vorm van gemeenschap van goederen gelijkend systeem; het Hof is tot de slotsom gekomen dat partijen aldus een regeling hebben getroffen die afwijkt van bestaande, in de wet opgenomen, systemen. Het Hof is derhalve niet ervan uitgegaan dat in de huwelijkse voorwaarden door partijen in beginsel een keuze is gemaakt voor het wettelijk deelgenootschap. Voorzover het onderdeel erover zou willen klagen dat het Hof de totale vermogensvermeerdering zoals die gedurende het huwelijk is ontstaan, heeft verdeeld volgens de regels van het wettelijk deelgenootschap (zoals de schriftelijke toelichting, p. 8-10, doet vermoeden), mist het feitelijke grondslag omdat het Hof deze verdeling heeft gebaseerd op artikel 6 huwelijkse voorwaarden, welke bepaling naar zijn oordeel voorziet in het zich thans voordoende geval dat de uitvoering van het verrekenbeding, waartoe de huwelijkse voorwaarden overigens niet verplichtten, niet heeft plaatsgevonden.

18. Middelonderdeel b bestrijdt als rechtens onjuist dan wel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd rechtsoverweging 5.11.3 van de tussenarresten van 26 juni 1997, alwaar het Hof als volgt heeft beslist:

"5.11.3Opmerking verdient voorts, dat van de verdeling uitgesloten is hetgeen door partijen ten huwelijk is aangebracht dan wel aan hen is geschonken als weergegeven in het vonnis van 22 mei 1996 onder 2.3, 2.4 en 2.6. De nominale waarde daarvan (en niet de opbrengsten van beleggingen en herbeleggingen, in verband met de "besparingsformules" in het slot van art. 6 van de H.V.) zal aan ieder van hen blijven; voor zover die waarde in het gezamenlijke vermogen blijkt te zijn belegd of anderszins opgegaan zal die nominale waarde (desnodig na taxatie van die waarde ten tijde van de huwelijkssluiting of schenking) van de gemeenschappelijke, voor verdeling in aanmerking komende massa moeten worden afgetrokken".

Het middelonderdeel stelt voorop dat in deze overweging ligt besloten het oordeel dat volgens de onderhavige huwelijkse voorwaarden ook tussen partijen moet worden verrekend de eventuele waardevermeerdering van de zogenaamde stamvermogens van partijen alsmede de waardevermeerdering van de goederen die elk van beide partijen staande het huwelijk krachtens erfrecht of schenking in privé heeft verkregen. Geklaagd wordt dat, aangezien zowel bij het tussen partijen overeengekomen (Amsterdams) verrekenbeding alsook op grond van de beperkte gemeenschap van vruchten en inkomsten de waardevermeerderingen van privé-bezittingen nu juist buiten de verdeling tussen partijen blijven, het Hof met genoemd oordeel aan de huwelijkse voorwaarden een ruimere strekking heeft gegeven dan met de aard ervan, mede gelet op de formulering van met name de artikelen 4 en 6, valt te rijmen.

19. Met zijn door dit middelonderdeel bestreden overweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de huwelijkse voorwaarden als volgt moeten worden uitgelegd. Van de verdeling is uitgesloten hetgeen door partijen ten huwelijk is aangebracht ofwel aan één van hen staande huwelijk is geschonken zodat deze vermogensbestanddelen, voorzover bij de ontbinding van het huwelijk nog individualiseerbaar aanwezig, buiten de verdeling vallen (hetgeen impliceert dat de "autonome" waardestijging tevens buiten de verdeling blijft); ook buiten de verdeling blijft de nominale waarde van deze vermogensbestanddelen ingeval zij in het gemeenschappelijke vermogen blijken te zijn belegd of anderszins opgegaan; de opbrengsten van beleggingen en herbeleggingen vallen evenwel in de gemeenschappelijke boedel in verband met de "besparingsformules" in het slot van artikel 6 (welke besparingsformules inhouden dat ook in de boedel vallen alle vruchten en inkomsten uit vermogen).

Het Hof heeft zijn gewraakte uitleg met name doen steunen op artikel 6, waaruit naar 's Hofs oordeel de wens spreekt een gemeenschappelijke eigendom van alle vruchten en inkomsten in het leven te roepen "zowel uit arbeid als uit vermogen, onverschillig van wiens zijde afkomstig, indien deze niet staande huwelijk verdeeld zijn, zomede hetgeen door wederbelegging daarvoor in de plaats treedt". Het Hof heeft zijn uitleg van artikel 6 uitvoerig gemotiveerd aan de hand van tekst en structuur van de huwelijkse voorwaarden (rechtsoverwegingen 5.8-5.10.1) om vervolgens vast te stellen dat partijen aldus een regeling hebben getroffen die afwijkt van bestaande, in de wet opgenomen systemen (rechtsoverweging 5.10.3). Nu deze oordelen in het licht van de tekst en de stellingen van partijen op zichzelf niet onbegrijpelijk zijn, worden zij vergeefs bestreden met de klacht dat de wettelijke (de gemeenschap van vruchten en inkomsten: art. 1:123 e.v. BW) of in de praktijk gangbare figuren (het Amsterdams verrekenbeding met finale afrekeningclausule) tot een ander resultaat zouden leiden. Aan deze figuren was het Hof bij zijn uitleg immers niet gebonden. (Vgl. het thans aanhangige wetsvoorstel 27 554 inzake de wijziging van titel 8 van Boek 1 BW (regels verrekenbedingen) waarin ook wordt uitgegaan van de vrijheid van partijen om af te wijken van de bij wet geregelde stelsels (zie onder meer art. 132 en de daarop gegeven toelichting TK 27 554, nr.3, p. 9). 's Hofs uitleg kan als feitelijk oordeel in cassatie verder niet op zijn juistheid kan worden getoetst. Het middelonderdeel moet derhalve falen.

20. Middelonderdeel c mist zelfstandige betekenis.

21. Gelet op hetgeen ik hiervoor onder 14 en 15 betoogde, resteert nog de - gezien de bovenstaande bespreking van de afzonderlijke onderdelen "academische" - vraag of het middel niet strandt op niet-ontvankelijkheid. Deze vraag behoeft voor middelonderdeel a geen beantwoording nu de daarin vervatte klachten alle feitelijke grondslag missen (zie onder 15 voorlaatste zin), terwijl de vraag voor middelonderdeel c geen afzonderlijke bespreking behoeft nu dit middelonderdeel zelfstandige betekenis mist. Voor de ontvankelijkheid van middelonderdeel b geldt het volgende. Van ontvankelijkheid kan, zoals gezegd, slechts sprake zijn voorzover het middel zich richt tegen overwegingen waarop 's Hofs meergenoemde beslissingen in het dictum van de arresten van 12 augustus 1999 niet zijn gegrond. Het middelonderdeel beoogt kennelijk met name te klagen over 's Hofs oordeel dat de huwelijkse voorwaarden aldus moeten worden uitgelegd dat de opbrengsten uit privégoederen en de opbrengsten van beleggingen en herbeleggingen moeten worden verdeeld. Enerzijds zou men kunnen betogen dat 's Hofs beslissing in meergenoemd dictum over de vraag aan wie van beide partijen de tot de bijzondere gemeenschap behorende onroerende zaken moeten worden toegedeeld (tegen betaling van de waarde) los staat van de vraag of verrekening moet plaatsvinden terzake van de opbrengsten van privégoederen, zodat bedoelde beslissing in het dictum in zoverre niet is gegrond op 's Hofs door het middel gewraakte oordeel dat ook de opbrengsten van het privévermogen tot de door partijen in het leven geroepen bijzondere gemeenschap behoren. Anderzijds kan men menen dat 's Hofs beslissing dat de onroerende zaken aan de vrouw moeten worden toegedeeld tegen de helft van de waarde, mede is gegrond op zijn overweging dat alle opbrengsten zowel die uit arbeid als uit vermogen, onverschillig van wiens zijde afkomstig, moeten worden verdeeld. Zo kan men ook 's Hofs beslissingen in het dictum omtrent de daar bedoelde zaken en bedragen al dan niet gegrond achten op zijn door het middel bestreden oordeel dat ook de opbrengsten van de privévermogens moeten worden verdeeld. Nu een antwoord op deze vragen in dit geding niet behoeft te worden gegeven omdat het middelonderdeel hoe dan ook moet worden verworpen, zal ik concluderen tot verwerping van het beroep voorzover dit al ontvankelijk is. Ik meen dat de in het middel vervatte klachten niet nopen tot beantwoording van vragen die voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling van belang zijn.

Conclusie

De conclusie strekt ertoe dat het beroep, voorzover ontvankelijk, dient te worden verworpen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden