Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD7353

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
04-03-2002
Zaaknummer
C00/169HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD7353
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 140
JWB 2002/90
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C00/169

Mr. Keus

Zitting 14 december 2001

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen:

L.A.R. Rechtsbijstand N.V. (hierna: LAR)

1. Feiten en procesverloop

1.1 Het gaat in deze zaak om de uitleg en de toepassing van de polisvoorwaarden van een rechtsbijstandverzekering, en meer in het bijzonder om de vaststelling van de "verzekerde hoedanigheid" waarin de verzekerde bij het gedekte voorval was betrokken.

1.2 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan(1):

(a) [Betrokkene A], die van beroep tandarts was, heeft in 1981 met N.V. Levensverzekeringmaatschappij UAP-Nederland een overeenkomst gesloten, waarbij hij door middel van een jaarrente was verzekerd tegen het risico van arbeidsongeschiktheid. Deze verzekeringsmaatschappij heeft de nakoming van haar verplichtingen opgedragen aan N.V. Schadeverzekering Maatschappij UAP-Nederland (hierna: UAP).

(b) In verband met de gevolgen van een [betrokkene A] in juli 1985 overkomen fietsongeval heeft de behandelend neuroloog hem twee jaar na het ongeval geadviseerd zijn werkzaamheden als tandarts te staken. Op grond van de hiervoor onder (a) vermelde verzekeringsovereenkomst heeft [betrokkene A] van 17 augustus 1987 tot 1 juli 1989 een uitkering ontvangen. De uitkering is gestaakt, omdat volgens UAP van een arbeidsongeschiktheid als in de polis bedoeld - namelijk "op medisch vast te stellen gronden" - geen sprake was. [betrokkene A] heeft zich niet met dit standpunt verenigd.

(c) [Betrokkene A] is bij LAR voor rechtsbijstand verzekerd ingevolge een polis voor rechtsbijstandverzekering van Zürich Verzekeringen, waarbij deze maatschappij optreedt als gevolmachtigde van LAR. Op deze verzekering zijn van toepassing de Algemene Voorwaarden en de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor Particulieren (uitgebreid) rubriek 3.15, alsmede de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor beoefenaren van Medische Beroepen rubriek 4.08. Art. 2 onder a van laatstgenoemde bijzondere voorwaarden bepaalt dat de verzekerden met inachtneming van de overige verzekeringsvoorwaarden tot een bedrag van fl. 50.000,- per voorval aanspraak kunnen maken op rechtsbijstand; een dergelijke limitering ontbreekt in de bijzondere voorwaarden voor particulieren.

(d) Na een kort geding, waarin voor [betrokkene A] de advocaat Van Griensven optrad, is op de voet van art. 21 van de algemene voorwaarden van de verzekeringsovereenkomst met UAP een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt, waarin aanvankelijk LAR zelf voor [betrokkene A] optrad, zulks overeenkomstig art. 4 van de algemene voorwaarden van de rechtsbijstandverzekering, volgens welke bepaling rechtsbijstand in principe door de maatschappij zelf wordt verleend.

(e) Na een gesprek op 28 mei 1990 tussen [betrokkene A], [eiser], die buiten LAR om als advocaat door [betrokkene A] was aangezocht, en LAR, heeft deze laatste in een brief van 18 juni 1990 aan [eiser] bericht dat tijdens het onderhoud was gebleken dat [betrokkene A] onvoldoende vertrouwen had in de door LAR te verlenen rechtsbijstand en dat zij daarom bereid was in te stemmen met het overdragen van de behandeling aan [eiser]. Voorts houdt deze brief onder meer in:

"Voor zover nodig wordt erop gewezen dat de daarmee gemoeide kosten derhalve voor vergoeding door ons in aanmerking komen, mits daaraan redelijke kansen op een gunstig resultaat blijven verbonden, wij van het verloop van de zaak op de hoogte worden gehouden en in overleg wordt getreden inzake verder te nemen maatregelen. (...) Behoudens tegenbericht wordt aangenomen dat zal worden gedeclareerd op basis van het standaardtarief van de Nederlandse Orde van Advocaten."

1.3 Partijen hebben zich op de voet van art. 43 RO tot de kantonrechter gewend, met het verzoek te beslissen over een tussen hen gerezen geschil met betrekking tot de betaling door LAR van de door [eiser] bij haar ingediende declaraties ter zake van de door [eiser] aan [betrokkene A] verleende rechtsbijstand. In geschil is of de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor Particulieren dan wel die voor beoefenaren van Medische Beroepen toepasselijk zijn (zie hiervóór, onder 1.2.c) en of LAR de in de Bijzondere Voorwaarden voor beoefenaren van Medische Beroepen vervatte limitering van fl. 50.000,- per voorval aan [eiser] kan tegenwerpen.

1.4 De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 9 december 1992, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat [betrokkene A] in zijn geschil met UAP aanspraak heeft op rechtsbijstand voor rekening van LAR op grond van de Algemene Voorwaarden Rechtsbijstand en de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor Particulieren (uitgebreid) (rubriek 3.15) en dat LAR tegenover [eiser] geen beroep kan doen op de Bijzondere Voorwaarden voor beoefenaren van Medische Beroepen (rubriek 4.08) en derhalve ook niet op daarin opgenomen limitering van fl. 50.000,- per voorval.

1.5 LAR heeft van het vonnis van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. [Eiser] heeft van het vonnis voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. De rechtbank heeft bij vonnis van 22 juni 1994 het vonnis van de kantonrechter vernietigd en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat LAR aan [eiser] betaling is verschuldigd voor zijn optreden voor [betrokkene A] in diens geschil met UAP, voor zover deze werkzaamheden zijn verricht na 27 oktober 1990 en vóór 5 december 1990(2) en niet worden gedekt door de twee voorschotnota's die [eiser] aan LAR heeft gezonden en die LAR heeft voldaan. De rechtbank achtte, gelet op de aard van het geschil (dat betrekking heeft op de geschiktheid of ongeschiktheid van [betrokkene A] om arbeid als tandarts te verrichten), de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor beoefenaren van Medische Beroepen en de daarin vervatte limiet toepasselijk (rov. 6), maar oordeelde dat LAR niettemin is gehouden tot een volledige vergoeding van de werkzaamheden van [eiser], verricht tot het moment waarop LAR zich jegens [eiser] op de in die voorwaarden vervatte limiet had beroepen.

1.6 [Eiser] heeft van het vonnis van de rechtbank cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 3 november 1995 (NJ 1996, 392) het vonnis van de rechtbank vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het hof 's-Gravenhage. De Hoge Raad oordeelde, voor zover thans nog van belang, dat niet begrijpelijk is op welke gronden de rechtbank de aard van het geschil beslissend heeft geoordeeld, en niet de - telkens in art. 1 van de Bijzondere Voorwaarden omschreven - verzekerde hoedanigheid waarin [betrokkene A] met het oog op zijn geschil met UAP rechtsbijstand behoefde.

1.7 Het hof heeft in rov. 4 van zijn arrest na verwijzing van 29 februari 2000 aangegeven welke vragen nog ter beslissing voorlagen. In het onderhavige cassatieberoep zijn alleen klachten gericht tegen de beslissing van het hof over de onder 4a weergegeven vraag:

"of te dezen van toepassing zijn de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor Particulieren (uitgebreid) Rubriek 3.15. dan wel de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor beoefenaren van Medische Beroepen Rubriek 4.08., daarbij gelet op hetgeen [eiser] in dit verband in onderdeel 2 van het eerste cassatie middel (met betrekking tot functionele arbeidsongeschiktheid) heeft gesteld".

1.8 Het hof heeft de vraag welke bijzondere voorwaarden van toepassing zijn, in de rov. 9-29 besproken. Na in de rov. 10-12 de inhoud van de belangrijkste bepalingen van de algemene en de bijzondere voorwaarden te hebben weergegeven, heeft het hof in rov. 13 vooropgesteld dat voor de beantwoording van de vraag welke bijzondere voorwaarden van toepassing zijn, de verzekerde hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het gedekte voorval was betrokken, beslissend is. Het gedekte voorval (naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde) is volgens het hof onmiskenbaar het geschil met UAP naar aanleiding van het staken van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in juli 1989 en niet het fietsongeval in juli 1985 (rov. 14/21). De vordering van [betrokkene A] ter zake van dit voorval moet op grond van een redelijke uitleg van de polisvoorwaarden als een vordering uit de met UAP gesloten verzekeringsovereenkomst worden aangemerkt (rov. 15). In verband daarmee is ter bepaling van de verzekerde hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het voorval was betrokken, - naar partijen, nog steeds volgens het hof, over en weer van elkaar moesten begrijpen en aan inzicht op dit punt van elkaar mochten verwachten - beslissend of [betrokkene A] deze overeenkomst als particulier dan wel in het kader van de uitoefening van zijn beroep als tandarts heeft gesloten (rov. 16).

1.9 Op grond van de omschrijving van het doel van de arbeidsongeschiktheidsverzekering in art. 3 van de desbetreffende Algemene Voorwaarden (rov. 17) en de omschrijving van de dekking in art. 1 van die Algemene Voorwaarden (rov. 18)(3) heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene A] slechts was verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid ter zake van de werkzaamheden die aan zijn (op de polis vermelde) beroep van tandarts waren verbonden (rov. 19). Volgens het hof is het in die hoedanigheid en in het kader van de uitoefening van dat beroep dat [betrokkene A] de arbeidsongeschiktheidsverzekering met UAP heeft gesloten (rov. 20/22). Daarom zijn slechts de Bijzondere Voorwaarden van rubriek 4.08 (beoefenaren medische beroepen) en niet die van rubriek 3.15 (particulieren) van toepassing; de in rubriek 3.15 in art. 1b sub 1 onder d gegeven omschrijving van de hoedanigheid van "particulier" sluit volgens het hof de toepasselijkheid van die rubriek uit (rov. 23). Toepasselijkheid van de Bijzondere Voorwaarden van rubriek 4.08 impliceert de gelding van de limiet van fl. 50.000,- (rov. 24).

1.10 Het hof heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd en een verklaring voor recht uitgesproken overeenkomstig het vonnis van de rechtbank van 22 juni 1994.

1.11 [Eiser] heeft van het arrest van het hof tijdig cassatieberoep ingesteld. LAR heeft verweer gevoerd en haar standpunt schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

Middel I

2.1 Het eerste middel klaagt erover dat het (beweerdelijk) in rov. 14 vervatte oordeel dat [betrokkene A] bij het (gedekte) voorval was betrokken in de hoedanigheid waarin hij het contract met UAP had gesloten, niet voldoende is gemotiveerd en daardoor onbegrijpelijk is, "inzoverre het Hof daarmee bedoelt te zeggen dat verzekerde niet bij het voorval was betrokken vanwege de gevolgen van het fietsongeval en zijn arbeidsongeschiktheid, zoals door de kantonrechter was vastgesteld". Het middel valt in zes onderdelen (a-f) uiteen.

2.2 Alvorens op de afzonderlijke onderdelen in te gaan, teken ik aan dat het hof in rov. 14 slechts vaststelt ter zake van welk voorval in de zin van de Algemene en de Bijzondere Voorwaarden van de rechtsbijstandverzekering [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde. De vraag in welke hoedanigheid [betrokkene A] bij dat voorval was betrokken (en op die vraag spitst het eerste middel zich in zijn verschillende onderdelen toe) is in rov. 14 niet aan de orde. In zoverre missen de klachten van het eerste middel feitelijke grondslag.

2.3 Tegen het oordeel van het hof dat wèl in rov. 14 is vervat, komt het middel in zijn verschillende onderdelen niet op. Volgens het hof is het voorval naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde, onmiskenbaar het geschil met UAP dat in juli 1989 is ontstaan, en niet het in juli 1985 aan [betrokkene A] overkomen fietsongeval. Over dit oordeel, dat geenszins onbegrijpelijk is en dat ook reeds ten grondslag lag aan het - destijds in zoverre in cassatie niet bestreden - vonnis van de rechtbank van 22 juni 1994,(4) wordt in cassatie niet geklaagd.

Onderdeel a

2.4 Onderdeel a klaagt over de verwijzing in rov. 16 naar hetgeen "partijen over en weer van elkaar moesten begrijpen en aan inzicht van elkaar mochten verwachten". Deze verwijzing zou onbegrijpelijk zijn en als motivering ontoereikend. Met de bedoelde verwijzing zou het hof geen inzicht geven in zijn redenering en in de grondslag van die redenering in de feiten van het geding.

2.5 Waarom de bedoelde verwijzing onbegrijpelijk zou zijn, voor welke beslissing zij als motivering tekort zou schieten en in welke redenering zij onvoldoende inzicht zou bieden, wordt door het onderdeel niet verduidelijkt. Om die reden voldoet het onderdeel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Zou het onderdeel echter zo moeten worden opgevat dat de daarin vervatte klacht is gericht is tegen (de motivering van) het in rov. 16 vervatte oordeel over de wijze waarop de betrokken hoedanigheid van de verzekerde moet worden bepaald in het geval dat een geschil over een overeenkomst het gedekte voorval vormt, merk ik nog het volgende op.

2.6 Blijkens rov. 16 acht het hof ter bepaling van de verzekerde hoedanigheid waarin [betrokkene A] als verzekerde bij het voorval is betrokken, beslissend of [betrokkene A] de arbeidsongeschiktheidsverzekering met UAP als particulier dan wel in het kader van de uitoefening van zijn beroep als tandarts had gesloten. Dit oordeel volgt op het oordeel dat het in juli 1989 gerezen geschil met UAP het voor de rechtsbijstandverzekering relevante voorval vormt (rov. 14) en dat dit geschil een vordering uit een overeenkomst in de zin van art. 3 letter d onder 1 van de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand, zowel die voor Particulieren als die voor beoefenaren van Medische Beroepen, tot inzet had (rov. 15). Waar het hof het relevante voorval aldus tot een geschil over een overeenkomst had verbijzonderd, is het naar mijn mening geenszins onbegrijpelijk dat het hof (als volgende stap in zijn gedachtegang) voor de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het voorval was betrokken, de aard van diens betrokkenheid bij de overeenkomst beslissend heeft geacht. Waar het criterium van de betrokken hoedanigheid er (mede) toe dient de werkingssfeer van de "particuliere" rechtsbijstandverzekering van die van de "professionele" rechtsbijstandverzekering af te bakenen, acht ik het evenmin onbegrijpelijk dat het hof voor die hoedanigheid beslissend heeft geacht of de verzekerde de aan het geschil (het gedekte voorval) ten grondslag liggende overeenkomst in een particuliere dan wel professionele context heeft gesloten. In zijn conclusie voor het arrest van 3 november 1995 was de toenmalige waarnemend A-G Bloembergen het hof al in deze gedachtegang voorgegaan. Aan die conclusie (p. 7) ontleen ik het navolgende citaat:

"De vordering van [betrokkene A] op UAP zal wel geduid moeten worden als een vordering uit overeenkomst in de zin van art. 3 letter d onder 1 van de beide Bijzondere Voorwaarden. Ik ben geneigd te denken dat in geval van geschil over een zo een vordering voor de beantwoording van onze vraag beslissend is of de overeenkomst als particulier of in het kader van de uitoefening van het beroep is gesloten. (...) In deze gedachtengang zou van belang zijn of [betrokkene A] zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering als particulier (zoals [eiser] heeft gesteld) dan wel in het kader van zijn beroepsuitoefening heeft afgesloten."

2.7 Het hof heeft zijn gedachtegang over de wijze waarop het criterium van de betrokken hoedanigheid in het geval van een geschil over een overeenkomst moet worden ingevuld, kracht bijgezet door erop te wijzen dat het resultaat van die gedachtegang overeenstemt met hetgeen "partijen over en weer van elkaar moesten begrijpen en aan inzicht op dit punt van elkaar mochten verwachten". Met deze door het Haviltex-criterium(5) geïnspireerde formulering heeft het hof naar mijn mening niet meer beoogd dan vast te stellen dat er ook voor partijen ([betrokkene A] en LAR) geen enkele aanleiding was om van een andere dan de in rov. 16 omarmde uitleg van de betrokken bepalingen van de Algemene en Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand uit te gaan. Onbegrijpelijk is deze verwijzing naar de over en weer bestaande partijbedoelingen en de mogelijke percepties dienaangaande niet. Wel vraag ik mij af of zij veel toevoegt, waar in wezen de uitleg van standaardbedingen aan de orde is. Standaardbedingen als die welke in de Algemene en Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand zijn vervat, beogen een meer algemene werking. De betekenis daarvan gaat het individuele geval te boven. Bij de uitleg van zulke bedingen spelen individuele bedoelingen (en de over en weer bestaande percepties dienaangaande) niet of nauwelijks een rol.(6) Om die reden had een verwijzing naar hetgeen "partijen over en weer van elkaar moesten begrijpen en aan inzicht op dit punt van elkaar mochten verwachten" naar mijn mening kunnen worden gemist, overigens zonder dat dit afbreuk zou hebben gedaan aan de begrijpelijkheid van het in rov. 16 vervatte oordeel en de inzichtelijkheid van de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang van het hof.

Onderdeel b

2.8 Volgens onderdeel b zijn de overwegingen van het hof in rov. 14 onbegrijpelijk, omdat de rechtsbijstand niet nodig is geweest in verband met het sluiten van het contract met UAP, zodat dit niet het voorval kan zijn geweest naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde. Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof is er noch in rov. 14, noch elders in het aangevochten arrest van uitgegaan dat het sluiten van het contract met UAP het voorval is naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde. In rov. 14 heeft het hof juist beslist dat het voorval naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde, onmiskenbaar het geschil met UAP is, welk geschil in juli 1989 is ontstaan.

2.9 Het hof heeft (in rov. 16) wèl geoordeeld dat de hoedanigheid waarin [betrokkene A] de arbeidsongeschiktheidsverzekering met UAP aanging, beslissend is voor de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het relevante voorval was betrokken. Dat oordeel is niet onverenigbaar met het in rov. 14 vervatte oordeel, dat het in juli 1989 gerezen geschil met UAP (en dus niet het sluiten van het contract met UAP) het voor de rechtsbijstandverzekering relevante voorval vormt. Dat het hof, ter bepaling van de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het geschil met UAP over de arbeidsongeschiktheidsverzekering was betrokken, beslissend achtte in welke hoedanigheid (hetzij als particulier, hetzij als beroepsbeoefenaar) [betrokkene A] die verzekering destijds had gesloten (en daarbij vervolgens als partij en als verzekerde bleef betrokken), is, zoals hiervoor (onder 2.6) al aan de orde kwam, geenszins onbegrijpelijk. Voorts is in de door het hof gevolgde gedachtegang niet van belang of op het moment waarop de arbeidsongeschiktheidsverzekering werd gesloten, de rechtsbijstandverzekering al dekking bood. Ook de omstandigheid dat het hof (zoals in de tweede alinea van het onderdeel wordt geconstateerd) dit laatste niet nader heeft onderzocht, doet aan de begrijpelijkheid van het in rov. 16 vervatte oordeel niet af.

Onderdeel c

2.10 Onderdeel c bevat een aantal motiveringsklachten. [Eiser] klaagt er over dat het onbegrijpelijk is dat het hof slechts de hoedanigheid van [betrokkene A] als contractspartij van UAP bepalend heeft geacht en niet de hoedanigheid van [betrokkene A] als slachtoffer van het fietsongeval. Ook klaagt [eiser] over de vaststelling dat [betrokkene A] ter zake van de gevolgen van het fietsongeval geen rechtsbijstand nodig had.

2.11 Het hof heeft geoordeeld dat het voorval naar aanleiding waarvan [betrokkene A] rechtsbijstand behoefde, het staken van de uitkering door UAP is en niet het aan [betrokkene A] overkomen fietsongeval. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. De behoefte aan de door [eiser] verleende rechtsbijstand werd veroorzaakt doordat UAP de arbeidsongeschiktheidsuitkering staakte en door het geschil van [betrokkene A] met UAP over zijn arbeidsongeschiktheid. Voor het geschil met de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar, dat slechts (het voortbestaan van) de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene A] betrof, deed het verband tussen die arbeidsongeschiktheid en het aan [betrokkene A] overkomen fietsongeval op zichzelf niet ter zake.

2.12 Dat [betrokkene A] slachtoffer was van een fietsongeval, behoefde het hof er evenmin van te weerhouden voor de aanspraken uit de rechtsbijstandverzekering de (professionele) hoedanigheid van [betrokkene A] als partij bij de met UAP gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering beslissend te achten. Voor het hof is beslissend of het door de rechtsbijstandverzekering gedekte geschil betrekking heeft op een in professionele context gesloten arbeidsongeschiktheidsverzekering, die bestemd was om van de "rechtspositie" van [betrokkene A] als beroepsbeoefenaar onderdeel te vormen. In de door het hof gevolgde (en naar mijn mening niet onbegrijpelijke) gedachtegang wordt een geschil over tot de professionele "rechtspositie" van de verzekerde behorende aanspraken door de beroepsrechtsbijstandverzekering beheerst. Daaraan hoeft niet af te doen, dat de arbeidsongeschiktheid die de verzekerde op een uitkering aanspraak geeft, met een aan de verzekerde als particulier overkomen ongeval samenhangt.

2.13 Onderdeel c moet dus falen.

Onderdeel d

2.14 Onderdeel d, dat ten betoge strekt dat [betrokkene A] zonder het hem overkomen fietsongeval niet bij het voorval (het geschil met UAP) zou zijn betrokken, faalt eveneens op grond van het hiervoor reeds (onder 2.12) gestelde. Zonder fietsongeval had een geschil met UAP zich wellicht nooit voorgedaan. Dat sluit echter niet uit dat, nu dit anders is, [betrokkene A] bij het geschil was betrokken in de (professionele) hoedanigheid waarin hij met UAP had gecontracteerd.

Onderdeel e

2.15 Onderdeel e klaagt erover dat het voorval plaatsvond nadat [betrokkene A] zijn beroep al twee jaar niet meer uitoefende en dat ook om die reden niet zonder meer begrijpelijk is dat hij in het kader van zijn beroepsuitoefening bij het voorval was betrokken.

2.16 Dat [betrokkene A] in het kader van zijn beroepsuitoefening bij het voorval was betrokken, is niet wat het hof heeft beslist. Volgens het hof heeft [betrokkene A] de arbeidsongeschiktheidsverzekering in het kader van zijn beroepsuitoefening gesloten (rov. 16, slot) en is die omstandigheid ook beslissend voor de hoedanigheid waarin hij is betrokken bij het gedekte voorval. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

2.17 Overigens doet in de gedachtegang van het hof niet terzake of [betrokkene A] ten tijde van het geschil met de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar daadwerkelijk als tandarts praktiseerde. Voor het hof is beslissend dat [betrokkene A] bij het geschil was betrokken uit hoofde van zijn "rechtspositie" van tegen arbeidsongeschiktheid verzekerde tandarts. Deze gedachtegang is niet onbegrijpelijk.

Onderdeel f

2.18 Onderdeel f klaagt erover dat uit het aangevochten arrest niet blijkt welke betekenis het hof bij de vaststelling van het gedekte voorval en de betrokkenheid daarbij van [betrokkene A] aan het aan [betrokkene A] overkomen fietsongeval heeft toegekend.

2.19 Uit het arrest blijkt duidelijk dat het hof dit fietsongeval niet van belang acht, noch voor de vaststelling van het gedekte voorval, noch voor de vaststelling van de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij dat voorval was betrokken. In rov. 14 heeft het hof dat in verband met de vaststelling van het gedekte voorval ook uitdrukkelijk overwogen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

2.20 Overigens moet het onderdeel falen op grond van hetgeen hiervoor (onder 2.11-2.12) reeds is aangevoerd.

2.21 Middel I kan niet tot cassatie leiden.

Middel II

2.22 Het tweede middel komt met drie onderdelen op tegen het in rov. 23 vervatte oordeel dat "te dezen van toepassing zijn de Bijzondere Voorwaarden van rubriek 4.08 en niet die van rubriek 3.15" en dat "de in rubriek 3.15 in artikel 1 letter b sub 1 onder d gegeven omschrijving van de hoedanigheid "particulier" (...), op grond van al het vorenoverwogene, toepasselijkheid van die rubriek uit(sluit)".

Onderdeel 1

2.23 Onderdeel 1 bevat de klacht dat het hiervoor weergegeven oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Naar mij voorkomt is de in het onderdeel vervatte klacht niet als zelfstandige klacht bedoeld, maar vindt zij haar uitwerking in de onderdelen 2 en 3. Zou dat anders zijn, dan zou het onderdeel niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv voldoen. Het aangevochten oordeel is op de rov. 9-22 ("op grond van al het vorenoverwogene") gebaseerd; waarom en waarin deze motivering zou tekortschieten, geeft het onderdeel niet aan.

Onderdelen 2 en 3

2.24 De onderdelen 2 en 3 lijken te steunen op de gedachte dat het oordeel van het hof dat [betrokkene A] als beoefenaar van een medisch beroep en niet als particulier bij het gedekte voorval was betrokken, noodzakelijkerwijs impliceert dat [betrokkene A], door het sluiten van de arbeidsongeschiktheidsverzekering, streefde naar het verwerven van inkomsten in de zin van art. 1 van de Bijzondere Voorwaarden Rechtsbijstand voor Particulieren (onderdeel 2). Het hof heeft zich (zo lijkt de klacht te zijn) geen rekenschap gegeven dat die implicatie onverenigbaar is met een begrijpelijke, in de polis passende en redelijke uitleg van het begrip "streven naar het verwerven van inkomsten". Ook om die reden zou het oordeel van het hof over de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het gedekte voorval was betrokken, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn.

2.25 In art. 1 van rubriek 3.15 wordt het begrip "particulier" omschreven als: "degene die buiten beroep, ambt of bedrijf de belangen van zichzelf en/of van zijn gezin behartigt, zonder daarbij te streven naar het verwerven van inkomsten". Het hof heeft (in rov. 23) die omschrijving niet van toepassing geacht en daarvoor naar "al het vorenoverwogene" (rov. 9-22) verwezen. In rov. 15-22 is het hof tot de conclusie gekomen dat [betrokkene A] de overeenkomst met UAP was aangegaan in het kader van zijn beroepsuitoefening als tandarts, en dat dit mede beslissend is voor de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het geschil met UAP was betrokken. Kennelijk heeft het hof (in rov. 23) de toepasselijkheid van de omschrijving van het begrip particulier uitgesloten, omdat [betrokkene A] niet handelde "buiten beroep, ambt of bedrijf". Of [betrokkene A], door de arbeidsongeschiktheidsverzekering met UAP te sluiten (en door in een later stadium zijn aanspraken uit die verzekering geldend te maken), streefde naar het verwerven van inkomsten in de zin van de Bijzondere Voorwaarden, achtte het hof bij die stand van zaken niet van belang. Onbegrijpelijk is dat niet, omdat, anders dan beide onderdelen kennelijk veronderstellen, een streven naar het verwerven van inkomsten de hoedanigheid van particulier weliswaar steeds uitsluit, maar een dergelijk streven (omgekeerd) niet bij iedere handeling in het kader van ambt, beroep of bedrijf (zoals het beroepsmatig afsluiten van verzekeringen) aan de orde behoeft te zijn.

2.26 Voor zover onderdeel 2 ervan uitgaat dat het hof daadwerkelijk heeft beslist dat [betrokkene A] bij het aangaan van de overeenkomst streefde naar het verwerven van inkomsten (zie cassatiedagvaarding, p. 6, eerste alinea onder 2, in fine), mist het, gezien het vorenstaande (2.25), feitelijke grondslag.

2.27 Ook middel II faalt.

Middel III

Onderdeel 1

2.28 Onderdeel 1 van middel III lijkt erover te klagen dat het hof de begrippen verzekeringnemer en verzekerde rechtens ontoelaatbaar heeft verward, door de hoedanigheid waarin [betrokkene A] de arbeidsongeschiktheidsverzekering was aangegaan, mede beslissend te achten voor de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het gedekte voorval was betrokken. Het zou (zo begrijp ik de klacht) een rechtens ontoelaatbare beperking van het in art. 268 WvK omschreven verzekerbaar belang zijn, als de rechten van de verzekerde afhankelijk zouden worden gemaakt van de vraag of diens (professionele of particuliere) hoedanigheid ten tijde van het voorval (nog steeds) met die van de verzekeringnemer overeenstemt.

2.29 Het valt op dat de uitwerking van het onderdeel niet op de rechtsbijstandverzekering maar op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is toegespitst. Volgens die uitwerking zou de onjuiste rechtsopvatting van het hof erop neerkomen, dat een verzekerde een uitkering die hem toekomt als hij het in de polis vermelde beroep van tandarts niet meer kan uitoefenen, slechts als praktiserend tandarts kan vorderen (cassatiedagvaarding, p. 8, vijfde alinea). Het hof heeft zich over de rechten van [betrokkene A] uit de arbeidsongeschiktheidsverzekering met UAP echter in het geheel niet uitgelaten. Evenmin heeft het hof in algemene zin een relatie gelegd tussen de rechten van de verzekerde en de hoedanigheid van de verzekeringnemer bij één en dezelfde verzekeringsovereenkomst. Het hof heeft slechts beslist dat voor toepassing van de rechtsbijstandverzekering de (particuliere of professionele) hoedanigheid waarin de verzekerde bij een geschil over een overeenkomst is betrokken, wordt bepaald door de hoedanigheid waarin hij die overeenkomst is aangegaan. Daarbij was het niet meer dan toeval dat ook de in geschil zijnde overeenkomst een overeenkomst van verzekering was.

2.30 Ik zie niet in hoe het aangevochten oordeel met art. 268 WvK of met enige andere rechtsregel met betrekking tot de verzekeringsovereenkomst zou kunnen conflicteren. Het eerste onderdeel, voor zover dit al feitelijke grondslag heeft, moet daarom falen.

Onderdeel 2

2.31 Onderdeel 2 lijkt in het verlengde van onderdeel 1 te betogen dat het hof zich bij de vaststelling van de hoedanigheid waarin [betrokkene A] bij het gedekte voorval was betrokken, (meer) door de hoedanigheid van [betrokkene A] als verzekerde krachtens de UAP-polis had moeten laten leiden. Nu het onderdeel op onderdeel 1 voortbouwt, faalt het op grond van het bovenstaande eveneens. Overigens ligt het in de door het hof gevolgde benadering voor de hand dat [betrokkene A] ook als verzekerde ingevolge de arbeidsongeschiktheidsverzekering in professionele hoedanigheid bij het geschil met UAP was betrokken (zie 2.12 hiervoor).

Onderdeel 3

2.32 Onderdeel 3 voldoet wegens de algemeenheid van de klachten niet aan de eisen van art. 407, tweede lid Rv en bevat overigens geen nieuwe, zelfstandige klachten.

2.33 Ook middel III faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij

de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Zie het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995, onder 3.1.i tot en met 3.1.v. Het hof verwijst in rov. 1 van zijn arrest na verwijzing naar de feiten, zoals vermeld in het arrest van de Hoge Raad.

2 Het moment waarop LAR jegens [eiser] een beroep op de limiet van fl. 50.000,- per voorval heeft gedaan. [Eiser] heeft in het voorwaardelijk incidenteel appel aangevoerd dat LAR in ieder geval de werkzaamheden tot dat moment integraal dient te vergoeden. Deze beliepen kennelijk op dat moment reeds een bedrag, hoger dan fl. 50.000,-. Zie het vonnis van de rechtbank onder 14 en 17.

3 De polis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de daarbij behorende Algemene Voorwaarden zijn als productie 1 in het geding gebracht bij de memorie na verwijzing van LAR.

4 Zie ook het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995, p. 8, eerste volledige volzin.

5 HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635, m.nt. CJHB.

6 Veegens / Korthals Altes / Groen, Cassatie in burgerlijke zaken (1989), p. 171-172. Vgl. ook de uitzondering die de Hoge Raad op de maatstaf van het in noot 5 genoemde arrest heeft gemaakt voor de uitleg van collectieve arbeidsovereenkomsten, onder meer in HR 26 mei 2000, NJ 2000, 473; zie daarover Asser-Hartkamp 4-II (2001), p. 282-283.