Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6986

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
13-03-2002
Zaaknummer
01915/01
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6986
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 28, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 01915/01 U

Mr Machielse

Zitting: 27 november 2001

Conclusie inzake:

[verzoeker=de opgeeiste persoon]

1. Bij uitspraak van 20 juni 2001 heeft de arrondissementsrechtbank te Roermond de uitlevering ter fine van vervolging van verzoeker aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard, voor de feiten vermeld in het Haftbefehl van het Amtsgericht Landshut van 21 maart 2001. Dat Haftbefehl betreft - kort gezegd - de verdenking dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

2. Namens verzoeker heeft mr. J.F.M. Wasser, advocaat te 's-Hertogenbosch, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Ik bespreek eerst het tweede middel dat de klacht bevat dat de rechtbank - zonder daartoe gerechtigd te zijn - de inhoud van het Haftbefehl heeft aangepast.

3.2. De bestreden uitspraak houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"De raadsman heeft voorts geconcludeerd tot ontoelaatbaar verklaring van de verzochte uitlevering, aangezien nauwkeurige plaats- en tijdsaanduiding in de stukken ontbreken.(...)

Tenslotte heeft de raadsman aangegeven dat de rechtbank met de door het Bayerisches Staatsministerium der Justiz bij brief van 31 mei 2001 gedane correctie geen rekening kan houden, aangezien de Beierse uitvoerende macht niet een rechterlijk Haftbefehl mag corrigeren.

De weergave in het Haftbefehl op pagina 2, tweede alinea, vierde regel: "...belieferte im 4. Kalenderjahr zum ..." berust naar het oordeel van de rechtbank op een kennelijke schrijffout, aangezien de tekst "im 4. Kalenderjahr" op zichzelf geen strekking kan hebben. Dit oordeel van de rechtbank wordt bevestigd door het schrijven van 31 mei 2001 van het Bayerischen Staatsministerium der Justiz te München, waaruit blijkt dat de intentie van de vervolgende instantie is: "im vierten Kalenderviertelahr 2000". De rechtbank leest de tekst in het Haftbefehl gecorrigeerd als "im vierten Kalendervierteljahr 2000".

Nu de rechtbank zelfstandig de kennelijke schrijffout in het Hafbefehl heeft gecorrigeerd, is geen sprake van een correctie door het Bayerische Staatsministerium der Justiz. Mitsdien faalt het verweer."

3.3. Het is vaste jurisprudentie van Uw Raad dat het uitleveringsverzoek en de daarbij behorende stukken vatbaar zijn voor interpretatie door de uitleveringsrechter en dat diens uitleg in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst.(1) Hier is de rechtbank echter een stap verder gegaan en heeft zij de inhoud van het Haftbefehl "zelfstandig" verbeterd.

3.4. Tot cassatie behoeft zulks in het onderhavige geval niet te leiden op grond van het volgende.(2) Bij de aan de griffie van de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een op 23 juni 2001 - derhalve ná de uitspraak van de rechtbank - ingekomen schrijven van het Bayerisches Staatsministerium der Justiz van 8 juni 2001. Daaraan is gehecht een Beschluß van Ermittlungsrichter Templer van het Amtsgericht Landshut van 21 mei 2001, inhoudende:

"Der Haftbefehl des Amtsgerichts Landshut vom 21.03.2001 (GS 994/01) wird dahingehend berichtigt, daß der Texteil auf Seite 2, 2. Absatz, richtig lauten muß, wie folgt:

Der Beschuldigte fungierte als Geschäftsführer der Firma [A], diese GmbH als missing trader innerhalb der Tatorganisation.

Die GmbH belieferte im 4. Kalendervierteljahr 2000 zum Schein die Firma [B] und stellte als Nichtunternehmer Rechnungen, die zu Unrecht 407.856, 96 DM Umsatzsteuer auswiesen, ohne daß hierfür bei der Finanzverwaltung entsprechtende Umsatzsteuervoranmeldungen eingereicht wurden."

3.5. Uit deze door de onderzoeksrechter, die het betreffende Haftbefehl heeft uitgevaardigd, zelf opgestelde correctie kan genoegzaam worden afgeleid in welke periode de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd zouden zijn begaan. Ik heb aan de steller van het middel een afschrift van dit schrijven toegestuurd en hem de mogelijkheid geboden daarop zijn reactie te geven.(3) Van die mogelijkheid heeft mr. Wasser echter geen gebruik gemaakt.

3.6. Gelet op het hiervoor weergegevene is het belang aan het tweede middel komen te ontvallen en leidt het derhalve niet tot cassatie.

4.1 Het eerste middel klaagt erover dat plaats en tijd in het uitleveringsverzoek en de daaronderliggende stukken onvoldoende duidelijk zijn aangegeven.

4.2. Voor wat betreft de tijdsaanduiding, verwijs ik gemakshalve naar hetgeen ik met betrekking tot het eerste middel heb opgemerkt.

4.3. Met betrekking tot de plaats waar de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd beweerdelijk zijn begaan, houdt het Haftbefehl het volgende in:

"Dem Beschuldigten liegt folgender Sachverhalt zur Last:

Auf dem Gebiet der Bundesrepublik Deutschland und der benachbarten Mitgliedsstaaten der Europäischen Union hat sich eine Vereinigung gebildet, deren Zielsetzung auf die Erlangung von Vorsteuererstattungsansprüchen aus dem scheinbaren Handel mit Computerprozessoren (CPU's) gerichtet ist.(...)"

Daarnaast houdt het verbeterde Haftbefehl in hetgeen onder 3.4. is weergegeven.

4.4. Het oordeel van de rechtbank dat de pleegplaats conform artikel 12, tweede lid van het Europees Uitleveringsverdrag in de stukken is aangegeven, getuigt naar mijn mening niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat voor dergelijke aanduidingen geen grotere nauwkeurigheid wordt geëist dan ten tijde van het indienen van het uitleveringsverzoek mogelijk was en min of meer vage aanduidingen van tijd en plaats derhalve voldoende duidelijk zijn.(4)

Voor zover het middel nog bedoelt te klagen over het oordeel van de rechtbank dat zij het niet aan haar oordeel onderworpen acht of het Bayerisches Staatsministerium der Justiz wel rechtsmacht over de feiten heeft, faalt het middel evenzeer.(5)

5. Ambtshalve merk ik op dat de rechtbank in de uitspraak de feiten waarvoor de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard uitsluitend in kwalificatieve termen heeft omschreven. Aldus heeft de rechtbank niet voldaan aan het in artikel 28, derde lid van de Uitleveringswet gestelde vereiste om de feiten met voldoende nauwkeurigheid te omschrijven, inclusief opgave van tijd en plaats.(6) Uw Raad zal kunnen doen wat de rechtbank had behoren te doen.

6. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd doch uitsluitend voor zover daarbij is verzuimd de feiten te vermelden met betrekking waartoe de uitlevering kan worden toegestaan, dat de Hoge Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, die feiten alsnog zal vermelden, en dat het beroep zal worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 HR NJ 1985, 107; HR NJ 1988, 667.

2 Als de tijdsaanduiding in het Haftbefehl een duidelijke vergissing zou blijken te zijn op grond van andere gegevens in de stukken betreffende de uitlevering zou het in ieder geval, dunkt mij, aan de Rechtbank hebben vrijgestaan de tijdsaanduiding verbeterd te lezen. Zo een aanknopingspunt voor verbeterde lezing ontbreekt in dit geval evenwel.

3 Vgl. HR NJ 2000, 463.

4 Zie A.H.J. Swart, het Nederlandse uitleveringsrecht, nr. 350, pag. 394.

5 Vgl. HR NJ 1991, 134.

6 HR NJ 1981, 368.