Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6630

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-01-2002
Datum publicatie
18-01-2002
Zaaknummer
R01/086HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6630
Rechtsgebieden
Civiel recht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 21

Conclusie

Rek.nr. R01/086HR

Mr L. Strikwerda

Parket, 23 nov. 2001

Conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

de Gemeente Rossendaal

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, waarin thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, op grond van de (oude) ABW verhaal zoekt op thans verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], voor aan deze verleende bijstand, heeft eerder in cassatie gediend; zie HR 24 november 2000, Rek.nr. R99/106HR, n.g.

2. Het gaat om het volgende.

(i) Bij twee afzonderlijke verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het Kantongerecht te Bergen op Zoom op resp. 14 juli 1994 en 19 juni 1995, heeft de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van resp. f 3.118,19 en f 59.057,19 teruggevorderd van [verzoeker] (en diens - inmiddels gewezen - echtgenote). Het betreft bijstand verleend over de perioden van resp. 1 oktober 1990 tot en met 1 augustus 1991 en 1 oktober 1991 tot en met 8 november 1993. De Gemeente stelde dat de kosten van bijstand zijn verleend op grond van door de betrokkene verstrekte onjuiste en onvolledige inlichtingen.

(ii) Na verweer van [verzoeker] heeft de Kantonrechter, na een tussenbeschikking van 27 mei 1997, bij eindbeschikking van 14 juli 1998 in beide zaken het verzoek van de Gemeente toegewezen.

(iii) [Verzoeker] is van beide beschikkingen in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank te Breda. Bij beschikking van 6 april 1999 verklaarde de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk is zijn beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.

(iv) Deze beschikking is op het cassatieberoep van [verzoeker] bij de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 24 november 2000 vernietigd. De Hoge Raad wees het geding terug naar de Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

(v) Na verwijzing heeft de Rechtbank bij beschikking van 11 mei 2001 [verzoeker] alsnog ontvankelijk geoordeeld in zijn hoger beroep en de beroepen beschikkingen van de Kantonrechter bekrachtigd.

3. [Verzoeker] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig; zie art. 66 (oud) ABW jo. art. 426 lid 2 en 3 Rv) in cassatie gekomen met twee middelen. De Gemeente heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

4. Middel I klaagt dat de Rechtbank, door verhaal van het totale bedrag aan verstrekte bijstand toe te staan, heeft miskend dat bij terugvordering van bijstand als uitgangspunt heeft te gelden dat zulks slechts mogelijk is bij bijstand die niet verleend zou zijn indien de door betrokkene verstrekte inlichtingen juist en volledig zouden zijn geweest.

5. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de laatste alinea van r.o. 3.13 heeft de Rechtbank het door het middel bedoelde uitgangspunt in aanmerking genomen. De Rechtbank overweegt daar immers, dat de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] de noodzakelijkerwijs door hem te verstrekken inlichtingen niet heeft verstrekt en dat, ware die inlichtingen wel verstrekt, geen recht bestond op bijstandsverlening, althans dat een dergelijk recht niet kan worden vastgesteld bij gebreke van voormelde inlichtingen. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat het vervolgens aan [verzoeker] was om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat, indien hij bedoelde informatie wel had verstrekt, niettemin recht bestond op bijstandsverlening, doch dat dergelijke feiten door [verzoeker] niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn gesteld. Dit oordeel strookt met het door het middel bedoelde uitgangspunt en geeft, in de uitwerking die de Rechtbank daaraan heeft gegeven ten aanzien van de stelplicht en het bewijsrisico, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie o.m. HR 25 september 1992, NJ 1992, 749; HR 9 oktober 1992, NJ 1992, 770; HR 9 juni 2000, NJ 2000, 456.

6. Middel II keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank, in r.o. 3.18, dat geen sprake is geweest van berechting met overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM en dat [verzoeker] door de duur van de procedure niet is benadeeld.

7. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Ook indien juist zou zijn dat, toen de Rechtbank haar thans bestreden beschikking gaf, de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM was verstreken, zou de Rechtbank op grond daarvan niet tot een andere, voor [verzoeker] gunstiger beslissing hebben mogen komen dan die welke, naar het oordeel van de Rechtbank, uit het nationale recht voortvloeit. Vgl. HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA. Zie voorts de conclusie van A-G Franx onder 18-20 voor HR 7 februari 1986, NJ 1987, 791 nt. EEA en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 1996, blz. 236-239. Waar het middel de lange duur van de procedure met name toeschrijft aan gedragingen van de rechterlijke autoriteiten die over de zaak hebben geoordeeld, is er reeds daarom geen grond om de lange duur van de procedure in rekening bij de Gemeente te brengen door, zoals het middel kennelijk wil, de vorderingen van de Gemeente te matigen. Vgl. de conclusie van A-G Asser onder 2.6 voor HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,