Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6266

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-05-2002
Datum publicatie
23-05-2002
Zaaknummer
00090/01 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6266
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 293
NJ 2002/404
JM 2002/99 met annotatie van Koopmans
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00090/01 E

Mr Wortel

Zitting: 13 november 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. De economische kamer van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft een vonnis van de economische Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Roermond, waarbij verzoeker is veroordeeld wegens "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 7 van de Vogelwet 1936, opzettelijk begaan", bevestigd behalve ten aanzien van de bewijsvoering alsmede de opgelegde straf en de strafmotivering, en bepaald dat aan verzoeker geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van verzoeker is bewezen verklaard dat:

"hij op 31 juli 1998 in de gemeente Beesel, een havik (Accipiter Gentiles), zijnde een beschermde vogel, onder zich heeft gehad, terwijl hij, verdachte, dit economisch delict opzettelijk heeft begaan."

4. In de bestreden uitspraak is overwogen:

"De verdachte heeft als verweer aangevoerd dat hij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu het hem ten laste gelegde, onder verwijzing naar artikel 11 van het Vogelbesluit 1994 en de omstandigheid dat het regiem van de Vogelwet strijdig is met het bepaalde in artikel 28 van het Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap, géén strafbaar feit oplevert.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt:

In artikel 11 van het Vogelbesluit 1994 worden onder a, b en c een aantal voorwaarden genoemd waaraan moet worden voldaan wil - in afwijking van het bepaalde in artikel 7 van de Vogelwet 1936 - het onder zich hebben van jachtvogels zijn toegestaan.

Aan de in artikel 11 onder a en b genoemde voorwaarden is in casu door de verdachte voldaan. Aan het bepaalde in artikel 11 onder c, te weten dat de in de tenlastelegging genoemde havik overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11, 12, 20 of 35 van de wet binnen het grondgebied van Nederland moet zijn gebracht, is door verdachte naar het oordeel van het hof niet voldaan.

Artikel 11 aanhef en onder c van het Vogelbesluit levert een beperking van het vrije handelsverkeer als bedoeld in artikel 28 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op.

Deze beperking is echter naar het oordeel van het hof gerechtvaardigd op grond van artikel 30 van dat verdrag - waarin is bepaald dat verboden of beperkingen op het vrije handelsverkeer gerechtvaardigd kunnen zijn uit hoofde van ondermeer de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren - juncto artikel 8, tweede lid van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996, waarin nader is bepaald dat de lid-staten het in bezit hebben van specimens, met name van tot de in de bijlage A genoemde soorten levende dieren - waaronder de accipiter gentilis (havik) - kunnen verbieden.

De Nederlandse staat heeft aan het bepaalde in laatst genoemd artikel uitvoering gegeven in de Vogelwet, respectievelijk het Vogelbesluit en mocht het in bezit hebben van in die bijlage genoemde levende dieren ook als het betrof gekweekte en gewaarmerkte exemplaren, zoals in casu, aan regels binden nu artikel 8, lid 2 van de vorenbedoelde verordening voor gekweekte dieren geen uitzondering maakt."

5. Het eerste middel keert zich tegen het laatste onderdeel van deze overwegingen. Daarin zou een schending van art. 30 EG Verdrag gelegen zijn. Het gaat niet om een onjuiste uitleg van deze verdragsbepaling. De klacht komt er op neer dat het Hof ten onrechte art. 30 EG Verdrag in zijn overwegingen heeft betrokken, aangezien het aan de nationale instanties is om een beroep te doen op die bepaling indien zij menen dat een beperking geboden is ten aanzien van het in art. 28 EG Verdrag gewaarborgde vrije handelsverkeer, en de (onafhankelijke) nationale rechter niet is aan te merken als een nationale instantie die ermee belast is - van geval tot geval - aan te tonen dat een tot zulke beperking strekkende nationale regeling noodzakelijk is ter behartiging van de in art. 30 EG Verdrag bedoelde belangen.

6. In het middel - dat overigens bestaat uit een niet bijzonder concludente aaneenschakeling van opmerkingen die (soms woordelijk) ontleend lijken te zijn aan de annotatie bij HR NJ 1999, 553 - wordt de stelling betrokken dat het in een strafprocedure aan het openbaar ministerie is om namens de Staat op deze noodzakelijkheid van door art. 30 EG Verdrag toegelaten nationale regelingen, die beperkingen van het vrije handelsverkeer vormen, te wijzen.

7. Kennelijk wordt bedoeld te betogen dat de nationale rechter, die in een strafzaak moet oordelen, niet de vrijheid heeft om een nationale regeling in het licht van art. 30 EG Verdrag op haar noodzakelijkheid te toetsen indien de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie er niet op heeft gewezen waarin die noodzakelijkheid gelegen is.

Daarbij wordt er aan voorbijgegaan dat in het zo-even genoemde HR NJ 1999, 553 besloten ligt dat het wel degelijk tot de bevoegdheden van de strafrechter behoort zelfstandig te beoordelen in hoeverre een nationale regeling, waarvan de toepassing een beperking oplevert ten aanzien van het in art. 28 EG Verdrag gewaarborgde vrije handelsverkeer, als toepasselijk voorschrift kan worden aangemerkt, gelet op de voorwaarden waaronder de Lidstaten ingevolge het Verdrag zulke nationale voorschriften mogen stellen.

8. Waar in een strafproces door of namens de verdachte wordt betoogd (gelijk in het onderhavige geval is geschied) dat een nationale regeling buiten toepassing dient te blijven wegens strijdigheid met dwingend EG-recht zal de rechter hebben te onderzoeken of de nationale regelgever de grenzen heeft overschreden waarbinnen hij ingevolge de communautaire rechtsorde nog bevoegd is regels te stellen, vgl. Kapteyn/VerLoren van Themaat, Inleiding tot het recht van de Europese Gemeenschappen (Na Maastricht), vijfde druk, Deventer 1995, p. 53. Het zou niet aanvaardbaar zijn dat de strafrechter bij dat onderzoek niet zelfstandig zou mogen betrekken de in aanmerking komende bepalingen van EG recht waarop door enerzijds de verdediging, anderzijds het openbaar ministerie niet met zoveel woorden een beroep is gedaan. Een dergelijke, in de annotatie bij HR NJ 1999, 553 voorgestane, beperking in de beoordelingsvrijheid van de strafrechter miskent, enerzijds dat de strafrechter gehouden is zelfstandig te onderzoeken of het tenlastegelegde, zoals hij dat meent te kunnen bewezen verklaren, strafbaar is, en anderzijds dat de strafrechter - zoals iedere rechter - geacht wordt het communautaire recht te kennen en alle in aanmerking komende bepalingen daarvan in volle omvang toe te passen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel betreft 's Hofs overweging dat art. 11 Vogelbesluit 1994 niet meebrengt dat verzoeker - in afwijking van het bepaalde in art. 7 Vogelwet 1936 - de in de bewezenverklaring bedoelde havik onder zich mocht hebben, omdat wèl is voldaan aan de in art. 11 Vogelbesluit 1994 onder a en b gestelde voorwaarden, maar niet is voldaan aan de aldaar onder c gestelde voorwaarde dat deze vogel 'overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de artikelen 11, 12, 20 of 35 van de wet binnen het grondgebied van Nederland is gebracht'.

11. In het middel wordt betoogd dat de desbetreffende havik een vogel is waarvan de houder kan aantonen dat zij is gekweekt, dan wel op het grondgebied van één van de andere Lidstaten van de EG op geoorloofde wijze is verkregen, als bedoeld in art. 20 Vogelwet 1936, en dat verzoeker het gekweekt zijn van de vogel, respectievelijk de geoorloofde verkrijging daarvan in een andere EG-Lidstaat, heeft aangetoond aan de hand van een door de administratieve autoriteit in Duitsland "afgegeven certificaat als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Verordening (EG) nr 338/97 waarmede hem vrijstelling werd verleend van de verbodsbepaling ex artikel 8, eerste lid, van bedoelde Verordening, en hij dientengevolge gerechtigd was om alle grensoverschrijdende activiteiten binnen de Europese Gemeenschap te verrichten, en de betreffende vogel binnen het grondgebied van Nederland te brengen."

12. De bewezenverklaring ziet op het in art. 7 Vogelwet 1936 opgenomen verbod beschermde vogels onder zich te hebben.

13. In het eerste lid van art. 11 Vogelwet 1936 is bepaald dat vergunning kan worden verleend, ten behoeve van de uitoefening van de jacht, tot het onder zich hebben van haviken en slechtvalken. In het tweede lid van art. 11 Vogelwet 1936 is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld betreffende het onder zich hebben van de in het eerste lid bedoelde vogels, welke regels in ieder geval betrekking hebben op het verstrekken en aanbrengen van ringen of merken aan de vogels en het registreren daarvan, waarbij tevens het aantal vogels dat de houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid onder zich mag hebben aan een maximum wordt gebonden.

14. Nadere regels met betrekking tot het verstrekken en aanbrengen van ringen aan vogels en het registreren daarvan zijn te vinden in de art. 6 tot en met 10 van het Vogelbesluit 1994.

15. In art. 11 Vogelbesluit 1994 is voorts bepaald dat, onverminderd het bepaalde in het eerste lid van art. 11 Vogelwet 1936 en in afwijking van art. 7 van die Wet, het onder zich hebben van jachtvogels, gekweekte vogels als bedoeld in art. 20 van de Wet en vogels als bedoeld in art. 35, tweede en derde lid van de Wet, onderscheidenlijk cultuurvogels is toegestaan indien aan drie, cumulatief gestelde, vereisten is voldaan.

16. Een havik valt niet onder de zogenaamde cultuurvogels als bedoeld in art. 12 Vogelwet 1936 in verband met art. 3 Vogelbesluit 1994. Ook het bepaalde in de leden 2 en 3 van art. 35 Vogelwet 1936 is hier niet van belang; daarin wordt gedoeld op ganzen en eenden.

17. Voor zover het op het onderhavige geval toepasselijk zou kunnen zijn houdt art. 11 Vogelbesluit 1994 in dat het, in afwijking van art. 7 Vogelwet 1936, toegestaan is jachtvogels of gekweekte vogels onder zich te hebben indien voldaan is aan ieder van de volgende eisen:

a) de vogels moeten in een ander land dan Nederland zijn gekweekt;

b) zij moeten voorzien zijn van een door een overheidsorgaan van een andere Staat dan Nederland, of door een in een andere Staat erkende organisatie, afgegeven pootring die moet voldoen aan de in art. 6 Vogelbesluit gestelde vereisten (afgezien van de eis dat die pootring door de Nederlandse minister moet zijn afgegeven en ook afgezien van de eisen ten aanzien van de ringmaat), waardoor de vogel individueel herkenbaar is en de herkomst ervan blijkt;

c) de vogel moet overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de art. 11 of 20 Vogelwet 1936 gegeven voorschriften binnen Nederlands grondgebied zijn gebracht.

18. Klaarblijkelijk heeft het Hof art. 11 Vogelbesluit 1994 aldus verstaan dat met een overeenkomstig het bij of krachtens art. 11 Vogelwet 1936 bepaalde binnen Nederlands grondgebied gebrachte vogel is gedoeld op een havik of slechtvalk die binnen Nederlands grondgebied is gebracht door de houder van een ten behoeve van de uitoefening van de jacht afgegeven vergunning, een en ander als bedoeld in het eerste lid van art. 11 Vogelwet 1936, terwijl is voldaan aan de in het tweede lid van art. 11 Vogelwet 1936 bedoelde regels met betrekking tot het aan de vogel aanbrengen van een ring en het registreren van de vogel.

19. Die uitleg van art. 11 Vogelbesluit 1994 getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, nu in art. 11 Vogelbesluit 1994 is vooropgesteld dat deze bepaling geen wijziging brengt in art. 11, eerste lid, Vogelwet 1936 ("onverminderd het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de wet"), en in het tweede lid van art. 11 Vogelwet 1936 is voorzien dat de daar bedoelde, bij algemene maatregel van bestuur te stellen, eisen ook betrekking hebben op het aantal vogels dat de houder van een vergunning ten hoogste onder zich mag houden.

20. Blijkens de door verzoeker afgelegde verklaring die is weergegeven in het proces-verbaal der terechtzitting in hoger beroep was verzoeker niet in het bezit van een vergunning als bedoeld in art. 11, eerste lid, Vogelwet 1936.

21. Voor zover het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het in art. 11 Vogelbesluit 1994 onder c gestelde vereiste dat de (jacht)vogel overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens art. 11 Vogelwet 1936 binnen Nederlands grondgebied is gebracht, is zijn oordeel niet onbegrijpelijk.

22. Naar luid van art. 20 Vogelwet 1936 gelden de in art. 7 Vogelwet 1936 gestelde verboden niet ten aanzien van de beschermde vogels die behoren tot de door de minister aangewezen soorten, waarvan de houder kan aantonen dat zij zijn gekweekt, dan wel op het grondgebied van één der andere Lidstaten van de Europese Gemeenschappen op geoorloofde wijze zijn verkregen.

23. De hier bedoelde ministeriële aanwijzing van vogelsoorten is te vinden in art. 2 van de Regeling uitvoering Vogelwet 1936 (Regeling van 16 augustus 1994, nr J 9411548, Stcrt 162), zoals die bepaling is gaan luiden krachtens de Regeling van 1 juli 1997, nr J 971920, Stcrt 1997, 128.

Aangewezen zijn:

a) voor zover de houder kan aantonen dat de vogel is gekweekt: alle soorten met uitzondering van de in de bijlage bij de Regeling opgenomen soorten, en

b) voor zover de houder kan aantonen dat de vogel, indien niet gekweekt, op geoorloofde wijze is verkregen op het grondgebied van één der andere Lidstaten van de Europese Unie, enkele nader genoemde soorten hoenen en patrijzen.

In de bijlage bij de Regeling waarop in art. 2 daarvan onder a wordt gedoeld is de Accipiter gentilis (Havik) vermeld.

24. Aldus behoort een havik niet tot een vogelsoort als bedoeld in art. 20 Vogelwet 1936.

Opmerking verdient dat in de toelichting op de Regeling van 1 juli 1997 tot wijziging van de Regeling van 16 augustus 1994 nog eens is benadrukt dat de in art. 20 Vogelwet 1936 bedoelde vrijstelling van de in art. 7 van die Wet opgenomen verbodsnormen geen betrekking dient te hebben op de in de bijlage bij de Regeling van 1997 genoemde vogelsoorten. Aldaar is er op gewezen dat de gewijzigde Regeling uitvoering vogelwet 1936 een tijdelijke is, aangezien een wijziging van het Vogelbesluit 1994 in voorbereiding is waarin nog een extra waarborg ter voorkoming van schade aan de wilde populatie (van vogelsoorten) zal worden ingebouwd. Die extra waarborg zal er in gelegen zijn dat de houder van gekweekte vogels wordt verplicht een register van de gehouden vogels bij te houden, waarin aangetekend dient te worden van wie en wanneer de vogels zijn ontvangen en aan wie en wanneer ze zijn afgeleverd. Als deze verplichting eenmaal is ingevoerd zal het, aldus deze toelichting, in beginsel ook ten aanzien van de gekweekte vogels van de in de bijlage genoemde soorten, die nu nog niet onder de vrijstellingsregeling vallen, verantwoord zijn de handel en het bezit toe te staan indien aan de ring- en registratievoorschriften is voldaan. In dat verband wees de minister er op dat ten aanzien van deze soorten het risico op onttrekking van eieren of vogels aan de natuur, en daardoor schade aan de wilde popualtie, groter is.

25. De wijziging van het Vogelbesluit 1994 waarop in deze toelichting is gedoeld, heeft, voor zover ik kon nagaan, nog niet plaatsgevonden. Mogelijk houdt dat ermee verband dat inmiddels de Flora- en Faunawet is vastgesteld (Wet van 25 mei 1998, houdende regels ter bescherming van in het wild levende planten- en diersoorten, Stb 402), waarin is bepaald dat de artikelen uit - onder andere - de Vogelwet 1936 op een nader te bepalen tijdstip (dat voor de diverse artikelen verschillend kan worden vastgesteld) zullen vervallen, en dat - onder meer - de Vogelwet 1936 zal worden ingetrokken, vgl. art. 123 Flora- en Faunawet. De Flora- en Faunawet is nog niet in werking getreden. De oorzaak daarvan is aangeduid in een brief van de staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 9 februari 2001 (Kamerstukken II, 2000/2001, 23 147, nr 127): de Europese Commissie heeft verzocht het inwerkingtreden van de Wet uit te stellen in verband met bezwaren tegen de daarin opgenomen aanvullende maatregelen ter bescherming van diersoorten die niet door de zogenaamde Cites-Verordening worden beschermd en tegen de in de Wet voorziene uitbreiding van verbodsbepalingen ten aanzien van niet bedreigde uitheemse diersoorten.

26. Ook voor zover het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de in art. 11 onder c Vogelbesluit 1994 gestelde eis dat de vogel overeenkomstig het bepaalde in of krachtens art. 20 Vogelwet 1936 binnen het grondgebied van Nederland moet zijn gebracht, getuigt zijn oordeel niet van een verkeerde rechtsopvatting, en is dat oordeel niet onbegrijpelijk.

27. Daaraan kan niet afdoen dat verzoeker er een beroep op heeft gedaan dat een overheidsinstantie in de Bondsrepubliek Duitsland met betrekking tot de havik een certificaat heeft afgegeven als bedoeld in art. 8, derde lid, Verordening (EG) 338/97 (Raad).

28. Verordening (EG) 338/97, Pbl 1997, No L 61/1, vastgesteld door de Raad van de Europese Gemeenschappen, strekt ertoe de in het wild voorkomende fauna en flora te beschermen door de handel daarin aan regels te onderwerpen. Verordening (EG) 939/97, Pbl 1997, No L 140, vastgesteld door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, strekt tot uitvoering van Verordening (EG) 338/97.

De beide verordeningen zijn in werking getreden op 1 juni 1997.

29. Art. 8 Verordening (EG) 338/97 houdt het volgende in.

Krachtens het eerste lid dient het kopen, te koop vragen, verwerven met een commercieel oogmerk, aan het publiek tentoonstellen met een commercieel oogmerk, gebruik uit winstbejag, het verkopen, en het ten verkoop voorhanden hebben, aanbieden of vervoeren van exemplaren (specimens) van de in Annex A bij de Verordening vermelde diersoort (species) verboden te zijn.

Krachtens het tweede lid mogen de Lidstaten het houden van exemplaren, in het bijzonder levende dieren, van de in Annex A bij de Verordening vermelde species verbieden.

Krachtens het derde lid kan ontheffing van de in het eerste lid omschreven verboden worden verleend, in overeenstemming met communautaire regelgeving betreffende het behoud van wilde fauna en flora, doordat een administratieve autoriteit in de Lidstaat waarin de specimens zich bevinden een certificaat afgeeft, waartoe van geval tot geval zal moeten worden beslist, indien zich een aantal nader omschreven omstandigheden voordoen.

Als zodanige omstandigheid is onder andere genoemd dat het gaat om een in gevangenschap geboren en gefokt exemplaar van een diersoort (art. 8, derde lid, onder d, Verordening).

30. In art. 9 Verordening (EG) 338/97 is voorts bepaald dat iedere verplaatsing binnen de Europese Gemeenschap van een specimen van een op Annex A bij de Verordening vermelde species van de plaats die is aangeduid in een overeenkomstig de Verordening afgegeven certificaat, voorafgaande toestemming behoeft van de autoriteit in de Lidstaat waarin het specimen zich bevindt. Die toestemming dient belichaamd te zijn in een certificaat.

31. In art. 10 Verordening (EG) 338/97 is nog eens geregeld dat de administratieve autoriteit in een Lidstaat (management authority of a Member State) een certificaat kan afgeven, onder meer voor de in art. 8, derde lid (vrijstelling van de in art. 8, eerste lid, omschreven verboden) en in art. 9, tweede lid onder b (verplaatsing) genoemde doeleinden.

32. In art. 11, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 is bepaald dat certificaten die in overeenstemming met deze Verordening door de bevoegde autoriteit zijn afgegeven in de gehele Europese Gemeenschap geldig zullen zijn, evenwel behoudens striktere maatregelen die de Lidstaten zullen treffen of in stand houden.

33. De havik (accipiter gentilis) is vermeld op de bij de Verordening behorende Annex A

34. In art. 32, aanhef en onder b, Verordening (EG) 939/97 is bepaald dat de in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 opgenomen verbodsbepalingen, en het in art. 8, derde lid, van die Verordening opgenomen voorschrift dat ontheffing van die verboden van geval tot geval moet worden beoordeeld, niet van toepassing zijn op in gevangenschap geboren en gefokte levende dieren die zijn gemerkt overeenkomstig art. 36, eerste lid Verordening (EG) 939/97 en vergezeld gaan van een door de bevoegde instantie in een Lidstaat aan de fokker afgegeven certificaat als bedoeld in art. 20 van deze Verordening.

Blijkens het eerste lid en het derde lid, aanhef en onder d, van bedoeld art. 20 kan de administratieve autoriteit in de Lidstaat waarin een specimen zich bevindt een certificaat afgeven, strekkende tot vrijstelling van één of meer van de in art. 8, derde lid, Verordening (EG) 338/97 omschreven verboden, op de grond dat het specimen een in gevangenschap geboren en gefokt dier is.

Uit de samenhang van het eerste, derde en vierde lid van bedoeld art. 20 volgt dat een certificaat, strekkende tot het verlenen van vrijstelling van één of meer van de in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 omschreven verboden, als bedoeld in het derde lid van art. 20 Verordening (EG) 939/97, moet worden onderscheiden van een certificaat, strekkende tot het verplaatsen van het specimen, geregeld in art. 9 Verordening (EG) 338/97, waarop het vierde lid van art. 20 Verordening (EG) 939/97 betrekking heeft.

35. Krachtens art. 36, eerste en vijfde lid, in verband met art. 34, eerste lid, Verordening (EG) 939/97 dienen in gevangenschap geboren en gefokte vogels te worden gemerkt met behulp van een individueel gemerkte, naadloze en gesloten pootring die aan overige, in art. 36, vijfde lid, gestelde eisen voldoet.

Voorts is in art. 38, eerste lid, van deze Verordening bepaald dat de bevoegde instanties van de Lidstaten de merkingsmethoden erkennen die door de bevoegde instanties van de andere Lidstaten overeenkomstig art. 36 zijn goedgekeurd.

36. Tot de aan de Hoge Raad toegezonden stukken behoort een proces-verbaal, opgemaakt door een ambtenaar van de Algemene Inspectiedienst, tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, en een hoofdagent van politie. Daaruit blijkt

dat op 31 juli 1998 onder verzoeker een havik is inbeslaggenomen die was voorzien van een pootring met het nummer NW 001 03890. Blijkens diens in dit proces-verbaal opgenomen verklaring is verzoeker deze havik gaan houden terwijl zij toebehoorde aan zekere [betrokkene A] in Duitsland.

Als bijlage is bij dit proces-verbaal gevoegd een origineel exemplaar van een op 1 juli 1997 - derhalve na het inwerkingtreden van de bovengenoemde Verordeningen - door een "Landrätin / untere Landschaftsbehörde" in het Kreis Gütersloh ten name van zekere [betrokkene B] te Rietberg afgegeven "Cites Bescheinigung", met het nummer GT 271/97, waarop is aangetekend "Ring: NW 001 03890 / offener Ring / lebender Habicht", land van oorsprong "Deutschland", wetenschappelijke aanduiding "Accipiter gentilis", en "Hiermit wird bescheinigt, dass die vorgenannten Exemplare (...) in Gefangenschaft geboren und aufgezogen wurden oder Teile solcher Tiere sind oder daraus erzeugt wurden".

In dit document is een "Anhang" genoemd, waarmee kennelijk gedoeld is op een, tevens als bijlage bij het proces-verbaal gevoegde, brief van "Die Landrätin / Kreis Gütersloh" tot [betrokkene B] gerichte brief, eveneens gedateerd 1 juli 1997, inhoudende "für die Vermarktung (Verkauf, Angebot zum Verkauf, Befördern zu Verkaufszwecken, Zurschaustellung und Verwendung zu kommerziellen Zwecken) Ihres 1997 geschlüpften 0.1 Habichts erteile ich Ihnen gemäß Artikel 8 Abs. 3 Buchstabe d der Verordnung (EG) Nr. 338/97 die AUSNAHMEGENEHMIGUNG von den Verboten des Artikels 8 Abs. 1 der Verordnung (EG) Nr. 338.97

Diese Genehmigung ist ausschließlich für den Habicht gültig, der den Ring NW 001 03890 trägt.

Ferner ist sie nur in Verbindung met der CITES-Bescheinigung GT 271/97 wirksam."

Voorts is als bijlage bij het proces-verbaal gevoegd een brief, namens het Kreis Heinsberg gericht tot zekere [betrokkene A] te Waldfeucht, waaruit blijkt dat de met ring nummer NW 001 03890 gemerkte havik door [betrokkene A] in eigendom is verworven.

Een en ander wijst uit dat de in de tenlastelegging bedoelde havik de vogel is die in de bovengenoemde "Cites Bescheinigung" is omschreven en van de daarin aangeduide pootring is voorzien.

37. In 's Hofs oordeel dat ten aanzien van deze vogel is voldaan aan de in art. 11 onder a en b Vogelbesluit 1994 gestelde vereisten ligt besloten dat het door de autoriteiten in de Bondsrepubliek afgegeven Cites-document en de, blijkens dat document, aan de vogel aangebrachte pootring, aangemerkt moeten worden als het in art. 10 Verordening (EG) 338/97 bedoelde certificaat, strekkende tot het verlenen van vrijstelling op een in art. 8, derde lid van de Verordening genoemde grond van de in art. 8, eerste lid, van de Verordening omschreven verboden, onderscheidenlijk als de in art. 34, eerste lid , en art. 36, eerste en vijfde lid, Verordening (EG) 939/97 bedoelde methode van merking van de vogel.

38. Een miskenning van het in art. 11, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 opgenomen voorschrift dat de door de bevoegde autoriteiten afgegeven certificaten, als bedoeld in die Verordening, in de gehele Europese Gemeenschap geldig zullen zijn, of van de bij art. 38 Verordening (EG) 939/97 op de Lidstaten gelegde verplichting om de merkingsmethoden te erkennen die door de bevoegde instanties in de andere Lidstaten overeenkomstig art. 36 van die Verordening zijn goedgekeurd, ligt in 's Hofs oordeel derhalve niet besloten.

39. De vrijstelling van het in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 opgenomen verbod tot het kopen, met een commercieel oogmerk verwerven of aan het publiek tentoonstellen, uit winstbejag gebruiken of het ten verkoop voorhanden hebben, aanbieden of vervoeren van een exemplaar van een in Annex A bij deze Verordening genoemde diersoort, blijkende uit een certificaat als bedoeld in art. 10 van deze Verordening, brengt noodzakelijk mee dat ook het verbod tot het houden van dat in het certificaat genoemde exemplaar - welk verbod de Lidstaten krachtens het tweede lid van art. 8 van de Verordening mogen uitvaardigen -niet toepasselijk is op degene aan wie de vrijstelling is verleend.

40. Uit

- de in art. 8, tweede lid, Verordening (EG) 338/97 aan de Lidstaten van de Europese Gemeenschap gelaten vrijheid om te bepalen dat het houden van specimen van de op Annex A bij de Verordening vermelde species verboden is, en

- de in art. 11 van deze Verordening opgenomen bepaling dat een door de bevoegde autoriteit in een Lidstaat afgegeven certificaat in de gehele Europese Gemeenschap geldig is, maar die geldigheid in de gehele Europese Gemeenschap niet afdoet aan de striktere maatregelen (dan voorzien in de Verordening) die de Lidstaten mogen treffen of in stand houden,

volgt evenwel dat het tot de bevoegdheden van de Lidstaten blijft behoren om een verbod tot het onder zich hebben van een exemplaar van de op Annex A bij de Verordening vermelde species te handhaven ten opzichte van personen die niet voldoen aan in een nationale regeling neergelegde eisen. Tot zodanige eisen kan behoren dat aan de persoon die een exemplaar van de op Annex A bij de Verordening vermelde species onder zich zou moeten krijgen een daartoe strekkende vergunning is verleend.

41. Het staat de Lidstaten, met andere woorden, vrij hun nationale regelgeving aldus in te richten dat een verbod tot het onder zich hebben van specimen van de op Annex A bij Verordening (EG) 338/97 genoemde species uitgangspunt is; daarvan uitgaande allereerst moet worden beoordeeld, naar in die nationale regelgeving neergelegde maatstaven, of een bepaalde persoon als gevolg van een in die regelgeving voorziene uitzondering dan wel op grond van een machtiging of vergunning, van dat verbod is of kan worden vrijgesteld, en alleen aan zulke, niet aan het verbod tot het houden van de desbetreffende species onderworpen, personen met betrekking tot de door merking en registratie te individualiseren specimen van die species vrijstelling kan worden verleend door het afgeven van certificaten als bedoeld in art. 10 Verordening (EG) 338/97 en art. 20 Verordening (EG) 939/97.

42. Reeds daarom getuigt 's Hofs oordeel, voor zover daarin besloten ligt dat het in de Bondsrepubliek Duitsland afgegeven Cites-certificaat, en de daaruit blijkende omstandigheid dat de havik aldaar is voorzien van een pootring, niet het rechtsgevolg kan hebben dat het in art. 7 Vogelwet 1936 opgenomen verbod tot onder zich hebben van de in de tenlastelegging bedoelde havik buiten toepassing dient te blijven omdat verzoeker is vrijgesteld van de in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 omschreven verboden, niet van een onjuiste rechtsopvatting.

43. Daarbij voegt zich of dat, nu

- blijkens art. 20, eerste lid, Verordening (EG) 939/97 een door de bevoegde autoriteit in een Lidstaat af te geven certificaat betreffende een zich aldaar bevindend specimen uitsluitend zal strekken tot vrijstelling van de in Verordening (EG) 338/97 gestelde verbodsnormen die zijn aangeduid in de onderscheiden leden van dit art. 20, en

- een certificaat waarin is neergelegd dat er vrijstelling bestaat van de in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 omschreven verboden, als bedoeld in het derde lid van art. 20 Verordening (EG) 939/97, moet worden onderscheiden van een certificaat dat overeenkomstig het vierde lid van art. 20 van deze Verordening is afgegeven met het oog op art. 9 Verordening (EG) 338/97, betreffende het verplaatsen van specimen,

terwijl uit de stukken blijkt

- dat het in de Bondsrepubliek Duitsland met betrekking tot de in de tenlastelegging bedoelde havik afgegeven Cites-document alleen strekte tot vrijstelling van de in art. 8, eerste lid, Verordening (EG) 338/97 verboden gedragingen,

dit document niet de vereiste voorafgaande toestemming tot verplaatsing van de havik vanuit de Bondsrepubliek Duitsland naar Nederland inhield, als bedoeld in art. 9 Verordening 338/97.

Ook om die reden wordt in het middel ten onrechte betoogd dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij gerechtigd was de desbetreffende vogel binnen Nederlands grondgebied te brengen.

44. Ook dit middel faalt derhalve.

45. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,