Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6257

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
08-01-2002
Zaaknummer
03930/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6257
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 20
NJ 2002, 204

Conclusie

Nr. 03930/00

Mr. Machielse

Zitting: 13 november 2001

Conclusie inzake:

[Verzoekster=verdachte]

1. Bij arrest van 18 september 2000 is verzoekster door het gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld ter zake van 1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en 2. "in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen danwel te behouden". Verzoekster is daarbij veroordeeld tot het verrichten van 80 uur onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, in plaats van zes weken gevangenisstraf.

2. Mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiden, heeft namens verzoekster tijdig beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur, houdende drie middelen van cassatie, ingediend.

3.1. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat het hof art. 424 lid 2 Sv heeft geschonden en/of verkeerd toegepast, nu uit de stukken niet blijkt dat de Officier van Justitie tijdig hoger beroep heeft ingesteld en het hof "desondanks (...) een zwaardere straf [heeft] opgelegd dan in eerste instantie zonder in het arrest te vermelden dat dit met eenparigheid van stemmen is geschied".

3.2. Het middel faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

De politierechter bij de rechtbank te 's-Gravenhage heeft op 7 januari 1999 vonnis gewezen. Blijkens de zich bij de ingezonden stukken bevindende "akte instellen rechtsmiddel" heeft de Officier van Justitie op 19 januari 1999 door een door hem gemachtigd persoon bij de griffie van de rechtbank hoger beroep tegen dit vonnis laten instellen. Dit is derhalve binnen de 14-dagen termijn gebeurd die voor het instellen van een rechtsmiddel open staat. Art. 424 lid 2 Sv, dat uitgaat van de situatie waarin enkel de verdachte in hoger beroep is gekomen, is in casu dus niet van toepassing.

3.3. Overigens berust het middel voorts - ook indien wel enkel verzoekster hoger beroep zou hebben ingesteld - op een onjuiste interpretatie van art. 424 lid 2 Sv. Dit artikel bepaalt weliswaar dat een verdachte, die alleen in hoger beroep is gekomen, slechts met eenparigheid van stemmen tot een zwaardere straf dan in eerste aanleg is opgelegd, kan worden veroordeeld, maar deze bepaling behelst slechts een bijzondere aanwijzing voor de rechter(1). De wet vordert niet dat de door die bepaling vereiste eenparigheid van stemmen uit het arrest blijkt(2).

3.4. Het eerste middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

4.1. Het tweede middel komt op tegen de bewijsvoering van beide bewezenverklaarde feiten. Het bevat de klacht dat de gebezigde bewijsmiddelen "slechts vermoedens en getuigenissen van "horen zeggen" bevatten, nu door de verbalisanten geen eigen waarnemingen zijn verricht in of bij de woning [a-straat 1] te [woonplaats] (de woning van verzoekster; A.M.). Voorts is de steller van het middel van mening dat "uit niets blijkt dat er in de [a-straat] sprake was van een gezamenlijke huishouding zoals ten laste gelegd is".

4.2. Vooreerst merk ik op dat ten aanzien van verzoekster telkens is bewezenverklaard dat zij niet heeft vermeld resp. heeft verzwegen dat zij "samenwoonde". De steller van het middel spreekt van een "gezamenlijke huishouding". Het hof heeft kennelijk en terecht het begrip "samenwonen" in de tenlastelegging uitgelegd als het voeren van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in art. 3 lid 3 ABW, zodat ook in cassatie van deze gelijkstelling kan worden uitgegaan.

Ik begrijp het middel aldus dat wordt betoogd dat er geen wettig bewijs is voor de tenlastegelegde "gezamenlijke huishouding", nu de verbalisanten niet zelf in verzoeksters woning hebben waargenomen dat zij daar samen met [betrokkene B] woonde, maar dit slechts "van horen zeggen" hebben.

Het middel miskent dat reeds sinds de aanvaarding van de zogenaamde de-auditu-constructie in 1926 een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar dat weergeeft wat de betrokken opsporingsambtenaar van een getuige heeft gehoord als bewijsmiddel gebezigd kan worden(3).

De in het middel bestreden en als bewijsmiddelen 1, 2 , 3 en 4 gebezigde ambtsedig opgemaakte processen-verbaal bevatten de tegenover de verbalisanten afgelegde verklaringen van respectievelijk de aangever, verzoekster en de partner van verzoekster. Het hof heeft deze verklaringen derhalve - zonder nadere motivering - tot het bewijs kunnen bezigen. Voorts doet het middel een beroep op feiten die door het hof niet zijn vastgesteld, zoals op een gebrek aan wetenschap bij verbalisanten van de indeling van de woning.

In zoverre faalt het middel dus.

4.3. Ten aanzien van de in het middel opgeworpen klacht dat "uit niets blijkt dat er in de [a-straat] sprake was van een gezamenlijke huishouding zoals ten laste gelegd is" is van belang wat onder een "gezamenlijke huishouding" dient te worden verstaan.

Art. 3 lid 3 Algemene bijstandswet bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is "indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins"

4.4. Het hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen hieromtrent vastgesteld dat:

- verzoekster en [betrokkene B] vanaf de zomer van 1993 het hele huis deelden (bewijsmiddel 2);

- verzoekster en [betrokkene B] de woningen in de [a-straat] en de [c-straat] te [woonplaats] samen gebruikten/gebruiken en dat zij gezamenlijke huisvesting hebben (bewijsmiddel 4);

- zij samen de slaapkamer, de doucheruimte, de huiskamer en de keuken gebruikten (bewijsmiddel 4);

- zij samen boodschappen deden en de gezamenlijke boodschappen beiden betaalden (bewijsmiddel 2);

- in de woonkamer meubels van zowel verzoekster als [betrokkene B] stonden (bewijsmiddel 2);

- zij samen de kosten voor de katten dragen (bewijsmiddel 4);

- zij samen de maaltijden gebruiken (bewijsmiddel 4);

- verzoekster kookte en waste voor [betrokkene B] (bewijsmiddel 2);

- verzoekster van [betrokkene B] een koelkast, een wasmachine en een oventje heeft gekregen (bewijsmiddel 4);

In dit licht bezien kan de tenlastegelegde "gezamenlijke huishouding", te verstaan als een situatie waarin betrokkenen gezamenlijk voorzagen in huisvesting, terwijl beiden een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzagen,(4) uit de gebezigde bewijsmiddelen volgen. Het hof was niet gehouden tot een nadere motivering die te dezen ontbreekt.

Voorzover het middel is toegespitst op "de [a-straat]", miskent het dat dit niet is tenlastegelegd.

4.5. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.

5.1. In het derde middel wordt de klacht opgeworpen dat het hof ten onrechte heeft aangenomen dat sprake is van een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr, nu de formulieren van de Sociale Dienst slechts "inlichtingen-formulieren" zouden zijn zonder bewijskracht.

Voorts is de steller van het middel van mening dat bij verzoekster geen sprake is van "enige vorm van opzet".

5.2. De eerste klacht stuit af op HR NJ 1988, 62, waaruit volgt dat een inlichtingenformulier betreffende een uitkering een geschrift is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr.

5.3. De enkele stelling dat geen sprake is van opzet tot het verrichten van de gewraakte handelingen, is geen cassatiemiddel in de zin der wet, nu het geen grief gericht tegen de bestreden uitspraak betreft, maar slechts een herhaling is van een in feitelijke aanleg gevoerd verweer(5). Ook de kennelijk als toelichting op de klacht bedoelde overweging dat "de betrokkenen (bedoeld zal zijn "betrokken"; A.M.) beleidsmedewerkers (...) volledig op de hoogte (waren( van het feit dat [betrokkene B] de beschikking had gekregen over een kamer in de betrokkene woning" (bedoeld zal zijn: de woning van betrokkene; A.M.), "zodat er op geen enkele wijze gehandeld is in strijd met enige wettelijke bepaling" kan niet als zodanig worden aangemerkt.

5.4. Het derde middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

6. De middelen lenen zich overigens naar mijn smaak alle voor de zogenoemde 101a RO-afdoening.

7. Ambtshalve wijs ik nog op het volgende. In de pleitnota in hoger beroep overgelegd is aangegeven dat er van verschoonbare dwaling sprake zou zijn, gelet op de elkaar tegensprekende ambtenaren van de gemeente Leiden. Voorts is daar vermeld dat verzoekster de formulieren zo heeft ingevuld op advies van de bedrijfsmaatschappelijk werker. In onderlinge samenhang beschouwd en gelet op de verklaring van verzoekster ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd dat "ze overal van (wisten)" komt het mij voor dat een beroep op avas is gedaan dat respons verdiende. Nu het arrest geen uitdrukkelijke verwerping van het verweer bevat meen ik dat er grond voor cassatie aanwezig is.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de strafzaak naar een aangrenzend hof dat de zaak opnieuw zal dienen te berechten en af te doen.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie HR 01-06-1999, nr. 110. 369.

2 Zie HR NJ 1994, 613; HR DD 98.095.

3 Zie HR NJ 1927, p. 85 en in het bijzonder voor de proces-verbaal variant HR NJ 1929, p. 1089, W1194. Zie ook G.J.M. Corstens, Handboek, p. 637-638.

4 HR NJ 1998, 835.

5 Zie A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e druk, p. 82.