Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6240

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
10-04-2002
Zaaknummer
03781/00 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03781/00/P

Mr Jörg

Zitting: 20 november 2001

Conclusie inzake

[verzoeker=de betrokkene]

1. Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij beslissing (mijns inziens een arrest, zie art. 511h j° 427, eerste lid, Sv) van 20 september 2000 het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op ƒ 553.042,02, hem een ontnemingsmaatregel van die omvang opgelegd en de vervangende hechtenis bepaald op 50 maanden.(1)

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt erover dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan blijken dat verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.

4. Het hof heeft een schriftelijk bescheid, zijnde een rapport van L.H.M. Geerlings (adjunct accountant bij de Afdeling Forensische Accountancy van de divisie Centrale Recherche Informatie van het Korps Landelijke Politie Diensten) als eerste bewijsmiddel opgenomen. In de weergave van het rapport is onder het kopje "2. Doelstelling" het volgende opgenomen:

"Het doel van mijn onderzoek is geweest

- na te gaan of en in hoeverre [de betrokkene] voordeel heeft genoten door aan- en verkopen van valuta's door Wisselkantoor [...] bij de Aachener Bank eG niet in de administratie van het Wisselkantoor te verantwoorden."

Alleen op deze plaats komt verzoekers naam in de bewijsmiddelen voor. De bewijsmiddelen houden niets in omtrent door verzoeker genoten voordeel. Uit de bewijsconstructie is slechts op te maken dat transacties plaatsvonden tussen Wisselkantoor [...] en de Aachener Bank eG. Op geen enkele wijze blijkt welk voordeel verzoeker heeft behaald met deze transacties. Zo blijkt bijvoorbeeld niet welke rol verzoeker speelde; had het hof feitelijk vastgesteld dat verzoeker binnen Wisselkantoor [...] de verantwoordelijkheid had voor de transacties, dan had wellicht in aansluiting daarop kunnen worden vastgesteld dat verzoeker het daarmee gepaard gaande voordeel had genoten. Het middel is aldus terecht voorgesteld.

5. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof niet heeft beslist op een verweer inhoudende dat bij de bepaling van het voordeel rekening moet worden gehouden met gemaakte kosten.

6. In de in hoger beroep overgelegde pleitnota is het volgende opgenomen:

"Als [de betrokkene] werkelijk het bovenwereldse financiële verlengstuk van een criminele organisatie was en hij ten behoeve van die organisatie waarbij hij zelf wellicht ook verwijtbaar betrokken was, wisseltransacties verrichtte, dan acht de verdediging het onaannemelijk dat hij op de voor de organisatie verrichte transacties winst maakte.

Dat zou hem immers niet in dank zijn afgenomen als hij én mee zou delen in de opbrengsten van de handel én hen nog eens, ten voordele van zijn eigen portemonnaie, zou benadelen door ten koste van hen winst te maken op de wisseltransacties.

Als ze lucht zouden krijgen van het feit dat [de betrokkene] een hogere koers voor de valuta ontvangt dan zij, dan had het wel eens snel met hem afgelopen kunnen zijn. Het is een op geldbeluste wereld die het niet tolereert dat een bendelid zich ten koste van de andere bendeleden verrijkt.

Had [de betrokkene] op de verzwegen transacties winst gemaakt (door benadeling van zijn mededaders (lager koers-berekening)) dan was het, naar het de verdediging voorkomt, snel afgelopen met hem en had men iemand anders ingeschakeld.

Nu er tevens, zoals uit de rapportages blijkt, nooit rekening is gehouden met door [de betrokkene] terzake deze wisseltransacties gemaakte kosten (reiskosten, personeelskosten, etc.), is het bijkans ondoenlijk om de behaalde winst, zo die er al is, vast te stellen."

7. Ik bespreek dit middel los van de gegrondheid van het eerste middel. Hetgeen in de pleitnota naar voren is gebracht met betrekking tot de gemaakte kosten had door het hof niet behoeven te worden opgevat als een verweer ertoe strekkende dat op het vast te stellen bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten in mindering zouden moeten worden gebracht. Er is slechts in zijn algemeenheid aangevoerd dat de bepaling van het verkregen voordeel bemoeilijkt wordt door het ontbreken van gegevens omtrent gemaakte kosten. Indien de verdediging wenst dat bij de voordeelsberekening door de rechter rekening wordt gehouden met gemaakte kosten, dan ligt het op de weg van de verdediging om dit nadrukkelijk en gespecificeerd naar voren te brengen. De verdediging zal daartoe in beginsel minimaal inzichtelijk dienen te maken, welke kosten en tot welke bedragen de rechter bij de voordeelsberekening in acht zou moeten nemen. Nu namens verzoeker niet meer dan een suggestie is gedaan dat kosten een rol spelen bij het bepalen van de illegaal behaalde winst, behoefde het hof bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet nadrukkelijk in te gaan op eventueel in aanmerking te nemen kosten. Het middel faalt derhalve en zou zich voor toepassing van art. 101a RO lenen indien Uw Raad aan de bespreking hiervan zou toekomen.

8. Het derde middel klaagt over de verwerping van het beroep op overschrijding van de redelijke termijn.

9. Met betrekking tot het in het middel bedoelde verweer heeft het hof in de bestreden uitspraak het volgende overwogen:

"Van de zijde van verweerder is het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie primair niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard en subsidiair een substantiële matiging van een eventuele oplegging van een maatregel tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet plaatsvinden, omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verweerder op een openbare behandeling van deze ontnemingszaak binnen een redelijke termijn zou zijn geschonden. Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat na de uitspraak van de arrondissementsrechtbank op 15 december 1998 direct hoger beroep is aangetekend en dat thans, 21 maanden na die uitspraak, de zaak pas dient voor het gerechtshof, terwijl voorts de appelstukken niet binnen 4 maanden na het ingestelde rechtsmiddel zijn aangevuld.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn en dat zulks eveneens dient te gelden in ontnemingszaken als de onderhavige. Dit recht strekt aldus ertoe te voorkómen dat een verweerder langer dan redelijk is onder de dreiging van een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou moeten leven.

Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier niet geschonden omdat de termijn noch in zijn geheel noch in afzonderlijke onderdelen als onredelijk moet worden aangemerkt. Het hof merkt daarbij op dat in de strafzaak van verweerder het gerechtshof op 30 juni 1997 arrest heeft gewezen en dat eerst daarna een afsluitend financieel onderzoek is opgestart, aldus blijkens mededeling van de advocaat-generaal bij de behandeling van onderhavige zaak, aangezien eerst op dat moment de bewezenverklaarde periode voldoende was afgebakend.

Op 8 december 1997 volgt er een afsluitende financiële rapportage, waarna op 3 juni 1998 het strafrechtelijk financieel onderzoek bij beschikking is gesloten.

Vervolgens wordt de veroordeelde voor de terechtzitting van 7 juli 1998 opgeroepen, waarna een uitgebreide schriftelijke behandeling met de daaraan gekoppelde termijnen is gevolgd, eindigende in een beslissing van de arrondissementsrechtbank op 15 december 1998.

De termijn gedurende welke verweerder onder de dreiging van een ontneming als de onderhavige heeft doorgebracht is weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onwenselijk of onredelijk lang.

Bij dit onderdeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval.

Het hof merkt in dit verband op dat het weliswaar geruime tijd heeft geduurd voordat de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het hof heeft plaatsgevonden (21 maanden), maar dat zulks in het onderhavige geval alleszins verklaarbaar en te rechtvaardigen is, gelet op de omvang, aard en complexiteit van de onderhavige zaak.

Het beroep van de raadsman wordt dan ook verworpen."

10. Uit een op een zich bij de stukken bevindende aanbiedingsbrief van de rechtbank door het gerechtshof geplaatst stempel kan worden afgeleid dat het dossier bij het hof is ingekomen op 15 juli 1999. De periode tussen het instellen van het hoger beroep op 15 december 1998 en de binnenkomst van het dossier bij het hof bedraagt derhalve zeven maanden. Deze periode brengt geen schending van de redelijke termijn met zich mee; de Hoge Raad heeft bij arrest van 9 januari 2001, NJ 2001, 307 m.nt. JdH, rov. 3.10 bepaald dat een inzendtermijn van acht maanden toelaatbaar is.

11. De Hoge Raad heeft in dit arrest geen beschouwing gewijd aan de toelaatbare duur van de behandeling van een ontnemingsvordering in elke instantie, zodat mag worden aangenomen dat hier HR 3 oktober 2000, NJ 721 m.nt. JdH richtinggevend is, in welk arrest werd bepaald dat een behandeling van de zaak per instantie in het algemeen binnen 24 maanden moet zijn afgerond. Enige rek blijkt daar wel in te zitten, want in de uitspraak van de Hoge Raad van 30 januari 2001, JOL 2001, 94 valt U niet over 24 maanden en drie dagen. 's Hofs oordeel dat door het tijdsverloop van 21 maanden tussen het instellen van het hoger beroep en de behandeling daarvan geen sprake is van schending van de redelijke termijn is in zoverre minder juist dat niet de aanvang van de behandeling beslissend is, maar het tijdstip waarop de beslissing op de vordering is genomen. In casu ligt dit tijdstip veertien dagen na de behandeling, dus ruimschoots binnen de termijn van 24 maanden. Onbegrijpelijk is dit - gecorrigeerde - oordeel niet. In dit verband kan nog worden gewezen op een aan verzoekers raadsman gericht schrijven van de behandelend advocaat-generaal d.d. 7 juni 2000, waarin zij mededeelt:

"Aansluitend op mijn veelvuldige telefonische contacten met U en Uw confrères kan ik U berichten dat de behandeling van bovenvermelde ontnemingsvordering zal plaatsvinden op 6 september 2000 te 13.30 uur. Eerdere behandeling bleek helaas onmogelijk in verband met de verhinderdata van U en/of Uw confrères. In overleg met een van de behandelend raadsheren is ervoor gekozen, gelet op het belang van de zaak, de verdediging hierin tegemoet te komen en te kiezen voor een zittingsdatum, waarop alle advocaten aanwezig zouden kunnen zijn. Ik vertrouw erop dat de met zo veel moeite tot stand gekomen behandelingsdatum, die ik al op 24 mei bij U heb gereserveerd, ook zal kunnen doorgaan."

De duur van de periode die de behandeling in hoger beroep in beslag heeft genomen, lijkt derhalve voor een aanzienlijk deel mede te zijn veroorzaakt door de verhinderdata aan de zijde van de verdediging. 's Hofs verwerping van het gevoerde redelijk-termijn-verweer is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld en leent zich voor toepassing van art. 101a RO.

12. Het eerste middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 juni 1997, parketnummer 20.002290.96 verzoeker in de hoofdzaak veroordeeld tot vier jaren gevangenisstraf. Het tegen 's hofs arrest ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad bij arrest van 16 juni 1998, nr. 108.310 verworpen.