Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6238

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2002
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
03772/00 P
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6238
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 36

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 03772/00 P

Zitting 20 november 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=betrokkene]

1. Aan te nemen valt dat aan verzoeker door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 20 september 2000 de verplichting is opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van f 192.000, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van f 45.660,10, te rekenen vanaf 1 januari 1998 tot de dag van onherroepelijk worden van het arrest, subsidiair 22 maanden hechtenis. Ik schrijf dit zo aangezien het dictum vermeldt dat aan [verweerder], "verweerder voornoemd" deze betalingsverplichting is opgelegd. Ambtelijk is mij bekend dat het gerechtshof op dezelfde dag eveneens uitspraak heeft gedaan in de ontnemingszaak tegen [verweerder] (griffienummer 03781/00/P). Hier is kennelijk van een misslag sprake.

2. Namens verzoeker heeft mr K. van der Meijde, advocaat te Maastricht, bij schriftuur twee middelen van cassatie

voorgesteld.

3. Het eerste middel betoogt dat het hof ten onrechte de toewijzing door de rechtbank van de vordering van de officier van justitie tot wijziging van de grondslag van de ontnemingsvordering in stand heeft gehouden.

4. Het hof heeft het door de raadsman van verzoeker terzake gevoerde verweer als volgt samengevat:

"De raadsman van verweerder heeft voorts in hoger beroep herhaald () dat artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering zodanig van overeenkomstige toepassing op de onderhavige ontnemingsprocedure moet worden geacht, dat de vordering tot wijziging van de ontnemingsvordering alsnog dient te worden afgewezen, nu de grondslag voor de ontnemingsvordering tijdens de behandeling niet zodanig mag worden gewijzigd dat een ander feit in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht daaraan ten grondslag wordt gelegd."

5. Het hof heeft ten aanzien van de feitelijke gang van zaken het volgende overwogen:

"Het ter terechtzitting van 7 juli 1998 door de officier van justitie overgelegde bescheid, houdt in de mededeling dat de ontnemingsvordering mede op artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is/wordt gebaseerd.

Op de destijds aan de verdachte betekende dagvaarding in eerste aanleg heeft de officier van justitie medegedeeld dat hij voornemens was een vordering in te dienen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, derhalve zonder aan te geven op basis van welk(e) lid (leden) van dat artikel.

Op de voor de terechtzitting van 7 juli 1998 aan de veroordeelde betekende vordering staat in het hoofd telkens artikel "36e, derde lid, Sr." vermeld."

6. Het hof heeft het onder 4 weergegeven verweer verworpen op de in de toelichting op het middel vermelde gronden(1).

7. In de zaak die heeft geleid tot HR 25 september 2001, JOL 2001, 492, had de officier van justitie wijziging van de ontnemingsvordering gevorderd, ertoe strekkende dat niet alleen het onder art. 36e, eerste lid, Sr bedoelde voordeel maar ook het voordeel behaald met de in het tweede lid van die bepaling bedoelde feiten kon worden ontnomen. Ook in die zaak hadden rechtbank en hof wijziging van de ontnemingsvordering toegestaan en werd ook in cassatie aangevoerd dat artikel 511d, eerste lid, Sv de bepalingen van de eerste afdeling van Titel VI van het tweede boek van het Wetboek van Strafvordering, daaronder begrepen het tweede lid van artikel 313 Sv, van overeenkomstige toepassing verklaart en dat daaruit voortvloeit dat een wijziging van een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uitsluitend betrekking kan hebben op hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr.(2)

8. In respons daarop overwoog de Hoge Raad:

"3.4. Anders dan bij de berechting van de hoofdzaak, waarin op de grondslag van de tenlastelegging moet worden beraadslaagd en beslist, vormt volgens art. 511e, eerste lid aanhef en onder a, Sv in ontnemingszaken de ontnemingsvordering niet de grondslag waarop de rechter heeft te beslissen, maar slechts de aanleiding voor zijn beslissing over de ontneming (vgl. HR 22 februari 2000, NJ 2000, 298). Ingevolge datzelfde voorschrift gaat die beraadslaging in ontnemingszaken over de vraag of de in art. 36e Sr bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten. Daarom moet worden aangenomen dat een wijziging van de ontnemingsvordering overeenkomstig art. 511d, eerste lid, Sv in verbinding met art. 313 Sv, slechts haar begrenzing vindt in art. 36e Sr."

9. Hieruit volgt dat het hof terecht het namens verzoeker gevoerde verweer heeft verworpen. Ook in dit geval immers overschrijdt de wijziging van de vordering niet de grenzen van artikel 36e Sr. Het middel faalt.

10. Opgemerkt zij nog dat de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting op 7 juli 1998 heeft geschorst nadat de officier van justitie de wijziging van de ontnemingsvordering had gevorderd om de behandeling van de vordering vooraf te laten gaan door een schriftelijke voorbereiding als bedoeld in artikel 511d, eerste lid, Sv. Na voltooiing daarvan is het onderzoek ter terechtzitting voortgezet op 24 november 1998. Verzoeker is derhalve ruimschoots in de gelegenheid gesteld zich tegen de gewijzigde vordering te verweren.

11. Het tweede middel betoogt dat het hof het verweer dat sprake is van schending van de redelijke termijn ten onrechte heeft verworpen, dan wel dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is.

12. Het hof heeft overwogen dat het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer is toegelicht met het argument:

"dat sedert de aanhouding van verweerder op 2 april 1996 inmiddels een termijn is verstreken van bijna viereneenhalf jaar, de ontnemingszaak pas voor het eerst werd behandeld ter terechtzitting van de arrondissementsrechtbank op 7 juli 1998 en na de uitspraak van de rechtbank op 8 december 1998 het bovendien nog 1 jaar en 9 maanden heeft geduurd alvorens het hof tot een appelbehandeling is gekomen."

13. In antwoord op dit verweer heeft het hof overwogen:

"Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier niet geschonden omdat de termijn noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk moet worden aangemerkt. Het hof merkt daarbij op dat in de strafzaak van verweerder het gerechtshof op 30 juni 1997 arrest heeft gewezen en dat eerst daarna een afsluitend financieel onderzoek is opgestart, aldus blijkens mededeling van de advocaat-generaal bij de behandeling van de onderhavige zaak, aangezien eerst op dat moment de bewezenverklaarde periode voldoende was afgebakend.

Op 8 december 1997 volgt er een afsluitende financiële rapportage, waarna op 3 juni 1998 het strafrechtelijk financieel onderzoek bij beschikking is gesloten.

Vervolgens wordt de veroordeelde voor de terechtzitting van 7 juli 1998 opgeroepen, waarna een uitgebreide schriftelijke behandeling met de daaraan gekoppelde termijnen is gevolgd, eindigende in een beslissing van de arrondissementsrechtbank op 8 december 1998.

De termijn gedurende welke verweerder onder de dreiging van een ontneming als de onderhavige heeft doorgebracht is weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onwenselijk of onredelijk lang.

Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval.

Het hof merkt in dit verband op dat het weliswaar geruime tijd heeft geduurd voordat de behandeling van de zaak ter terechtzitting van het hof heeft plaatsgevonden (21 maanden), maar dat zulks in het onderhavige geval alleszins verklaarbaar en te rechtvaardigen is gelet op de omvang, aard en complexiteit van de onderhavige zaak."

14. Voor de goede orde zet ik, alvorens op het middel in te gaan, hieronder de gang zaken op een rijtje.

- 02-04-1996: huiszoeking en aanhouding;

- 15-10-1996: veroordeling verzoeker in de hoofdzaak door de rechtbank te Maastricht;

- 30-06-1997: veroordeling verzoeker in de hoofdzaak door het hof te 's-Hertogenbosch;

- 08-12-1997: afsluitende rapportage door Bureau Financiële Ondersteuning;

- 03-06-1998: afgifte beschikking sluiting SFO;

- 07-07-1998: eerste terechtzitting in de ontnemingszaak, gevolgd door nadere stukkenwisseling als bedoeld in art. 511d, tweede lid, Sv;

- 08-12-1998: veroordeling verzoeker in de ontnemingszaak door rechtbank Maastricht;

- 21-12-1998: datum instellen beroep tegen dit vonnis;

- 15-07-1999: ontvangst processtukken door hof 's-Hertogenbosch;

- 20-09-2000: veroordeling tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel door hof 's-Hertogenbosch in de bestreden uitspraak.

15. Het eerste onderdeel van het middel betoogt dat het hof tot het oordeel had moeten komen dat het recht op behandeling binnen een redelijke termijn is geschonden, nu tweeëneenhalf jaar zijn verstreken tussen de aanvang van die termijn en de uitspraak in eerste aanleg. Het hof is in de bestreden uitspraak niet ingegaan op de vraag wanneer de redelijke termijn in dit geval is gaan lopen, hoewel namens verzoeker voor het hof was aangevoerd dat dit het moment van huiszoeking en arrestatie was. 's Hofs oordeel is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd. Hieruit bloeit echter geen bloed, aangezien over dit punt niet wordt geklaagd, zoals zal blijken.

16. Ten aanzien van de aanvang van de termijn bepleit het middel dat "getuige de inleidende dagvaarding van 14 juni 1996 () requirant toen al [is] aangezegd dat het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel zou doen." Onder de stukken van het geding heb ik geen inleidende dagvaarding van die datum aangetroffen. Mijns inziens kan echter veilig worden aangenomen dat de in het middel bedoelde dagvaarding van 14 juni 1996 dezelfde is als die waarop het hof doelt met zijn in punt 5 weergegeven overweging dat de officier van justitie in de destijds aan de verdachte betekende dagvaarding in eerste aanleg zijn voornemen tot het instellen van een ontnemingsvordering heeft medegedeeld, temeer nu de in het middel genoemde datering daarvan aansluit op de eerste terechtzitting in de hoofdzaak, die plaatsvond op 2 juli 1996.

Op grond van het bovenstaande kan, zoals ook het middel wil, in cassatie ervan worden uitgegaan dat de inleidende dagvaarding van 14 juni 1996 de eerste vanwege de Staat verrichte handeling is geweest waaraan verzoeker in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig zou worden gemaakt. Hieruit volgt dat de redelijke termijn op die dag is gaan lopen.

17. Uitgaande van dit aanvangstijdstip heeft het dus ongeveer 30 maanden geduurd totdat op de ontnemingsvordering in eerste aanleg is beslist. Het hof heeft niettemin geoordeeld dat de redelijke termijn daardoor niet is overschreden. Aan dat oordeel heeft het ten grondslag gelegd de feiten en omstandigheden vermeld in het eerste deel van de onder punt 13 weergegeven passages uit zijn uitspraak. Het middelonderdeel voert aan dat die feiten en omstandigheden 's hofs oordeel niet kunnen dragen.

18. Uit de arresten HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. JdH, rov. 3.14, en HR 9 januari 2001 NJ 2001, 307, m.nt. JdH, rov. 3.2, volgt dat ook in ontnemingsprocedures als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. Daarbij geldt dat de duur van de redelijke termijn in ontnemingszaken mede afhankelijk is van a. de termijn die met de behandeling van de strafzaak is gemoeid en b. de omstandigheid dat de ontnemingsvordering ingevolge art. 511b, eerste lid, Sv tot twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg in de strafzaak aanhangig worden gemaakt (rov. 3.9 van laatstvermeld arrest). De vertraging in de afhandeling van deze zaak in eerste aanleg is met name terug te voeren op de stilstand van bijna twaalf maanden tussen de veroordeling van verzoeker in de strafzaak in eerste aanleg en de uitspraak in hoger beroep tegen die veroordeling. In dit verband heeft het hof overwogen dat het op de ontneming gerichte strafrechtelijke financieel onderzoek in die maanden heeft stilgelegen omdat pas na de uitspraak in hoger beroep in de strafzaak "de bewezenverklaarde periode voldoende was afgebakend". Dit vindt bevestiging in de twee uitspraken in de strafzaak: de rechtbank verklaarde bewezen dat de tenlastegelegde feiten waren begaan in de periode 1 januari 1992 tot en met 2 april 1996, terwijl 's hofs bewezenverklaring de periode 15 februari 1995 tot en met 2 april 1996 omvat. Het komt mij voor dat zich hier niet een situatie voordoet als hierboven onder a. bedoeld. Het ligt voor de hand aan te nemen dat daarmee gedoeld is op een veroordeling in eerste aanleg, zonder welke de ontnemingsvordering immers niet toegewezen kan worden. Ook de omstandigheid dat het onderzoek ter zitting van de ontnemingsvordering is geschorst voor een voorbereidende schriftelijke behandeling rechtvaardigt mijns inziens op zichzelf noch in samenhang met de overige door het hof vermelde omstandigheden de aanzienlijke overschrijding van de tweejaarstermijn. Het eerste onderdeel van het middel is dus gegrond.

19. Het tweede onderdeel van het middel klaagt erover dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Het hof heeft binnen twee jaar uitspraak gedaan, zodat deze stelling alleen opgaat indien de inzendtermijn van acht maanden is overschreden (HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, rov. 3.16 en HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.2 en 3.4). Uit de stukken van het geding blijkt echter dat ook deze termijn in acht is genomen. Het middelonderdeel faalt dus.

20. Gegrondbevinding van het eerste onderdeel van het tweede middel leidt tot vermindering van het te ontnemen bedrag met 10% tot f 172.800 (HR 9 januari 2001, NJ 2001, 307, rov. 3.6). Voor vermindering van de door het hof uitgesproken vervangende hechtenis is gelet op de 'Omrekeningstabel vervangende hechtenis bij geldboete en ontnemingsmaatregel'(3) geen aanleiding.

21. Gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing ambtshalve zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het bedrag dat verzoeker ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat dient te betalen, tot vermindering van dat bedrag in de hiervoor onder 20 bedoelde zin, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Met dien verstande dat in de vierde regel van bedoeld citaat voor 'ontnemingsprocedure' moet worden gelezen 'ontnemingsvordering'.

2 Zie punt 3.2.4 van de conclusie van mijn ambtgenoot Machielse in deze zaak.

3 Bijlage 4 bij de Richtlijn voor strafvordering ontneming, Stcrt. 1998,164.