Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD6092

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
C00/126HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD6092
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 85
NJ 2002, 267
JWB 2002/61
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. A.S. Hartkamp

nr. C00/126HR

zitting 23 nov. 2001

Conclusie inzake

Topmen Oilfield Personnel B.V.

tegen

[Verweerder]

Feiten en procesverloop

1) Voor de feiten, de stellingen van partijen en het procesverloop moge ik verwijzen naar het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 9 december 1999.

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende. De verweerder in cassatie, [verweerder], is in de jaren 1990 en 1991 voor de eiseres tot cassatie, Topmen Oilfield Personnel B.V. (hierna Topmen), op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam geweest in de offshore industrie op het Nederlandse deel van het continentale plat. Aangezien partijen er bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst van uitgingen dat [verweerder] verplicht verzekerd was voor de volksverzekeringen, heeft Topmen aan [verweerder] overhevelingstoeslag toegekend en uitbetaald. Toen eind 1992 bleek dat personen als [verweerder] niet verzekerd waren (zulks als gevolg van het Besluit uitbreiding en beperking kring der verzekerden Volksverzekeringen 1989, BUB 1989),(1) heeft Topmen [verweerder] aangemaand de betaalde bedragen aan overhevelingstoeslag terug te betalen, bij gebreke waarvan hij in rechte zou worden aangesproken. Voorts heeft Topmen, toen [verweerder] haar verzocht om een zogenaamde IB-35 verklaring (een door de werkgever af te geven verklaring met behulp waarvan de werknemer door hem betaalde premies volksverzekeringen kan terugvorderen), haar bereidheid die verklaring af te geven afhankelijk gesteld van de restitutie van de overhevelingstoeslag. Hierna heeft [verweerder] zich tot die terugbetaling verbonden en is hij daartoe inderdaad overgegaan. In deze procedure vordert [verweerder] de terugbetaalde bedragen (ad ƒ 7.434,500) van Topmen terug.

2) De rechtbank heeft bij vonnis van 9 dec. 1999, anders dan de kantonrechter, de vordering toegewezen. Zij heeft overwogen dat uit de vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt(2) dat Topmen tot betaling van de overhevelingstoeslag, althans een gelijk bedrag gehouden was, ofschoon [verweerder] als gevolg van de inwerkingtreding van het BUB 1989 niet verzekerd was. Derhalve was de terugbetaling door [verweerder] onverschuldigd, tenzij deze berustte op een geldige, daartoe verplichtende overeenkomst. De rechtbank heeft aangenomen dat partijen een overeenkomst hebben gesloten (die niet kan worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst), maar dat deze overeenkomst vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden, nu Topmen [verweerder] heeft bewogen tot terugbetaling van de overhevelingstoeslag door de afgifte van de IB-35 verklaring daarvan afhankelijk te stellen. Die voorwaarde achtte de rechtbank in strijd met de wet (nl. de Wet financiering Volksverzekeringen en de Wet op de loonbelasting, die de werkgever verplichten tot het afgeven van de verklaring) en in strijd met de tussen werkgever en werknemer geldende eisen van redelijkheid en billijkheid.

3) Topmen heeft tegen dit vonnis tijdig beroep in cassatie ingesteld en een uit vijf onderdelen opgebouwd cassatiemiddel voorgesteld. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht, waarna namens [verweerder] is gedupliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

4) Onderdeel 1 is gericht tegen r.o. 5 van het rechtbankvonnis. Het onderdeel wordt m.i. tevergeefs voorgesteld.

De klacht, neergelegd in de tweede zin van het onderdeel, voldoet m.i. niet aan art. 407 lid 2 Rv., omdat zij niet aangeeft waarom de beslissing van de rechtbank onjuist zou zijn c.q. welke schakel aan de motivering ontbreekt.

Dat de rechtbank zou hebben miskend wat in de derde zin van het onderdeel wordt vermeld, blijkt geenszins uit het vonnis.

5) In onderdeel 2 wordt geklaagd over het oordeel dat Topmen door het aangaan van de omstreden overeenkomst misbruik van omstandigheden heeft gemaakt. De klacht luidt dat dit oordeel niet wordt gedragen door het overwogene in r.o. 7, nu de daar aangegeven omstandigheden niet - zonder méér, hetgeen ontbreekt - tot het oordeel leiden dat sprake is van misbruik van omstandigheden.

De rechtsklacht voldoet m.i. niet aan art. 407 lid 2 Rv., omdat niet wordt aangegeven in welk opzicht sprake zou zijn van een onjuiste rechtsopvatting. Voorzover de motiveringsklacht wel aan art. 407 lid 2 Rv. voldoet (hetgeen ik betwijfel), faalt zij omdat van een tekortschietende motivering m.i. geen sprake is. Het onderdeel faalt derhalve.

6) Onderdeel 3 (waarvan bij de schriftelijke toelichting een gedeelte is ingetrokken) komt m.i. tevergeefs op tegen de door de rechtbank aan de gedingstukken gegeven uitleg, die niet onbegrijpelijk is.

7) Onderdeel 4 acht het oordeel in r.o. 7, dat Topmen in strijd heeft gehandeld met de tussen werkgever en werknemer geldende eisen van redelijkheid en billijkheid, onvoldoende gemotiveerd, omdat de rechtbank zou hebben miskend dat partijen een regeling kunnen treffen voor de onderhavige situatie (kort gezegd: waarin premies en overhevelingstoeslagen worden betaald zonder dat de werknemer verzekerd is). De klacht mist feitelijke grondslag: de rechtbank heeft niet aangenomen dat partijen geen regeling kunnen treffen, maar heeft de in casu getroffen regeling afgekeurd.

8) Volgens onderdeel 5 is de rechtbank buiten de rechtsstrijd van partijen getreden, omdat [verweerder] zich niet op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden zou hebben beroepen. Deze klacht faalt, omdat [verweerder] zich in de conclusie van repliek onder 9 erop heeft beroepen dat de terugbetalingsregeling onder druk van Topmen tot stand is gekomen; bij pleidooi in eerste aanleg, p. 2 en 3/4 is voorts de vrijwilligheid van de betaling betwist; en bij akte houdende uitlatingen in hoger beroep, p. 2, heeft [verweerder] zich op een dwangpositie beroepen. Het is niet onbegrijpelijk dat de rechtbank hierin een beroep op misbruik van omstandigheden heeft gelezen.

De in de schriftelijke toelichting aan de orde gestelde verjaringskwestie behoeft geen behandeling, aangezien het middel daarover geen klacht bevat.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Men zie over deze materie de conclusies van A-G Strikwerda en A-G Mok voor de in de volgende noot te noemen arresten van de Hoge Raad.

2 De rechtbank doelt kennelijk op HR 8 nov. 1996, NJ 1997, 84 en op de twee arresten van 13 febr. 1998, NJ 1998, 460 en 461.