Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD5361

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
R01/039HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD5361
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 101a, geldigheid: 2002-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 2
JWB 2002/9

Conclusie

Rekest nr. R01/039

Mr. J. K. Moltmaker

Ontzetting van gezag

Parket, 9 november 2001

Conclusie inzake

[De vader]

tegen

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING TE UTRECHT

Edelhoogachtbaar college,

1 Feiten en procesgang

1.1 In de in cassatie bestreden beschikking van het hof zijn de feiten uitvoerig beschreven (rov. 2.1 tot en met 2.9). Ik ontleen daaraan het volgende. Verzoeker tot cassatie (de vader) is in Turkije op 20 augustus 1992 met [...] (de moeder) gehuwd. Dit huwelijk is ontbonden door het overlijden van de moeder op 25 juni 1999. Uit dit huwelijk zijn geboren [kind 1] op 29 juli 1993 en [kind 2] op 16 juni 1997.

1.2 Ten tijde van de geboorte van [kind 1] was de vader gedetineerd. Toen [kind 1] acht maanden oud was, is de vader vrij gekomen.

1.3 De moeder heeft vanaf 1996 aan diverse instellingen hulp gevraagd in verband met relatieproblemen. Zij is op 10 december 1998 met de kinderen naar een Blijf-van-mijn-lijf-huis vertrokken omdat zij door de vader werd mishandeld. Het was noodzakelijk maatregelen te treffen ter bescherming van de moeder en de kinderen omdat de vader de moeder bedreigde.

1.4 Bij beschikking van 9 februari 1999 zijn bij wege van voorlopige voorziening voor de duur van de echtscheidingsprocedure de kinderen aan de moeder toevertrouwd en is een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld van twee uren per maand in aanwezigheid van de moeder of een derde.

In het kader van de echtscheidingsprocedure heeft de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) geadviseerd om het gezag over de kinderen aan de moeder toe te vertrouwen. De RvdK heeft voorts geconcludeerd dat de vader niet geschikt is om omgang met de kinderen te hebben.

1.5 Op 25 juni 1999 is de moeder overleden. De vader, die ervan wordt verdacht in het bijzijn van [kind 2] de moeder met messteken om het leven te hebben gebracht, is deswege gedetineerd. Door het overlijden van de moeder kwam het gezag over de kinderen van rechtswege bij de vader te liggen.

1.6 Bij beschikking van 28 juni 1999 heeft de kinderrechter te Zwolle op een daartoe strekkend verzoek van de RvdK op grond van art. 1:272 BW de vader geschorst in de uitoefening van het gezag over de kinderen.

1.7 De kinderen zijn gedurende acht maanden in een internaat opgevangen. Sinds februari 2000 verblijven zij in het gezin van de broer van de vader.

1.8 De RvdK heeft op 5 augustus 1999 bij de rechtbank te Utrecht een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontzetting van de vader van het gezag over de kinderen. De RvdK heeft zijn verzoek gebaseerd op art. 269, eerste lid, onder a BW (misbruik van het gezag, grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van één of meer van de kinderen).

1.9 Ter zitting van de rechtbank op 6 oktober 1999 heeft de vader verklaard de moeder met messteken om het leven te hebben gebracht.

1.10 De RvdK heeft in een brief aan de rechtbank laten weten dat, nog afgezien van de op de vader rustende verdenking dat hij de moeder om het leven heeft gebracht, op grond van de totale rapportage geconcludeerd moet worden dat de persoonlijkheid van de vader (star, agressief, zonder de nodige zelfbeheersing) maakt dat hij in bijzondere mate ongeschikt moet worden geacht om nu of in de toekomst vorm te kunnen geven aan een opvoedingspatroon.(1)

1.11 De rechtbank heeft bij beschikking van 17 november 1999 de vader ontzet van het gezag over de kinderen. Bureau Jeugdzorg Utrecht (BJU) is benoemd tot voogd.

1.12 De vader is in hoger beroep gekomen van deze beschikking bij het gerechtshof te Amsterdam. Hij is in hoger beroep niet bijgestaan door een advocaat. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd bij beschikking van 11 januari 2001. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:

"4.5. Het hof acht zich door het Raadsrapport, het hulpverleningsplan van het BJU, alsmede door hetgeen tijdens de mondelinge behandelingen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, voldoende ingelicht voor het nemen van een beslissing. Niet aannemelijk is geworden dat bij het onderzoek de Raad onevenwichtig is tewerkgegaan of de Raad bevooroordeeld is geweest, zodat aan de resultaten van zijn onderzoek geen betekenis zou mogen toekomen. Het hof zal dan ook mede acht slaan op het rapport.

4.6. Het hof is van oordeel dat, gelet op de (inhoud van de) overgelegde rapportages en het starre en agressieve gedrag van de vader ter terechtzitting in hoger beroep, aannemelijk is dat de vader niet is toegerust voor de verzorging en opvoeding van de kinderen.

De vader heeft ter zitting op 4 december 2000 wederom verklaard de moeder te hebben omgebracht in het bijzijn van [kind 2]. De vader heeft er daarbij geen blijk van gegeven enig inzicht te hebben in de gevolgen van zijn handelwijze voor de kinderen.

Nog daargelaten wat de strafrechtelijke aansprakelijkheid deswege is, naar 's hofs oordeel is sprake van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen, nu de vader door zijn handelen de kinderen definitief hun moeder heeft ontnomen, op grond waarvan ontzetting van de vader van het gezag over [kind 1] en [kind 2] noodzakelijk is geworden in het belang van de kinderen.

..."

1.13 De vader is tegen deze beschikking tijdig is cassatie gekomen. De RvdK heeft een verweerschrift ingediend. Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen, genummerd 2.2 en 2.3.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 Onderdeel 2.2

2.1.1 Onderdeel 2.2 heeft betrekking op rov. 4.5 van de beschikking van het hof en bevat twee klachten. De eerste klacht is gericht tegen de vaststelling van de feiten door het hof. De vader bestrijdt de juistheid van de persoonlijkheidsbeschrijving van de vader zoals opgenomen in de rapportages van de RvdK en het BJU. Tevens klaagt hij dat niet duidelijk is of het hof hem heeft willen toelaten tot het bewijs van de onjuistheid van die gegevens.

2.1.2 De laatste klacht zal ik het eerst behandelen. In het proces-verbaal van de zitting van het hof van 4 december 2000 is het volgende opgenomen:

"(...) Ik hoor u zeggen dat als ik zulks wenselijk acht, ik nu stukken kan overleggen. Als het moet, leg ik bewijsstukken over van mijn stellingen. U moet niet alles verzwijgen. Ik heb geen fouten gemaakt. Ik hoor u nu vragen of ik nu wel of niet stukken wil overleggen. Ik zeg u dat de zaak niet eerder is behandeld. Ik hoor u zeggen dat ik u geen antwoord geef op uw vragen. In Utrecht is mijn zaak niet behandeld."

2.1.3 Uit het bovenstaande citaat blijkt dat het hof de vader de gelegenheid heeft geboden bewijsstukken over te leggen. De klacht dat niet duidelijk is of het hof de vader tot bewijslevering heeft willen toelaten, faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag. Uit het citaat kan tevens worden afgeleid dat de vader van de hem geboden gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt.

2.1.4 Wat betreft de klacht over de vaststelling van de feiten door het hof, merk ik op dat ik die vaststelling niet onbegrijpelijk acht, zodat de klacht faalt.

2.2 Onderdeel 2.3

2.2.1 Onderdeel 2.3 richt zich tegen rov. 4.6 van de beschikking van het hof en is verdeeld in verschillende subonderdelen. Het bevat motiveringsklachten tegen de gronden waarop het hof tot ontzetting is gekomen. Geklaagd wordt in de eerste plaats (nr. 2.3.3) dat het hof niets heeft vastgesteld omtrent het eventueel disfunctioneren van de vader voor de scheiding. De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat zij feitelijke grondslag mist. Het hof heeft zijn beslissing immers mede gebaseerd op de in het kader van de echtsscheidingsprocedure door de RvdK uitgebrachte rapportage. Daarin zijn ook gegevens te vinden over het functioneren van de vader tijdens het huwelijk. De vader heeft weliswaar de juistheid van die gegevens betwist (rov. 4.2), maar het hof heeft geoordeeld (rov. 4.5) dat die betwisting onvoldoende was en het hof heeft het rapport dan ook meegewogen in zijn beslissing.

2.2.2 Voorts klaagt subonderdeel 2.3.3 dat 'het starre en agressieve gedrag van de vader ter terechtzitting in hoger beroep' geen ontzettingsgrond vormt en evenmin een aanwijzing vormt dat de vader niet is toegerust voor de verzorging en opvoeding van de kinderen.

Het hof heeft zijn oordeel blijkens rov. 4.6 gegrond op 1) de inhoud van de overgelegde rapportages, 2) het gedrag van de vader ter terechtzitting, 3) de verklaring van de vader dat hij de moeder van het leven heeft beroofd, en 4) 's hofs constatering dat de vader er geen blijk van heeft gegeven enig inzicht te hebben in de gevolgen van zijn handelwijze voor de kinderen. Deze klacht van subonderdeel 2.3.3 richt zich slechts tegen de onder 2) genoemde grond en kan, zelfs als zij gegrond zou zijn, niet tot cassatie leiden nu de overige gronden voldoende zijn om 's hofs beslissing te dragen. Ten overvloede derhalve merk ik op dat het aan het hof als feitenrechter is overgelaten conclusies te verbinden aan hetgeen ter terechtzitting is voorgevallen. Dat het hof daarin een bevestiging heeft gevonden van de persoonlijkheidskenmerken van de man zoals die uit de rapportages naar voren komen, acht ik op grond van het proces-verbaal van de desbetreffende zitting niet onbegrijpelijk.

2.2.3 Subonderdeel 2.3.4 klaagt dat het hof niet in zijn beschouwingen heeft betrokken dat ontzetting een onterend karakter heeft. De klacht faalt omdat het hof zulks ook niet hoefde te doen. Art. 1:269 BW schrijft voor dat de rechter beoordeelt of één van de aldaar genoemde gronden voor ontzetting zich voordoen en of het op die grond noodzakelijk is dat de ouder van het gezag wordt ontzet. Het hof heeft op begrijpelijke gronden geoordeeld dat beide vragen bevestigend beantwoord moeten worden.

2.2.4 Subonderdeel 2.3.5 bevat herhalingen van hetgeen de vader in subonderdelen 2.2 en 2.3.3 naar voren heeft doen brengen en faalt om de in nrs. 2.1.3 en 2.2.1 genoemde redenen.

2.2.5 Subonderdeel 2.3.6 klaagt dat het hof heeft nagelaten de mogelijkheden tot verbetering van de vader in zijn beschouwingen te betrekken. Deze klacht faalt. De beoordeling van het verzoek tot ontzetting vindt in beginsel plaats met inachtneming van de omstandigheden ten tijde van het verzoek, zij het dat het de rechter vrijstaat (en dus niet verplicht is) rekening te houden met omstandigheden in het verleden of verwachtingen omtrent de toekomst (HR 22 februari 1932, NJ 1932,631 en HR 18 oktober 1957, NJ 1957,625). De vader heeft echter niets gesteld omtrent zijn mogelijkheden tot verbetering. Het hof heeft zelfstandig geoordeeld dat de vader geen inzicht toont in de gevolgen van zijn handelen voor de kinderen, zodat, voeg ik daaraan toe, ook niet aannemelijk is dat de vader toe is aan verbetering. Mocht de vader echter toch tonen in staat te zijn zich te verbeteren, dan staat voor hem de weg van art. 1:277 BW (verzoek tot herstel in ouderlijk gezag) open.

2.2.6 Subonderdeel 2.3.7 klaagt dat het hof de mogelijkheid dat de vader zijn mogelijkheden tot opvoeding en verzorging verbetert, uitsluit of negatief beoordeelt. Deze klacht faalt omdat zij feitelijke grondslag ontbeert. In rov. 4.6 doet het hof geen enkele uitspraak over de mogelijkheden van de vader tot verbetering. Het hof overweegt dat de vader de kinderen door zijn handelen definitief van hun moeder heeft beroofd, maar dat oordeel houdt geen waardering van het toekomstperspectief van de vader op een normale relatie met zijn kinderen in.

3 Conclusie

Het middel in al zijn onderdelen ongegrond bevindend, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G i.b.d.

1 Brief van 12 augustus 1999, p. 3.