Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD5278

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
08-01-2002
Zaaknummer
01812/01 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD5278
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Europees Verdrag betreffende uitlevering, Parijs, 13-12-1957 2, geldigheid: 2002-01-08
Uitleveringswet 31, geldigheid: 2002-01-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 18

Conclusie

Nr. 01812/01 U

mr. N. Keijzer

zitting 30 oktober 2001

conclusie inzake

[De opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 31 juli 2001 heeft de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam de door de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] naar Duitsland, ter strafvervolging ter zake van kort gezegd invoer van en handel in cocaïne en ecstasy almede het in het verkeer brengen van valse bankbiljetten, verboden wapenbezit, heling en oplichting, toelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr L.J.B.G. van Kleef, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel betoogt dat de Rechtbank, door het verzoek van de verdediging tot het vragen aan de verzoekende staat van nadere informatie omtrent een mogelijk gesloten deal af te wijzen, in strijd heeft gehandeld met art. 6, eerste lid, EVRM althans met de Nederlandse ordre public, althans met beginselen van behoorlijk uitleveringsrecht.

4. De bestreden uitspraak houdt onder meer in dat de Rechtbank heeft "gelet" op de behandeling ter openbare zitting van 17 juli 2001. Blijkens het proces-verbaal van die zitting heeft de Rechtbank aldaar wegens gewijzigde samenstelling het ter zitting van 17 april 2001 geschorste onderzoek opnieuw aangevangen.

5. Uit het proces-verbaal van de zitting van 17 juli 2001 blijkt niet dat een verzoek als in het middel bedoeld aldaar is gedaan of herhaald. Aangezien het middel zich uitsluitend richt tegen een beslissing die is gegeven ter zitting van 17 april 2001, waarop de bestreden uitspraak niet steunt, kan de verdachte in zoverre niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.(1)

6. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

7. Omtrent het verhandelde ter zitting van 17 april 2001, hoewel niet aan het oordeel van Uw Raad onderworpen, valt ten overvloede nog het volgende op te merken.

8. Het proces-verbaal van die zitting houdt als verklaring van de raadsman onder meer in:

"Ik leg een fotokopie van een "Beschuldigtenvernehmung" aan de rechtbank over en verzoek U de behandeling van dit uitleveringsverzoek aan te houden teneinde bij de Duitse autoriteiten nadere informatie in te winnen over de deal die kennelijk is gesloten met [...]. Ik zou met name willen weten onder welke voorwaarden en onder welke wetsbepalingen door de Duitse opsporingsinstantie afspraken zijn gemaakt met [...]. Ik twijfel eraan of mijn cliënt nog wel een "fair trial" zal kunnen verwachten als de uitlevering wordt toegelaten."

9. Als beslissing hierop van de Rechtbank houdt dat proces-verbaal in:

"Het verzoek van de raadsman om nadere informatie te vragen met betrekking tot het sluiten van een mogelijke deal met de getuige [...] wordt afgewezen, nu uit het door de raadsman overgelegde stuk onvoldoende blijkt van een deal zoals bedoeld en, mocht een dergelijke deal (mede) ten grondslag liggen aan de vervolging door de Duitse autoriteiten dan in het niet aan de uitleveringsrechter om daar gevolgen aan te verbinden. In dit verband verwijst de rechtbank naar het feit dat Duitsland aangesloten is bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het individueel klachtrecht kent."

10. In de toelichting op het middel wordt vooreerst aangevoerd dat de uitleveringsrechter bij flagrante schending van art. 6, eerste lid, EVRM de verzochte uitlevering ontoelaatbaar kan verklaren.

Inderdaad kan, indien de uitleveringsrechter vaststelt dat een flagrante schending van die verdragsbepaling reeds heeft plaatsgehad, zulks reden zijn om de verzochte uitlevering ontoelaatbaar te verklaren. Een enkele dreiging dat een zodanige schending zich na uitlevering zou kunnen voordoen, daarentegen, staat niet aan toelaatbaarverklaring in de weg doch staat ter beoordeling aan de Minister van Justitie.(2)

Dat een flagrante schending van art. 6 EVRM reeds zou hebben plaatsgehad is niet aangevoerd. De door de Rechtbank gegeven beslissing geeft dus geen blijk van miskenning van die verdragsbepaling.

11. Voorts wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat de Rechtbank heeft miskend dat het sluiten van deals met criminelen teneinde deze tot verklaringen te bewegen in strijd is met de openbare orde.

Dienaangaande zij opgemerkt dat ter zitting van de Rechtbank geen beroep op schending van de Nederlandse ordre public is gedaan, en voorts dat (anders dan art. 11, aanhef en onder (j) van het Europees verdrag betreffende de overdracht van strafvervolging(3)) het Europees uitleveringsverdrag geen weigeringsgrond dienaangaande inhoudt. Ook de Uitleveringswet voorziet daarin niet; ware dat anders dan zou dat trouwens niet afdoen aan de uit het Europees uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichtingen: art. 27 Weens verdragenverdrag.(4) De vraag of de nationale ordre public kan derogeren aan verdragsverplichtingen tot uitlevering wordt ontkennend beantwoord door H. Schulz(5) en door Th. Vogler.(6) Zie voorts A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, blz. 80/81. Ik sluit me bij die opvatting aan; dat in het Europees uitleveringsverdrag naast veel andere excepties geen exceptie voor ordre public is opgenomen betekent dat de deelnemende staten ter ontlasting van de aangegane verplichting tot uitlevering op strijd met hun eigen ordre public geen beroep kunnen doen. Verweren van die strekking kunnen dus slechts worden verworpen.

12. Ambtshalve zij nog het volgende opgemerkt.

13. De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering toelaatbaar verklaard met betrekking tot onder andere de in het Haftbefehl als volgt omschreven feiten I-8 en I-9:

" 8. Zwischen dem 21. Juni und 09. Juli 1999 lieferte [...] dem Beschuldigten circa 5.000 Ecxtasy-Pilen zum Preis von 6.000,00 Deutsche Mark, der die Betäubungsmittel unter anderem an [...] weiter verkaufte. Die chemische Substanz zur Herstellung der Ecstasy-Pillen hatte [...] über seinen in Tschechien aufhältigen Bruder [...] geliefert erhalten.

9. Am 19. Juli 1999 besorgte der Beschuldigte dem [...] circa 4.000 Ecstasy-Tabletten aus den Niederlanden, der diese dem [...] zum Verkauf übergab. [...] sollte die Pillen zum Stückpreis van 5,- Deutsche Mark weiter verkaufen."

14. Bij de stukken bevindt zich een Niederschrift van 16 juli 2001 van de Oberstaatsanwalt in Köln, inhoudende dat de stoffen "die üblicherweise als Ecstasy gehandelt werden" onder de Duitse Betäubungsmittelgesetz vallen, te weten: MBDB, MDA, MDMA, Brolamfetamine (DOB) en N-Ethyl-MDA (MDE). Voorts bevindt zich bij de stukken een fax-bericht namens de Leitende Oberstaatsanwalt in Köln, waarin wordt medegedeeld:

"dass eine Beantwortung der Frage, ob die in dem Haftbefehl aufgeführten Ecstasy-Tabletten den Wirkstoff MDMA enthalten (...) nicht möglich ist, weil die in Rede stehenden Tabletten selbst nicht sichergestellt werden konnten. Die diesbezüglichen Erkenntnisse beruhen ausschlie(lich aus der veranla(ten Telefonüberwachung."

15. Van de vijf in het Niederschrift van 16 juli 2001 vermelde stoffen komen er vier voor op Lijst I bij de Opiumwet. Op één van de in het Niederschrift genoemde stoffen, te weten (1,3-Benzodioxol-5-yl)[butan-2-yl] (methyl)azan) (MBDB), heeft de Opiumwet daarentegen geen betrekking. Ik waag het op te merken dat dit verschil tussen de Duitse Betäubungsmittelgesetz en de Nederlandse Opiumwet de internationale bestrijding van de handel in ecstasy bemoeilijkt.

16. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank uit het Niederschrift en het fax-bericht, in onderlinge samenhang beschouwd, afgeleid dat in het Haftbefehl de redelijke verdenking is uitgedrukt dat de aldaar bedoelde ecstasy-tabletten een of meer van de stoffen MDA, MDMA, Brolamfetamine dan wel N-Ethyl-MDA bevatten, welke stoffen voorkomen op Lijst I behorende bij de Opiumwet.

17. De Rechtbank heeft echter verzuimd, de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] ontoelaatbaar te verklaren met betrekking tot de feiten I-8 en I-9 voorzover de daarin bedoelde ecstasy-tabletten uitsluitend MBDB, althans geen van de vier andere in het Niederschrift genoemde stoffen zouden bevatten.(7)

18. Voorts heeft de Rechtbank de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals vermeld op het tussen [] geplaatste deel van de bijlage. Aldaar is echter ten aanzien van de feiten I-2, I-8, I-9 en III-1 niet de plaats vermeld waar deze zouden zijn begaan. In zoverre heeft de Rechtbank art. 28, derde lid, Uitleveringswet niet naar behoren nageleefd.(8)

Bij de stukken bevinden zich een brief van de Leitende Oberstaatsanwalt Köln van 30 januari 2001 en een Bescheinigung van 17 april 2001 van de Oberstaatsanwalt Köln, welke inhouden dat ten aanzien van die feiten de plaats van handeling telkens Keulen is geweest.

Uw Raad kan in zijn arrest verstaan dat de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voorzover de in het Haftbefehl onder I-2, I-8, I-9 en III-1 omschreven feiten zouden zijn begaan te Keulen.

19. Ambtshalve heb ik geen andere redenen aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven dan de evengenoemde. Aangezien het middel niet tot cassatie kan leiden concludeer ik daarom dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd (1) de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] ontoelaatbaar te verklaren met betrekking tot de feiten I-8 en I-9 voorzover de daarin bedoelde ecstasy-tabletten uitsluitend MBDB, althans geen van de vier andere in het Niederschrift van 16 juli 2001 van de Oberstaatsanwalt in Köln genoemde stoffen (MDA, MDMA, Brolamfetamine en N-Ethyl-MDA) zouden bevatten, en (2) ten aanzien van de feiten I-2, I-8, I-9 en III-1 de plaats te vermelden waar deze zouden zijn begaan, dat Uw Raad het beroep voor het overige zal verwerpen, en dat hij voorts, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, de beide verzuimen zal herstellen.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 HR 20 februari 1996, NJ 1996, 424m.nt. 'tH; HR 18 maart 1997, NJ 1998, 72.

2 HR 10 mei 1994, DD 94.348; zie ook HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 533 m.nt. Sch.

3 Zie voorts omtrent de rol van de nationale ordre public in het internationaal privaatrecht: L. Strikwerda, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deventer, zesde druk, 2000, blz. 53-59.

4 Trb. 1972, Nr. 51.

5 H. Schulz, Das Schweizerische Auslieferungsrecht, Basel, 1953, blz. 239/240.

6 Th. Vogler, in: Grützner/Pötz, Internationaler Rechtshilfeverkehr in Strafsachen, Heidelberg, aant. 6 op § 73 IRG (aflevering maart 1984).

7 HR 8 februari 2000, NJ 2000, 246 en HR 6 maart 2001, Nieuwsbrief Strafrecht 2001, 066.

8 Vgl. HR 17 december 1991, NJ 1992, 344.