Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD5235

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2002
Datum publicatie
05-02-2002
Zaaknummer
00507/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD5235
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 250ter
Wetboek van Strafrecht 250a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 102
NJ 2002, 546
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00507/00

Mr Machielse

Zitting 16 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 24 december 1999 vrijgesproken van het onder 2 en 5 telastegelegde en voor het misdrijf van art.140 Sr (1) en voor mensenhandel (3 en 4) veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren en zes maanden.

2. Mr C.R.N. Monterie, advocaat te 's-Gravenhage, heeft onbeperkt cassatieberoep ingesteld. Ik neem aan dat het beroep zich niet richt tegen de vrijspraak voor de feiten 2 en 5. Mr R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat het Gerechtshof op 12 oktober 1998 het onderzoek ter terechtzitting niet opnieuw heeft aangevangen hoewel het hof op die dag anders was samengesteld dan het geval was op 4 mei 1998, toen de zaak tegen verdachte voor het eerst ter terechtzitting diende. Evenmin blijkt dat de P-G op 12 oktober 1998 of op een van de daaropvolgende dagen die aan deze strafzaak zijn gewijd de zaak (opnieuw) heeft voorgedragen. Daarom zou het onderzoek ter terechtzitting en het daarop gebaseerde arrest aan nietigheid lijden.

3.2. Op 4 mei 1998 is het onderzoek ter terechtzitting tegen verdachte aangevangen. De P-G heeft toen de zaak voorgedragen. Op die dag is enkel de vraag aan de orde geweest welke getuigen nog zouden moeten worden gehoord. Op 12 oktober 1998 heeft het Gerechtshof in andere samenstelling de oproeping van verdachte nietig verklaard. Op 16 november 1998 werd de oproeping van verdachte wederom nietig verklaard. Vervolgens heeft het hof de strafzaak tegen verdachte op de terechtzittingen van 18 januari 1999, 12 april 1999, 19 augustus 1999, 18 oktober 1999 en 13 december 1999 behandeld. De samenstelling van het Gerechtshof is met ingang van 12 oktober 1998 dezelfde gebleven.

3.3. Het belang van het opnieuw doen aanvangen van het onderzoek ter terechtzitting bij gewijzigde samenstelling is erin gelegen dat ingevolge art.350 Sv de beraadslaging en beslissing plaats vinden naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting. Aan dit voorschrift kan uitsluitend worden voldaan indien de rechters die het vonnis wijzen, hebben deelgenomen aan het onderzoek ter terechtzitting op basis waarvan het vonnis wordt gewezen.(1) Het arrest is gewezen door de raadsheren die ook deel uitmaakten van het college zoals dat met ingang van 12 oktober 1998 was samengesteld. Uit het arrest blijkt dat het arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 12 oktober 1998, 16 november 1998, 18 januari 1999, 12 april 1999, 19 augustus 1999, 18 oktober 1999 en 13 december 1999. Aldus is aan de eis van art.350 Sv voldaan. Het arrest is immers niet gewezen op basis van het onderzoek ter terechtzitting van 4 mei 1998, toen het hof een andere samenstelling had.

3.4. Een andere vraag is of het Gerechtshof gehouden was het onderzoek ter terechtzitting op 12 oktober 1998 wegens zijn gewijzigde samenstelling opnieuw aan te vangen. Ik meen dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Nu op 4 mei 1998 geen behandeling van de zaak zelf heeft plaatsgevonden was het hof, op 12 oktober 1998, in andere samenstelling, niet gehouden het onderzoek op die dag opnieuw aan te vangen.(2) Wellicht zou men kunnen tegenwerpen dat op 4 mei 1998 de zaak wel door de P-G is voorgedragen en dat daarna, toen het hof anders was samengesteld, de voordracht niet is herhaald. Omdat het hof bij zijn beraadslaging hetgeen is verhandeld ter terechtzitting van 4 mei 1998 buiten beschouwing heeft gelaten zou het hof dus ook geen acht hebben geslagen op de eerder gedane voordracht van de zaak. Dat komt erop neer dat een arrest is gewezen zonder dat de zaak voorgedragen is geweest.

Deze tegenwerping stuit af op een beslissing van de Hoge Raad uit 1947, inhoudende dat het niet voordragen van de zaak niet tot nietigheid leidt.(3) Het gegeven dat het Gerechtshof op 12 oktober 1998 het onderzoek ter terechtzitting niet opnieuw is begonnen leidt dus ook niet over die band tot nietigheid van het onderzoek en van het arrest.

3.5. Tenslotte vraag ik mij af welk belang van de verdediging door de gang van zaken zou zijn geschaad. Bij alle terechtzittingen is de advocaat van verdachte aanwezig geweest. Weliswaar heeft tussendoor een wijziging van advocaat plaatsgevonden maar de eerste noch de tweede advocaat heeft doen blijken bezwaar te hebben tegen het feit dat de P-G de zaak niet opnieuw heeft voorgedragen. Evenmin blijkt van enige belemmering van de verdediging door het ontbreken van een nieuwe voordracht. Het cassatiemiddel verzuimt eveneens aan te geven welk verdedigingsbelang is geschaad.(4)

Het eerste middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt erover dat het Gerechtshof verdachte niet in de gelegenheid heeft gesteld ter terechtzitting aanwezig te zijn. Het spitst zich toe op de beslissing die het hof op 13 december 1999 heeft genomen.

4.2. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting houdt hieromtrent het volgende in betreffende hetgeen de advocaat onder meer heeft aangevoerd:

Verder heeft zijn cliënt hem bericht dat in België een positief advies omtrent vervroegde vrijlating is gegeven, zodat hij binnen drie a vier maanden bij een eventuele nadere behandeling aanwezig kan zijn.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof het verzoek afwijst.

Er is geen reële kans op verschijning van de verdachte ter terechtzitting binnen een redelijke termijn.

4.3. Het al dan niet verschijnen van verdachte is niet voor het eerst op 13 december 1999 onderwerp van debat geweest.

Ter terechtzitting van 4 mei 1998 heeft de advocaat van een medeverdachte medegedeeld dat verdachte in Spanje gedetineerd was in afwachting van zijn uitlevering naar België. Op 12 oktober 1998 is die mededeling door de advocaat van verdachte herhaald. Op 16 november 1998 heeft de P-G deze informatie bevestigd. Ter terechtzitting van 18 januari 1999 deelde de advocaat van verdachte mede dat deze in België gedetineerd was en bij de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep aanwezig wilde zijn. Op 12 april 1999 deelde de advocaat van verdachte mede dat de mogelijkheid bestond dat verdachte in de loop van juli1999 uit zijn detentie in België zou worden ontslagen. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting bericht als volgt:

De procureur-generaal deelt mede contact te hebben opgenomen met de Belgische autoriteiten en al het mogelijke in het werk te hebben gesteld om de verdachte naar Nederland te laten komen voor de behandeling van de zaak. Een en ander is niet mogelijk gebleken, omdat het openbaar ministerie in Nederland geen geldige titel heeft om de verdachte vast te houden. In het belang van de slachtoffers verzoekt zij het hof om de zaak heden te behandelen. Tevens deelt de procureur-generaal mede dat zij geen afstand doet van de getuige [slachtoffer 1].

De raadsman blijft bij zijn standpunt. Voor het hof kan voor het vormen van een oordeel omtrent de verdachte het verschijnen van de verdachte van belang zijn.

Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging. Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof het verzoek van de verdediging inwilligt en de behandeling van de zaak tot een nadere datum zal aanhouden. Het hof houdt daarbij rekening met het feit dat de tot nu toe opgetreden vertragingen niet aan verdachte zijn toe te rekenen.

Voorts bevindt zich in het dossier een brief van de P-G aan de voorzitter van de strafkamer van het Gerechtshof van 16 juni 1999 met de volgende inhoud:

Hierbij deel ik u mede dat volgens informatie, verstrekt door mijn Belgische ambtgenoot de heer E. Coppens bij fax van 6 juni 1999, de zitting inzake [verdachte] van de Commissie Voorwaardelijk Invrijheidstelling eerst zal plaatsvinden op een datum in oktober 1999.

Voor die datum zal [verdachte] dus niet voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Zou worden afgezien van voorwaardelijke invrijheidstelling - welke mogelijkheid volgens mijn ambtgenoot beslist niet moet worden uitgesloten - dan is van belang te weten dat de uitvoering van de volledige straf is voorzien voor 3 februari 2002.

Op 19 augustus 1999 is het onderzoek ter terechtzitting hervat. De advocaat van verdachte verzocht weer om aanhouding tot oktober 1999 in verband met de eventuele vrijlating van verdachte in België. De P-G heeft zich tegen inwilliging van het verzoek om aanhouding verzet omdat de detentie van verdachte in België eerst op 3 februari 2002 zou expireren en de kans op een eerdere vrijlating niet groot was. Vervolgens heeft het hof het volgende beslist:

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter mede, dat het hof de kans dat [verdachte] binnen een aanvaardbare termijn op een nadere terechtzitting zal kunnen verschijnen, zeer gering acht en dat er voldoende inspanningen zijn verricht om de verdachte ter terechtzitting te doen verschijnen. Het hof acht het strafvordelijk0 belang, gelegen in de voortzetting van de behandeling van de zaak, zwaarder wegen dan het belang dat verdachte heeft bij uitstel van de behandeling van de zaak teneínde daarbij aanwezig te kunnen zijn, en besluit tot voortzetting van de behandeling.

Ter terechtzitting van 18 oktober 1999 deelde de P-G het volgende mee:

uit het ambtsbericht d.d. 11 oktober 1999 van de substituutprocureur des Konings, E. Coppens, te Gent blijkt dat verdachte op 25 oktober 1999 dient te verschijnen voor het personeelscollege van de gevangenisinstelling "Merksplas" waar verdachte is opgesloten. Dit is een zitting voorafgaande aan de zitting van de eigenlijke Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling. Op de voormelde zitting van 25 oktober 1999 zal het personeelscollege aan de minister voorstellen om verdachte uit te wijzen uit België. Tussen een dergelijk voorstel tot uitwijzing en de eventuele uiteindelijke uitwijzing ligt een termijn van twee tot vier maanden. Voorts wordt vermeld dat verdachte nooit voor de Commissie Voorwaardelijke Invrijheidstelling zal verschijnen, omdat hij juridisch (als zich crimineel gedragende vreemdeling die geen recht tot verblijf heeft in België) hoe dan ook niet in aanmerking kan komen voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Ik leg voormeld schrijven aan uw hof over.

Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van die dag houdt voorts het volgende in:

De raadsman verzoekt de brief aan het proces-verbaal te doen hechten. De voorzitter deelt mee dat aan dit verzoek zal worden voldaan.

De raadsman verklaart desgevraagd: ik heb ter vorige terechtzitting een verzoek tot aanhouding gedaan in verband met een eventuele invrijheidstelling van mijn cliënt uit de gevangenis in België. Ik doe nu geen verzoek tot aanhouding.

4.4. Ter terechtzitting van 13 december 1999 is weer gesproken over het aanhouden van de zaak, zoals hiervoor aangegeven.

De advocaat heeft in zijn pleitnota het belang van de aanwezigheid van verdachte ter terechtzitting niet nogmaals benadrukt.

Het hof heeft in zijn hierboven aangehaalde overweging van 13 december 1999 tot uitdrukking gebracht dat in dit geval het belang van de strafvordering - hetwelk omvat een afdoening binnen een redelijke termijn van de zaak welke betrekking had op feiten die ongeveer drie jaar geleden zouden zijn begaan - diende te prevaleren boven het belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting aanwezig te zijn. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat ter terechtzitting van 12 april 1999 de advocaat van verdachte al om aanhouding verzocht omdat verdachte in juli 1999 vrij zou kunnen komen - welk verzoek door het Gerechtshof is ingewilligd - en dat op 13 december 1999 de raadsman had verklaard dat verdachte hem had gezegd dat een positief advies was gegeven over een vervroegde vrijlating zodat verdachte binnen drie à vier maanden ter terechtzitting aanwezig zou kunnen zijn, zonder dat deze mededeling nader was onderbouwd. Het hof heeft kunnen menen dat de onzekerheid over de vrijlating van verdachte uit de Belgische detentie aan een nieuwe aanhouding van de behandeling in de weg stond.

Het tweede middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt over de afwijzing door het hof ter terechtzitting van 13 december 1999 om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen ten einde de getuige [betrokkene C] ter terechtzitting te doen verschijnen.

5.2. In dit verband lijkt mij het volgende van belang. De getuige [betrokkene C] is ter terechtzitting van 4 mei 1998 op de getuigenlijst geplaatst. De getuige was al door de RC in aanwezigheid van verdachtes advocaat gehoord. Zij is voor de daaropvolgende terechtzittingen gedagvaard, maar nooit verschenen. De verdediging heeft niet aangevoerd wat het belang was van het opnieuw doen horen van de getuige, nadat zij eerder door de RC was gehoord. Enkel heeft de advocaat van verdachte op 4 mei 1998 het oproepen van onder meer deze getuige bepleit met het argument dat het hof aldus "een betere indruk" van haar kon krijgen. Tenslotte acht ik van belang dat het Gerechtshof van feit 3 nu juist niet heeft bewezenverklaard dat verdachte ook [betrokkene C] tot prostitutie heeft gebracht.

Onder deze omstandigheden mist verdachte belang bij deze klacht.(5)

Het derde middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt over de verwerping door het hof van het beroep op nietigheid van de dagvaarding betreffende feit 1.

6.2. Onder 1 is ten laste gelegd de deelneming aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten van mensenhandel en/of valsheid in geschrift. Het verweer in de pleitnota, dat de officier heeft telastegelegd dat er één organisatie was die tot oogmerk had het plegen van mensenhandel én het plegen van valsheid in geschrift gaat dus uit van een te beperkte en daarom verkeerde lezing van de telastelegging. Het hof heeft het verweer als volgt verworpen:

- in feit 1 heeft de Officier van Justitie, gelet op het kopje "[...] als criminele organisatie" tenlastegelegd dat verdachte zou hebben deelgenomen aan een organisatie, werkzaam in of vanuit [...], die tot oogmerk had én mensenhandel (in een of meer van zijn varianten) én valsheid in geschrift (in een of meer van zijn varianten). Aldus laat de tenlastelegging niets aan duidelijkheid te wensen over. Dat die organisatie zich (mogelijk) slechts toelegde op mensenhandel en dat er daarnaast mogelijk een organisatie bestond die zich toelegde op valsheid in geschrift, doet aan het voorgaande niet af;

Het Gerechtshof is dus ten onrechte ook uitgegaan van een verkeerde lezing van de telastelegging.

6.3. Een juiste lezing van de telastelegging biedt vanzelfsprekend de mogelijkheid dat ten aanzien van verdachte wordt bewezenverklaard dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die enkel het oogmerk had op het plegen van mensenhandel en dat wordt vrijgesproken van het kenmerk dat de organisatie óók het oogmerk zou hebben op het plegen van valsheid in geschrift. Bij een juiste lezing is de telastelegging volstrekt helder. De mogelijkheid die de pleitnota suggereert, te weten dat er wellicht twee organisaties waren waarvan de een het oogmerk had op het plegen van mensenhandel en de andere op het plegen van valsheid in geschrift, komt bij een correcte lezing van de telastelegging bij de vraag naar de bewezenverklaring aan de orde. Voor zover het middel voortborduurt op het gevoerde verweer gaat het dus ook uit van een verkeerde lezing van de telastelegging.

Maar ook als de telastelegging zou hebben geluid als de pleitnota aangeeft vermag ik niet in te zien dat de consequentie zou zijn dat de dagvaarding op dit punt nietig zou moeten worden verklaard. De advocaat voerde in zijn pleitnota aan dat er mogelijk twee organisaties hebben bestaan, ieder met een verschillend oogmerk. Ook dan geldt het bovenstaande. De telastelegging houdt ook dan de mogelijkheid in dat verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie die het oogmerk had gericht op mensenhandel en dat die organisatie niet het oogmerk had op het plegen van valsheid in geschrift. Het feit dat een gerecht tot de slotsom komt dat een mogelijkheid die in de telastelegging ligt besloten niet kan worden bewezenverklaard, leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding, mits de dagvaarding voldoende duidelijk is. En dat is ook het geval als de telastelegging zou hebben geluid zoals de advocaat en het hof haar hebben gelezen.

Het vierde middel is vruchteloos voorgesteld.

7.1. Het vijfde middel stelt dat het Gerechtshof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie heeft verworpen. Het verweer hield in dat de politie een ongeoorloofde opsporingsmethode heeft toegepast. De politie zou hebben nagelaten in te grijpen hoewel de politie ervan op de hoogte was dat in [...] vrouwenhandel werd gepleegd. Als bijlage is aan de pleitnota in hoger beroep gehecht een motie onder meer ondertekend door het kamerlid Rouvoet, inhoudende dat het doorlaten van personen niet aanvaardbaar is ter opheldering van misdrijven als vrouwenhandel en mensensmokkel, zelfs niet met het oog op zwaarwegende opsporingsbelangen. Tevens is als bijlage aangehecht een brief van de minister, waarin deze zijn standpunt over de motie uiteenzet. Deze bijlagen dateren van na de perioden waarin de bewezenverklaarde feiten zijn gepleegd.

Het hof heeft het verweer gezet in de sleutel van een beweerd gedoogbeleid en vastgesteld dat niet aannemelijk is dat de politie op het gebied van het delict mensenhandel een gedoogbeleid heeft gevoerd.

Het middel klaagt dat het hof aldus aan het verweer een andere uitleg heeft gegeven dan in het verweer lag besloten en dat aldus het hof op het verweer geen beslissing heeft gegeven.

7.2. Ik merk op dat de vergelijking met een ongeoorloofd doorlaten mank gaat. Het verweer hield enkel in dat de politie ervan op de hoogte was dat vrouwen die illegaal in Nederland waren vanuit [...] te [...] prostitutie bedreven. Het verweer luidde dat de politie niet (telkens) onmiddellijk heeft ingegrepen op het moment dat het aan de politie bekend was dat (weer) illegaal in Nederland verblijvende vrouwen vanuit [...] in de prostitutie werkzaam waren. Omdat er volgens de advocaat van vrouwenhandel sprake was moest de politie onmiddellijk ingrijpen.

Niet is door de verdediging gesteld dat het aan de politie bekend was dat de vrouwen onder mensonwaardige omstandigheden zijn vervoerd of in zulke omstandigheden terecht zouden komen, of dat de vrouwen in Nederland zijn doorgelaten om aldus te kunnen observeren wat in het verdere traject zou gebeuren. Het enkele feit dat een buitenlandse illegale prostituee in Nederland werkzaam is impliceert nog niet dat deze persoon in ons land in mensonwaardige omstandigheden verkeert.

De beslissing van het hof dat niet aannemelijk is dat de politie een gedoogbeleid heeft gevoerd rept niet van het vertrouwensbeginsel waarvan de steller van het middel wél spreekt. Inderdaad wordt een gedoogbeleid vaak aan het vertrouwensbeginsel gekoppeld, maar het hof heeft hier het begrip "gedoogbeleid" klaarblijkelijk gebezigd in die zin dat de politie doelbewust het plegen van misdrijven zou hebben laten voortduren zonder in te grijpen en aldus die misdrijven zou hebben gedoogd. Daarvan is volgens het hof geen sprake geweest. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is gebaseerd op waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet getoetst kunnen worden.

7.3. Ik betwist overigens dat het enkele niet direct ingrijpen als er een verdenking van een misdrijf bestaat een zelfstandige ongeoorloofde opsporingsmethode oplevert.(6) Het enkel nog niet ingrijpen kan zijn reden vinden in allerlei omstandigheden. Zo kan de verdenking nog onvoldoende hard zijn om te zijner tijd tot een veroordeling te kunnen komen. Ook kan de hoop bestaan om de leiders van een criminele organisatie op het spoor te komen. Of de politie kan het opportuun achten alle verdachten tegelijkertijd te arresteren. De keuze van het moment van ingrijpen hangt samen met een afweging van verschillende factoren, zoals de risico's voor slachtoffers, de kans dat een opsporingsonderzoek tevergeefs blijkt te zijn gevoerd etc. Niet ingrijpen draagt alleen maar bij tot de opsporing indien door het niet ingrijpen de ruimte ontstaat tot het verrichten van (nog meer) opsporingshandelingen. Die laatste opsporingshandelingen kunnen besmet raken indien redelijkerwijs de keuze om niet in te grijpen maar om opsporingsruimte te scheppen niet verdedigbaar is. Overigens vermag ik ook niet in te zien hoe een niet ingrijpen door de politie een zodanige inbreuk oplevert op de belangen van de verdachte dat aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak te kort wordt gedaan. Zoals gezegd zal de politie onder omstandigheden niet mogen talmen in het belang van personen die met huid en haar zijn overgeleverd bijvoorbeeld aan mensensmokkelaars. Maar de plicht tot ingrijpen strekt niet ter bescherming van de belangen van de verdachte, maar ter bescherming van de belangen van de slachtoffers van de verdachte. Van een schending van een "fair trial" jegens verdachte kan in een dergelijk geval naar mijn bescheiden mening geen sprake zijn. Evenmin vermag ik in te zien dat er hier sprake zou kunnen zijn van een handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces zoals het geval was in HR NJ 1999,567.

Het vijfde middel is tevergeefs opgeworpen.

8.1. Het zesde middel keert zich tegen de veroordeling voor het onder 3 tenlastegelegde. Het middel stelt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] slachtoffer is geweest van verkrachting.

8.2. Het Gerechtshof heeft als bewijsmiddel 12 voor het bewijs gebezigd de volgende verklaring van [slachtoffer 1]:

Begin november 1996 kwam ik te werken in een cabaret buiten Madrid. Daar werd ik voorgesteld aan [betrokkene D], die een vrachtwagenchauffeur bleek te zijn uit Nederland. De volgende ochtend stelde hij voor om met hem naar Nederland te reizen. Hij zei dat hij na vier dagen weer in Spanje terug zou keren. Tijdens de reis heb ik een aantal keren sex met [betrokkene D] gehad. Hij wilde echter steeds sex zonder condoom.

Ik wilde dit niet maar ik durfde dit niet te zeggen. Ik was bang dat hij mij uit de vrachtwagen zou zetten. Toen wij in Nederland waren zei hij dat ik niet terug kon naar Spanje, omdat hij voor zijn werk naar Duitsland en Italië, heeft hij mij naar die landen meegenomen. Ik voelde mij alsof ik ontvoerd was. Tijdens de reis heeft [betrokkene D] regelmatig gemeenschap met mij gehad, hoewel ik dat niet wilde. Hij deed dat steeds zonder condoom. Eind november 1996 vond ik [...]. Ik kon daar direct komen werken. Het was voor hen geen enkel probleem dat ik illegaal was. Vanaf de tweede week van mijn verblijf in [...] woonde ik in een kamertje boven [...].

8.3. Uit deze verklaring heeft het hof kunnen afleiden dat [slachtoffer 1] inderdaad is verkracht. Zij heeft seksueel verkeer gehad met een Nederlandse vrachtwagenchauffeur tegen haar zin, terwijl zij volledig van die chauffeur afhankelijk was. De door haar "[betrokkene D]" genoemde man heeft misbruik gemaakt van een uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.(7) Gelet op de omstandigheden zoals in deze verklaring geschetst moet "[betrokkene D]" minimaal de aanmerkelijke kans hebben beseft en gretig aanvaard dat de vrouw onder zodanige druk stond en zo kwetsbaar was dat zij geen weerstand zou hebben kunnen bieden en dat zij zich gedwongen voelde tot het ondergaan van zijn seksuele handelingen.(8) Uit de verklaring van [slachtoffer 1] heeft het hof naar mijn oordeel kunnen afleiden dat die [slachtoffer 1] slachtoffer van verkrachting is geweest.

Het middel faalt.

9. Naar aanleiding van het laatste middel merk ik overigens wel op dat er een ander hiaat schuilt in de bewezenverklaring van feit 3. Bewezenverklaard is immers dat verdachte door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht die [slachtoffer 1] (en [slachtoffer 2]) tot prostitutie heeft gebracht. Voor dat misbruik is volgens de tenlastelegging van belang dat die [slachtoffer 1] was verkracht en dat zij een jong kind in Marokko moest onderhouden. Deze omstandigheden zijn kennelijk volgens de steller van de tenlastelegging bepalend voor de kwetsbare situatie waarin [slachtoffer 1] zich bevond en die verdachte met anderen heeft geëxploiteerd. Maar nergens uit de bewijsvoering valt op te maken dat verdachte of zijn mededaders zich bewust zijn geweest van deze omstandigheden. Daarom lijkt mij de bewezenverklaring van feit 3 onvoldoende met redenen omkleed.

Eenzelfde gebrek kleeft overigens aan de bewezenverklaring van feit 3 voorzover het het tenlastegelegde "misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht" geldt ten aanzien van het andere slachtoffer, de Tjechische [slachtoffer 2]. Bepalend voor dit misbruik is kennelijk dat die [slachtoffer 2] " voordat zij in na te noemen club "[...]" terechtkwam in 1996 slachtoffer was geworden van mishandeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting" en dat haar "paspoort was afgepakt" en dat zij "door een zekere "[betrokkene A]" en een zekere "[betrokkene B]" onder druk werd gezet een bedrag van 6000 Duitse Mark te betalen". Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt evenwel niet dat verzoeker en/of zijn mededaders van deze omstandigheden op de hoogte waren. Uit de bewijsmiddelen valt slechts op te maken dat deze feitelijkheden alle op het conto van de in de tenlastelegging genoemde "[betrokkene A]" en "[betrokkene B]" komen, van wie uit de bewijsvoering niet volgt dat zij op enig moment zelfs maar contact hebben gehad met verzoeker en/of zijn mededaders. Ook in dit opzicht is de bewezenverklaring van feit 3 derhalve ontoereikend gemotiveerd.

10. De voorgestelde middelen kunnen naar mijn mening met de aan art.101a RO ontleende motivering worden verworpen. Op de ambtshalve opgeworpen grond dient het arrest naar mijn mening te worden vernietigd voor zover het betreft de beslissingen over het als feit 3 telastegelegde en de strafoplegging en dient de strafzaak te worden verwezen naar een aangrenzend hof teneinde met inachtneming van 's Hogen Raads arrest te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 2000,701.

2 HR NJ 2001,125.

3 HR NJ 1948,95.

4 Zie HR NJ 2000,701 en HR NJ 2001,125.

5 HR 18 mei 1999, NJB 1999,86, p.1115, rov. 5.5.

6 Zie Buruma/Vegter, Buitengewone opsporingsmethoden, 1998, p.60.

7 Vgl. HR NJ 1998,646.

8 Vgl. HR NJ 1999,419, rov. 3.5.