Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD5163

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
12-03-2002
Zaaknummer
01584/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD5163
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 585
Wetboek van Strafvordering 586
Wetboek van Strafvordering 587
Wetboek van Strafvordering 588
Wetboek van Strafvordering 589
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 163
NJ 2002, 317 met annotatie van T.M. Schalken
VR 2002, 107
NTM/NJCM-bull. 2002, p. 379
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01584/00

Mr Machielse

Zitting: 16 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=verdachte]

1. Bij arrest van 16 maart 1999 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld ter zake van 1. "poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking", 2. "diefstal" en 3. "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht" tot een gevangenisstraf van twee maanden. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.

2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Ambtshalve maak ik gewag van het volgende.

3.2. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich de inleidende dagvaarding met parketnummer 05/009196-97. De daarbij behorende akte van uitreiking houdt in dat deze dagvaarding op 11 november 1997 aan de griffier is uitgereikt, aangezien van verzoeker geen woon- of verblijfplaats bekend was. Verzoeker bevond zich niet in detentie. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter te Arnhem van 4 december 1997 houdt in dat verzoeker aldaar niet is verschenen en dat tegen hem verstek is verleend.

Uit een uittreksel van het GBA, dat is opgevraagd ter controle van de betekening van de aanzegging als bedoeld in artikel 435, eerste lid Sv, blijkt echter dat verzoeker in de periode van 14 oktober 1997 tot 16 mei 2000 stond ingeschreven op twee achtereenvolgende adressen in de gemeente [woonplaats], respectievelijk [a-straat 1], 1 hoog en [c-straat 1].

3.3. Daarnaast bevindt zich bij de stukken een inleidende dagvaarding met parketnummer 05/009116-97. De daarbij behorende akte van uitreiking houdt in dat deze op 24 september 1997 is uitgereikt aan de griffier, nu van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend was. Dat strookt met de informatie uit het GBA-register. Toentertijd is ook bevonden dat verzoeker zich niet in detentie bevond. Het proces-verbaal van verhoor van verzoeker door de politie van 23 juni 1997 in deze zaak - nummer PL0710/97-107-71- houdt echter in dat hij heeft verklaard ingeschreven te staan op het adres [b-straat 1] te [woonplaats], welk adres hij gebruikt voor zijn post. Dit was een - op dat moment reeds achterhaald - GBA-adres van verzoeker dat ook staat vermeld op de zogenaamde 'verificatie- en informatiestaat' betreffende verzoeker, waarvan een exemplaar aan de akte van uitreiking is gehecht.(1) Een feitelijk woon- of verblijfadres is juridisch minder stevig dan een GBA-inschrijvingsadres, en een postadres is weer wat waziger dan een woonadres. De betekeningsregeling in het Wetboek van strafvordering strekt ertoe te verzekeren dat degene voor wie een dergelijke gerechtelijke mededeling is bestemd - in de regel de verdachte - daarvan zo enigszins mogelijk op de hoogte komt. Als de verdachte aan de politie een feitelijk woonadres heeft opgegeven, niet zijnde een inschrijvingsadres, moet getracht worden daar uit te reiken en zal uiteindelijk de griffier overeenkomstig art. 588 lid 3 onder c Sv de dagvaarding onverwijld als gewone brief over de post aan die feitelijke woon- of verblijfplaats dienen te zenden.(2) Gelet op de strekking van de betekeningsregeling zal zulks niet enkel gelden voor het woon- of verblijfadres, maar ook voor het postadres. Uit de bij de Hoge Raad bekende stukken kan niet blijken dat is getracht ook op dit adres uit te reiken, terwijl zulks wel had gemoeten. Er was immers sprake van een adres waarvan verzoeker te kennen heeft gegeven daar bereikbaar te zijn.(3)

3.3. De dagvaarding in hoger beroep is blijkens de daarbij behorende akte van uitreiking uitgereikt aan een "huisgenoot" van verzoeker op zijn toenmalige GBA-adres.(4) Op de terechtzitting van 2 maart 1999 is verzoeker niet verschenen, waarna wederom verstek tegen hem is verleend.

3.4. In de bestreden uitspraak van het hof ligt als zijn oordeel besloten dat de inleidende dagvaardingen om te verschijnen ter terechtzitting van de Politierechter van 4 december 1997 rechtsgeldig zijn betekend. Dat oordeel is in het licht van het hiervoor overwogene onbegrijpelijk. Uw Raad zal de inleidende dagvaardingen om doelmatigheidsredenen zelf nietig kunnen verklaren.

4.1. Terzijde merk ik nog ambtshalve op dat het cassatieberoep is ingesteld op 16 september 1999 en de zaak ter terechtzitting van de Hoge Raad van 9 oktober 2001 voor de eerste maal is behandeld, zodat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaar zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Gelet op het voorgaande zal Uw Raad met die vaststelling kunnen volstaan.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, behoudens voorzover daarbij het vonnis van de Politierechter van 4 december 1997 is vernietigd, en de inleidende dagvaardingen nietig zal verklaren.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Onlangs, 25 september 2001, heeft de Hoge Raad het oordeel van de politierechter dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats meer had gebillijkt (griffienummer 02939/00). In die zaak ging het om een verdachte die aan de politie als woonadres een adres had opgegeven waarvan hij volgens de GBA-gegevens reeds vier jaar eerder was vertrokken. Uitreiking aan dat opgegeven adres lukte niet en evemin is een achtergelaten bericht van aankomst opgehaald. In de onderhavige zaak heeft verdachte in juni 1997 als postadres opgegeven: [b-straat 1] te [woonplaats], van welk adres uit de GBA-gegevens blijkt dat hij zich daar op 11 mei 1996 had doen uitschrijven. Enige maanden nadien is een inleidende dagvaarding uitgereikt aan de griffier omdat van verdachte geen woon- of verblijfplaats bekend zou zijn.

2 HR 3 juli 2001, NJB 2001,136, p. 1619.

3 Vgl. HR 17 november 1998, nr. 108.358, HR 9 juni 1998, nr. 105.550 en HR DD 92.347.

4 Het betreft een zogenaamd post-adres, waarmee bedoeld zal zijn een briefadres in de zin van art. 1 Wet GBA.