Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD4932

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
R01/025HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD4932
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 798, geldigheid: 2002-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 1
NJ 2002, 463
RvdW 2002, 11
JWB 2002/7

Conclusie

Rek.nr.: R01/025

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 19 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Verzoekster],

in rechte vertegenwoordigd door de STICHTING CAV(1)

tegen

[Verweerder]

1. Feiten en procesverloop(2)

1.1 Verzoekster tot cassatie, [verzoekster], is op [geboortedatum] 1916 geboren te [geboorteplaats] te Duitsland. [Verzoekster] is weduwe. Zij heeft twee zoons, verweerder in cassatie, [verweerder], en [betrokkene A].

1.2 Bij beschikking van 15 juli 1999 heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage machtiging verleend tot het doen opnemen van [verzoekster] in een psychiatrisch ziekenhuis. Zij wordt thans verpleegd op een gesloten afdeling van een verpleeghuis.

1.3 Bij beschikking van 5 oktober 1999 heeft de kantonrechter te 's-Gravenhage op verzoek van [verweerder] bewind als bedoeld in art. 1:431 BW ingesteld over alle huidige en toekomstige goederen die toebehoren aan [verzoekster]. Daarbij heeft hij de Stichting CAV benoemd tot bewindvoerder.

1.4 Reeds voor de onderbewindstelling zijn tussen [verweerder] en [betrokkene A] ernstige problemen ontstaan rond het beheer van het vermogen van [verzoekster]. Volgens [verweerder], die als diplomaat in [...] verblijft, heeft [betrokkene A], daarbij gebruikmakend van machtigingen met een vervalste handtekening, een bedrag van tenminste ƒ 100.000,-- aan het vermogen van [verzoekster] onttrokken. Een deel van het geld is, aldus nog steeds [verweerder], opgegaan aan het honorarium van Hengst advocaten te Katwijk, die op verzoek van [betrokkene A] ten behoeve van [verzoekster] een reeks zinloze procedures hebben geëntameerd.

1.5 In verband met deze problemen heeft [verweerder] zich in augustus 1999 gewend tot mr. Vlek. In de maanden augustus 1999 tot en met februari 2000 heeft mr. Vlek diverse werkzaamheden verricht(3). Zo heeft hij de onderbewindstelling van [verzoekster] bepleit, namens [verweerder] klachten ingediend tegen Hengst advocaten en heeft hij [verweerder] bijgestaan in een kort geding waarin - voor zover hier van belang - werd gevorderd aan [betrokkene A] te verbieden volmachten op te maken voorzien van door hem nagemaakte en vervalste handtekeningen van [verzoekster] en die volmachten naar buiten toe te gebruiken. Bij vonnis van 14 januari 2000 heeft de president deze vordering toegewezen(4). Voorts heeft mr. Vlek uitvoerig contact onderhouden met de Stichting CAV.

1.6 Voor zijn werkzaamheden heeft mr. Vlek [verweerder] declaraties gestuurd ten belope van ƒ 80.170,--.

1.7 Bij brief van 23 februari 2000 heeft [verweerder] zowel de Stichting CAV als de kantonrechter rechtstreeks benaderd met het verzoek een bedrag van ƒ 73.870,-- uit de gelden van [verzoekster] aan hem te restitueren. Daartoe heeft hij kort gezegd aangevoerd dat het bij dit bedrag deels gaat om kosten die zijn gemaakt ter bescherming van het onder bewind gestelde vermogen van [verzoekster] en deels - voor een bedrag van ƒ 12.601,87 - om advieswerkzaamheden die mr. Vlek in opdracht van de Stichting CAV heeft verricht(5).

1.8 Na een aantal niet meer ter zake dienende verwikkelingen heeft de kantonrechter [verweerder] en de Stichting CAV en hun beider raadslieden uitgenodigd voor een gesprek(6). Deze bespreking heeft uiteindelijk plaatsgevonden op 5 april 2000. Tijdens deze bespreking heeft [verweerder], naast het hiervoor genoemde verzoek, nog drie andere, nadere verzoeken aan de orde gesteld, te weten(7):

- het verzoek om compensatie van de door [betrokkene A] aan het vermogen onttrokken bedragen in de vorm van een schenking aan [verweerder] ten laste van het vermogen van [verzoekster] van ƒ 100.000,--, te vermeerderen met schenkingsrechten;

- het verzoek tot het doen verrichten van een boekenonderzoek, opdat de totale omvang van de onttrekkingen kan worden vastgesteld, zulks mede met het oog nog te verrichten belastingaangiftes;

- het verzoek over te gaan tot royement van een aantal door Hengst advocaten geëntameerde procedures.

1.9 Bij brieven van 13 en 28 april 2000 heeft de kantonrechter aan mr. Vlek ten aanzien van al deze aangelegenheden, punt voor punt, bericht:

- dat hij na rijp beraad en na kennisneming van de stukken heeft besloten aan [verweerder] een bedrag van ƒ 20.000,-- toe te kennen in verband met het bewind gemaakte kosten van rechtsbijstand. Naar het oordeel van de kantonrechter wordt hiermee voldoende tegemoetgekomen in de kosten die [verweerder] redelijkerwijs heeft moeten maken;

- dat van een schenking, nog afgezien van de vraag waarom daartoe zou moeten worden besloten, in elk geval geen sprake kan zijn zolang en indien niet vaststaat dat [betrokkene A] frauduleus heeft gehandeld;

- dat een boekenonderzoek hooguit in het belang is (voor de vaststelling van de omvang van het onder bewind gestelde vermogen) van [verzoekster], zodat dit [verweerder] niet regardeert;

- dat hetzelfde geldt voor de door mr. Hengst geëntameerde procedures.

1.10 [verweerder] heeft tegen de beslissingen van de kantonrechter in de brieven van 13 en 28 april 2000 hoger beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. In zijn beroepschrift heeft hij de rechtbank verzocht de beslissingen van de kantonrechter te vernietigen en alle verzoeken alsnog toe te wijzen.

1.11 Bij tussenbeschikking van 11 september 2000 heeft de rechtbank, onder aanhouding van iedere verdere beslissing, bepaald dat [verweerder] en de Stichting CAV alsmede [betrokkene A] in aanwezigheid van hun raadslieden door de rechter-commissaris zullen worden gehoord. De behandeling door de rechter-commissaris heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2000.

1.12 In haar eindbeschikking van 18 december 2000 heeft de rechtbank vervolgens de bestreden beslissingen vernietigd, doch uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de verstrekte machtiging aan de Stichting om tot vergoeding van kosten van rechtsbijstand gemaakt ten behoeve van het instandhouden van het vermogen van [verzoekster] een bedrag van ƒ 20.000,-- aan [verweerder] te betalen. In zoverre opnieuw beschikkende heeft zij de Stichting CAV gemachtigd ter zake van deze kosten aan [verweerder] een vergoeding van ƒ 28.348, 12 te betalen.

Voor het overige heeft de rechtbank [verweerder] niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

1.13 [Verzoekster] heeft, daarbij vertegenwoordigd door de Stichting CAV(8), tegen de beide beschikkingen van de rechtbank tijdig(9) beroep in cassatie ingesteld. [Verweerder] heeft, hoewel hij daartoe om uitstel had verzocht, geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het middel formuleert alleen klachten tegen de eindbeschikking. Voor zover in cassatie nog van belang heeft de rechtbank hierin ten aanzien van de vraag of de beslissingen van de kantonrechter vatbaar zijn voor hoger beroep en, zo ja, of [verweerder] is aan te merken als belanghebbende die daarvan in hoger beroep kan komen, het volgende overwogen (rov. 4-9):

(a) De kantonrechter is slechts bevoegd ten aanzien van verzoekschriften, voor zover de behandeling daarvan bij wet aan hem is opgedragen. Gegeven de tekst van art. 1:441 BW in verbinding met de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure kan de kantonrechter daarom slechts beslissen op een door de bewindvoerder ingezet verzoek tot machtiging.

(b) Aangenomen moet worden dat het de Stichting is geweest die machtiging heeft gevraagd de kosten van rechtsbijstand door mr. Vlek aan [verweerder] te vergoeden. Uit de stukken blijkt immers dat de Stichting de kantonrechter aanvankelijk machtiging heeft gevraagd twee aan haar gerichte declaraties van mr. Vlek ten belope van ƒ 12.601,87 te voldoen. Het betrof hier declaraties voor werkzaamheden die mr. Vlek in opdracht van de Stichting heeft verricht. Deze declaraties zijn echter teruggenomen en voldaan door [verweerder], die vervolgens zowel de Stichting als de kantonrechter heeft verzocht de door hem gemaakte juridische kosten tot een bedrag van ƒ 73.870,-- ten laste van [verzoekster] te brengen. Het aanvankelijke verzoek van de Stichting tot machtiging tot betaling van ƒ 12.601,87 is aldus met haar goedvinden gewijzigd in een verzoek tot machtiging tot betaling van ƒ 73.870,--, zodat laatstgenoemd verzoek heeft te gelden als een verzoek van de Stichting als bedoeld in art. 1:441 lid 2 BW(10).

(c) Uit de stukken blijkt daarentegen niet dat de Stichting ook machtiging heeft verzocht voor de schenking, het boekenonderzoek en het royement van een aantal procedures.

(d) De kantonrechter had derhalve uitsluitend te oordelen over een verzoek van de Stichting tot machtiging tot vergoeding van ten behoeve van het vermogen van [verzoekster] gemaakte kosten van rechtsbijstand. Slechts voor zover de inhoud van de brieven van de kantonrechter daarop betrekking heeft, merkt de rechtbank dit aan als een beschikking. Gelet op het bepaalde in art. 798 lid 2 Rv. is [verweerder] belanghebbende bij die beschikking. In zoverre is hij dan ook ontvankelijk in zijn beroep.

2.2 In het middel worden (bewust(11)) geen klachten geformuleerd tegen het oordeel van de rechtbank dat het hier (wat betreft de kosten van rechtsbijstand) gaat om een verzoek van de Stichting CAV op de voet van art. 1:441 lid 2 BW, zodat de daarop bij brief gegeven beslissing van de kantonrechter dient te worden aangemerkt als een beschikking. Dit heeft derhalve in cassatie als uitgangspunt te gelden.

2.3 Vanuit dit uitgangspunt klaagt het middel erover dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat [verweerder] ingevolge het bepaalde in art. 798 lid 2 Rv. als belanghebbende bij het verzoek dient te worden aangemerkt, zodat voor hem hoger beroep tegen de beschikkingen openstaat. Deze klacht wordt in twee onderdelen uitgewerkt.

Onderdeel 1 betoogt dat de taak van de bewindvoerder op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist en bemoeilijkt, indien de belanghebbenden genoemd in art. 798 lid 2 Rv. zich met een verzoek ex art. 1:441 lid 2 BW kunnen bemoeien. Aangenomen dient dan ook te worden, aldus het onderdeel, dat belanghebbenden in de zin van art. 798 lid 2 Rv. geen rechtsmiddel kunnen aanwenden tegen een door de kantonrechter gegeven of geweigerde machtiging. Het onderdeel beroept zich daarbij op het systeem van de wet en de bedoeling van de wetgever.

Volgens onderdeel 2 is het oordeel van de rechtbank omtrent de ontvankelijkheid van [verweerder] in zijn hoger beroep in elk geval onjuist, nu niet kan worden gezegd dat [verweerder] in deze zaak is opgetreden in zijn hoedanigheid van zoon van de rechthebbende, doch als crediteur van een gepretendeerde vordering op het onder bewind gestelde vermogen.

2.4 Over het beschermingsbewind als bedoeld in art. 1:431 BW kan in het algemeen het volgende worden opgemerkt. De instelling van een dergelijk bewind heeft als belangrijkste gevolg dat de rechthebbende het beheer over de onder bewind gestelde goederen verliest en dat hij ten aanzien van die goederen nog slechts beperkt beschikkingsbevoegd is. Dit volgt uit art. 1:438 lid 1 en lid 2 BW(12).

2.5 Onder beheer dient hier te worden verstaan de zorg voor de instandhouding van de goederen alsmede de normale exploitatie daarvan. Onder beheer kan een veelheid van feitelijke en rechtshandelingen worden begrepen, zoals bijvoorbeeld het doen van onderhoud, het innen van huur of het kopen of verkopen van voorraden, waarbij geldt dat beheren en beschikken elkaar niet steeds uitsluiten(13).

2.6 De bewindvoerder behoeft ingevolge art. 1:441 lid 2 BW voor een aantal handelingen toestemming van de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, machtiging van de kantonrechter(14). Deze eis van toestemming of machtiging geldt onder meer voor het beschikken of aangaan van overeenkomsten tot beschikking over een onder bewind staand goed, tenzij de handeling als een daad van gewoon beheer - dat wil zeggen een handeling die in omvang niet (ver) uitgaat boven wat het beheer van de onder bewind gestelde goederen normaal gesproken meebrengt(15) - kan worden beschouwd of krachtens rechterlijk bevel geschiedt (art. 1:441 lid 2 sub a). Dit geldt ook als de handeling geld betreft. Onder het beschikken over een goed valt mede te verstaan het afstand doen of erkennen van (vorderings)rechten(16).

2.7 Op de rechtspleging inzake de onderbewindstelling ter bescherming van meerderjarigen is de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure, de art. 429a e.v. Rv., van toepassing(17). De bewindvoerder dient zich dan ook bij verzoekschrift tot de kantonrechter te wenden voor de in art. 1:441 lid 2 BW bedoelde machtiging(18). Op grond van art. 429f Rv. gelast de rechter bij de behandeling van een verzoek de oproeping van bekende en onbekende belanghebbenden. Het begrip 'belanghebbende' wordt in de algemene regeling niet omschreven.

2.8 Voor de familieverzoekschriftprocedures(19) is het begrip belanghebbende nader bepaald in art. 798 Rv. In zaken van onderbewindstelling wordt in het tweede lid van art. 798 Rv. onder belanghebbenden onder meer verstaan de kinderen van degene wiens goederen het betreft. Naar de letter genomen was [verweerder] derhalve belanghebbende bij het verzoek van de Stichting CAV op grond van art. 1:441 lid 2 BW, zodat hem op grond van art. 429n Rv. het recht van hoger beroep toekomt.

De door onderdeel 1 aan de orde gestelde vraag is of dit ook de bedoeling van de wetgever is geweest.

2.9 Het karakter van het machtigingsverzoek van art. 1:441 lid 2 BW voor het geval dat rechthebbende en bewindvoerder het niet eens worden over de wijze van beschikken over de onder bewind staande goederen, is in de ontstaansgeschiedenis van het wetsontwerp Onderbewindstelling meerderjarigen - indirect - aan de orde geweest. In dat wetsontwerp was voor de rechthebbende aanvankelijk in geen enkele mogelijkheid voorzien om zich voor machtiging tot de kantonrechter te wenden in het geval de bewindvoerder niet bereid is mee te werken aan een door de rechthebbende gewenste beschikkingshandeling (het huidige tweede lid van art. 1:438 BW).

Tijdens de parlementaire behandeling heeft de PvdA-fractie een dergelijke mogelijkheid bepleit. Hierop heeft de minister het volgende geantwoord(20):

"(...) Dat het wetsvoorstel (...) geen geschillenregeling als voormeld bevat, heeft de volgende reden. De onderbewindstelling houdt in dat de rechthebbende hulp nodig heeft. Hij is niet meer in staat zijn vermogen zelfstandig te beheren, hij moet worden beschermd tegen eigen onkunde. Die hulp wordt vervolgens geboden door een door de rechter aangestelde, met zorg en bij voorkeur uit de naaste familiekring uitgekozen bewindvoerder, aan wie de wet de verplichting oplegt de belangen van de betrokkene naar beste weten te behartigen; een verplichting voor de richtige nakoming waarvan de bewindvoerder zich periodiek en aan het einde van het bewind ten overstaan van de kantonrechter tegenover de rechthebbende of diens erfgenamen (artikel 445) moet verantwoorden, (...)

Een belangrijk punt dat niet uit het oog mag worden verloren, is dat het in dit wetsvoorstel in de eerste plaats om bescherming van de rechthebbende tegen eigen onkunde gaat, niet om bescherming tegen de bewindvoerder. (...) De animo voor (het) ambt (van bewindvoerder) zal niet vergroot worden door het vooruitzicht dat de bewindvoerder niet slechts geconfronteerd zal worden met genoemde controlemechanismen, maar ook nog met de mogelijkheid dat het beheer van het vermogen steeds wordt doorkruist door contraire wensen van de rechthebbende, die deze ook voor de rechter tot gelding kan brengen. Ook aan de kwaliteit van het beheer zou dat niet ten goede komen.

Op deze gronden meen ik ook thans nog dat het geen aanbeveling verdient om de rechthebbende over de hele linie bevoegdheid toe te kennen de kantonrechter te adiëren indien hij het niet eens is met het feit dat de bewindvoerder een bepaalde beheers- of beschikkingshandeling al dan niet wil verrichten. Maar wel ik acht het bij nader inzien bij wijze van tussenoplossing een regel (...) verdedigbaar, die (...) de rechthebbende de bevoegdheid zou geven om, zo de bewindvoerder weigert mede te werken aan een bepaalde door de rechthebbende gewenste beschikkingshandeling, machtiging van de kantonrechter voor het verrichten van die handeling te vragen. Het voordeel van deze regel is dat ook een grotere symmetrie wordt bereikt tussen de artikelen 438, lid 2, en 441, lid 2. De aanvulling is bij nota van wijziging aangebracht."

2.10 Uit het voorgaande valt m.i. af te leiden dat de wetgever bij de machtigingsverzoeken in art. 1:438 lid 2 BW en 1:441 lid 2 BW slechts een eenvoudige, beperkte geschillenregeling voor de rechthebbende en de bewindvoerder voor ogen heeft gestaan, voor het geval tussen hen verschil van mening bestaat omtrent de noodzaak tot het verrichten van bepaalde beschikkingshandelingen. Deze regeling gaat niet verder dan het bieden van de mogelijkheid dat de vereiste medewerking (van de bewindvoerder) of toestemming (van de rechthebbende) kan worden vervangen door een machtiging van de kantonrechter. Aangenomen dient dan ook te worden dat voor anderen dan de rechthebbende en de bewindvoeder op dit punt geen rol is weggelegd, zodat aan hen (in elk geval) niet het recht van hoger beroep toekomt. Opmerking verdient nog wel dat de regeling in art. 1:441 BW iets ruimer is dan die van art. 1:438 BW nu de bewindvoerder zich ook tot de kantonrechter kan wenden, indien de rechthebbende buiten staat is de benodigde toestemming te verlenen. M.i. doet dit niets aan het voorgaande af.

2.11 Daarbij komt nog het volgende. Tot 1 april 1995 was het procesrecht in zaken van onderbewindstelling geregeld in Titel 6B van Boek III Rv. (art. 894-899). In die artikelen werden alleen voorschriften gegeven met betrekking tot verzoeken tot het instellen of opheffen van het bewind. De kring van belanghebbenden die in dat verband in art. 894 (oud) Rv. werden genoemd, correspondeert met de kring van personen die een dergelijk verzoek kunnen indienen.

2.12 Met de invoering van de art. 798 e.v. Rv. per 1 april 1995 is Titel 6B komen te vervallen(21). Met deze nieuwe regeling heeft de wetgever beoogd de grote verscheidenheid aan bijzondere voorschriften die in personen- en familiezaken naast de art. 429a e.v. Rv. van toepassing waren, terug te brengen tot één regeling. Daarbij is gepoogd voor al dit soort zaken het begrip belanghebbende nader te begrenzen door in art. 798 lid 1 Rv. te bepalen dat als belanghebbende slechts wordt aangemerkt degene op wiens rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Aangezien dit criterium voor de kring van personen die ingevolge art. 1:432 BW gerechtigd zijn een verzoek tot curatele of onder bewindstelling in te dienen, te streng bleek en de wetgever deze kring van personen niet nader heeft willen beperken, is in art. 798 lid 2 Rv. de hier aan de orde zijnde uitbreiding van het begrip belanghebbende opgenomen. Uit de MvT kan worden afgeleid dat de personen genoemd in art. 798 lid 2 Rv. in ieder geval geen rechtstreeks belanghebbende zijn in de zin van het eerste lid(22).

2.13 Waar in de parlementaire geschiedenis in dit verband slechts wordt verwezen naar art. 1:432 BW dient het n.m.m, mede gezien de voordien geldende regeling in de art. 894-899 (oud) Rv., ervoor te worden gehouden dat de wetgever hierbij uitsluitend heeft gedacht aan verzoeken tot het instellen of opheffen van het bewind en dat hij zich niet ervan bewust is geweest dat deze nieuwe bepaling zich bij een letterlijke interpretatie (onbedoeld) ook zou kunnen uitstrekken tot machtigingsverzoeken op grond van art. 1:438 lid 2 en 1:441 lid 2 BW(23).

M.i. komt aan het door het Ministerie van Justitie uitgegeven schema waarin een niet limitatieve opsomming wordt gegeven van de rechtstreeks belanghebbenden per afzonderlijke procedure(24) geen zelfstandige betekenis toe. Weliswaar wordt in dit schema bij machtiging bewindvoerder (art. 1:441 BW) in de kolom belanghebbenden de kinderen van degene wiens goederen het betreft, genoemd, doch dit is m.i. het gevolg van het letterlijk toepassen van art. 798 lid 2 Rv. op art. 1:441 BW en niet meer dan dat.

2.14 De ten dienste staande middelen voor directe familieleden ingeval de bewindvoerder het beheer duidelijk verwaarloost, zijn door de minister onder ogen gezien. Deze zijn gelegen in de mogelijkheid van ontslag van de bewindvoerder (art. 1:448 BW) en aansprakelijkheid van de bewindvoerder op grond van art. 1:444 BW(25). Wat betreft het ontslag heeft de minister aangegeven dat, indien de rechthebbende niet bereid of bij machte is een verzoek tot ontslag in te dienen, de directe familieleden zich tot het openbaar ministerie kunnen wenden.

2.15 Onderdeel 1 treft derhalve doel. Dit betekent dat onderdeel 2 geen bespreking meer behoeft. Voor het geval de Hoge Raad omtrent onderdeel 1 anders mocht oordelen, merk ik ten aanzien van dit onderdeel het volgende op.

2.16 [Verweerder] zoekt in deze zaak verhaal voor de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand op de onder bewind gestelde goederen van zijn moeder. Als grondslag voor dit verhaal voert hij aan dat deze kosten verband houden met werkzaamheden die dienstbaar zijn geweest tot het behoud van deze goederen. Voor een aantal van deze werkzaamheden heeft de Stichting opdracht gegeven. Het overgrote deel van de werkzaamheden is echter verricht in opdracht van [verweerder], zodat de rechtsgrond voor vergoeding van de daarmee gemoeide kosten moet worden gezocht in bijvoorbeeld zaakwaarneming.

2.17 Met onderdeel 2 ben ik van mening dat [verweerder] hier meer als crediteur van een gepretendeerde vordering op het onder bewind gestelde vermogen optreedt dan in zijn hoedanigheid van zoon van rechthebbende. De hier gemaakte kosten zouden evengoed kunnen zijn gemaakt door een ander die zich de belangen van [verzoekster] had aangetrokken. Dit brengt mee dat niet kan worden gezegd dat [verweerder] in deze optreedt in zijn hoedanigheid van een naaste bloedverwant als genoemd in art. 798 lid 2 Rv. De aangewezen weg om een vordering geïnd te krijgen uit een onder bewind gesteld vermogen is deze vordering in te dienen bij de bewindvoerder en, mocht deze betaling weigeren, een (dagvaardings)procedure te starten(26). Onderdeel 2 treft eveneens doel.

2.18 De bestreden beschikking kan derhalve niet in stand blijven. Naar het mij voorkomt, kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn hoger beroep.

3. Conclusie

Deze strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn hoger beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Voluit: Stichting Centrale Administratie voor Voorzieningen op het gebied van de gezondheids- en welzijnszorg, Financiële Diensten en Zaakwaarnemingen.

2 Zie onder meer de beschikking van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 5 oktober 1999 en de beschikkingen van de rechtbank aldaar van 11 september 2000 en van 18 december 2000.

3 Zie het beroepschrift blz. 4 e.v.

4 Dit vonnis is overgelegd als productie 5 bij het beroepschrift van 13 juni 2000.

5 Productie 6 bij het beroepschrift van 13 juni 2000.

6 Zie hiervoor de producties 8-12 bij het beroepschrift van 13 juni 2000.

7 Productie 16.1 bij het beroepschrift van 13 juni 2000.

8 Uit het bepaalde in art. 1:441 lid 1 en 1:443 BW vloeit voort dat de bewindvoerder als formele procespartij moet worden beschouwd, zie Asser-de Boer, Personen- en familierecht 1998, blz. 858.

9 Het verzoekschrift tot cassatie is op maandag 19 februari 2001 ingekomen ter griffie van de Hoge Raad.

10 Zie in dit verband ook rov. 10.

11 Zie nr. 1.9 van het verzoekschrift tot cassatie.

12 Asser-de Boer, a.w., blz. 853 e.v.; Van Mourik/Nuytinck, Personen- en familierecht, Huwelijksvermogensrecht, 1998, blz. 235 e.v.; I. Jansen, Beschermingsbewind 1983, blz. 53 e.v..

13 Asser-de Boer, a.w., blz. 854-855; Van Mourik/Nuytinck, a.w., blz. 235-236; I. Jansen, a.w., blz. 53-54; Pitlo/Van der Burght/Rood-de Boer, Personen- en familierecht, 1998, blz. 615-617; A.G. Lubbers, Bewind in het NBW, 1983, blz. 6-8.

14 Art. 1:441 lid 2 BW is via art. 3.6.1.5 BW grotendeels aan artikel 1:345 ontleend, zie: Asser-de Boer, a.w., blz. 859.

15 Asser-de Boer, a.w., blz. 859; Pitlo, a.w., blz. 619; A.G. Lubbers, a.w., blz. 44-46; I. Jansen, a.w., blz. 69-70.

16 Asser-de Boer, a.w., blz. 719-720 en 859; Personen- en familierecht (I. Jansen), aant. 1 bij art. 1:345.

17 Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15 350, nrs. 1-3, blz. 24.

18 Vgl. ook de MvA tot het wetsvoorstel, nr. 5, blz. 21.

19 Terminologie van de wetgever, zie Kamerstukken II, 1991-1992, 22 487, nr. 3, blz. 6.

20 Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 350, nr. 5, blz. 2-3.

21 Wet van 7 juli 1994 tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht, Stb. 1994, 570; inwerkingtreding: KB van 14 oktober 1994, Stb. 1994, 774.

22 Kamerstukken II, 1991-1992, 22 487, nr. 3, blz. 2, 7-8.

23 Zie in dit verband de forse kritiek op art. 798 lid 2 Rv. in Burgerlijke Rechtsvordering, Doek, art. 798, aant. 4.

24 Opgenomen in Burgerlijke Rechtsvordering achter art. 798 aant. 5.

25 Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 350, nr. 5, blz. 10.

26 Zie in dit verband kantonrechter Eindhoven 2 juli 1985, NJ 1986, 395.