Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD4926

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2002
Datum publicatie
11-01-2002
Zaaknummer
C00/127HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD4926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 177, geldigheid: 2002-01-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 12
VR 2002, 158
JWB 2002/4

Conclusie

Rolnr. C00/127

Zitting 19 oktober 2001

Conclusie mr J. Spier inzake

Zürich Versicherungsgesellschaft h.o.d.n. Zürich Schade

(hierna: Zürich)

tegen

[Verweerster]

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de volgende, door de Rechtbank 's-Gravenhage in rov. 1 van haar vonnis vastgestelde, feiten worden uitgegaan. Ook het Hof is van die feiten uitgegaan (rov. 2).

1.2 Op 26 februari 1995 om ongeveer 1.00 uur 's nachts heeft in de gemeente Haarlemmermeer op de autosnelweg A205, vlak voor de ringvaartbrug, een aanrijding plaatsgevonden tussen twee naast elkaar, in oostelijke richting, rijdende auto's. Het regende op dat moment.

1.3 Eén van de auto's, een BMW bestuurd door [betrokkene A], was verzekerd bij Zürich. De andere auto, een Volkswagen Golf, werd bestuurd door [verweerster].

1.4 De BMW reed vlak voor de aanrijding op de linker rijstrook en was doende de Volkswagen die op de rechter rijstrook reed, in te halen.

1.5 Zürich heeft aan haar verzekerde de schade aan de BMW ten belope van ƒ 34.440,37 uitgekeerd.

2. Procesverloop

2.1 Zürich heeft in deze zaak gevorderd dat [verweerster] zal worden veroordeeld tot betaling van het onder 1.5 genoemde bedrag, vermeerderd met wettelijke rente, alsmede tot betaling van incassokosten en kosten van een door Zürich ingeschakelde deskundige.

2.2 Zürich heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de aanrijding is te wijten aan de schuld van [verweerster], die ploseling naar links uitweek terwijl zij werd ingehaald (dagvaarding onder 1). Volgens Zürich rust de bewijslast van de afwijkende lezing van [verweerster] op laatstgenoemde (onder 3/5).

2.3 [Verweerster] heeft als verweer aangevoerd dat de aanrijding te wijten was aan [betrokkene A], die plotseling op de door haar bereden rijstrook kwam.

2.4 De Rechtbank heeft Zürich bij vonnis van 15 oktober 1997 bewijs opgedragen van haar lezing van het ongeval. Zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"3.1 Zürich stelt, dat [verweerster] bij regen heeft gereden met drie gladde banden welke handeling zodanig gevaarzettend is dat daarmee het causaal verband tussen deze overtreding en het ongeval in beginsel is gegeven, zodat het aan [verweerster] is om tegenbewijs te leveren. De rechtbank verwerpt deze stelling. Voorafgaande aan de aanrijding reden beide partijen rechtuit op de snelweg zonder dat er een bijzondere aanleiding was om te remmen of een andere handeling uit te voeren die met gladden banden gevaarlijk kan zijn. Daaromtrent is in ieder geval niets gesteld. Onder die omstandigheden is het rijden met gladde banden niet zodanig gevaarzettend dat daarmee zonder meer het risico van verkeersongevallen in het algemeen wordt vergroot. Voorts is gesteld noch gebleken dat [verweerster] voorafgaand aan het ongeval in een slip is geraakt.

3.2 Nu Zürich haar vordering grondt op de stelling dat de aanrijding is te wijten aan de schuld van [verweerster], is het aan Zürich om de door haar gestelde toedracht van de aanrijding te bewijzen."

2.5.1 Zürich heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Haar grieven waren gericht tegen het oordeel van de Rechtbank dat Zürich de door haar gestelde toedracht van het ongeval dient te bewijzen. Zürich heeft aangevoerd dat [verweerster] tijdens regen over een nat wegdek heeft gereden terwijl drie van de vier banden van haar auto glad waren. Daarmee heeft zij een verkeers- dan wel veiligheidsnorm geschonden. Het wettelijk verbod op gladde banden beoogt immers de slipkans te verkleinen. Nu door het handelen van [verweerster] het gevaar voor verkeersongevallen, mede met het oog op de weersomstandigheden, is vergroot en het gevaar zich in de vorm van het ongeval heeft verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen de gewraakte gedraging en het ongeval in beginsel gegeven. [verweerster] draagt de bewijslast dat het ongeval haar niet te verwijten valt.

2.5.2 Volgens Zürich behoeft zij zich niet te begeven in "allerlei theoretische bespiegelingen (...) omtrent een mogelijke aanleiding van het slippen".(1) Immers heeft [verweerster] door haar wijze van rijden de kans op verkeersongevallen vergroot en daarom rust de bewijslast op haar.

2.6 Het Hof heeft in zijn arrest van 15 december 1999 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het Hof heeft overwogen dat Zürich aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat [verweerster] plotseling naar links kwam terwijl zij werd ingehaald. Volgens het Hof rust de bewijslast van deze stelling ingevolge artikel 177 Rv. op Zürich. Het Hof vervolgt dan dat [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld door met gladde banden te rijden. Zij heeft daarmee een wettelijk verbod geschonden dat is gegeven ter voorkoming van verkeersongevallen als gevolg van slippen.

2.7 Vervolgens overweegt het Hof:

"5.4 Met name indien zou vaststaan, c.q. voldoende aannemelijk zou zijn, dat dát gevaar - slipgevaar - zich in casu heeft verwezenlijkt en tot het plaatsvinden van het onderhavige ongeval heeft geleid, zou, met Zürich, gezegd kunnen worden dat het causaal verband tussen de gedraging - het met gladde banden rijden - en het ongeval in beginsel gegeven is, behoudens bewijs van het tegendeel. Echter, dat het gevaar van slippen zich in dit geval heeft verwezenlijkt en dat [verweerster] dáárdoor plotseling naar links kwam terwijl zij werd ingehaald, is niet door Zürich gesteld - zij uit slechts niet nader gefundeerde suggesties op dat punt - noch gebleken of aannemelijk geworden. Terecht merkt de rechtbank op dat beide bestuurders tevoren rechtuit op de snelweg reden en dat er niets gesteld is omtrent een bijzondere aanleiding om te remmen of een andere handeling uit te voeren die met gladde banden gevaarlijk kan zijn."

2.8 Zürich heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. [Verweerster] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. Vervolgens is nog van re- en dupliek gediend.(2)

3. Bespreking van de cassatiemiddelen

3.1 Het eerste middel klaagt er, mede gelet op een in de cassatiedagvaarding opgenomen toelichting, over dat volgens het Hof de bewijslast van de stelling van Zürich dat de aanrijding daaraan is te wijten dat [verweerster] plotseling naar links kwam terwijl zij werd ingehaald, op Zürich rust. Zürich voert daartoe aan dat het rijden tijdens regen met een auto met gladde banden over een nat wegdek een onrechtmatige gedraging is waardoor in het algemeen het gevaar voor verkeersongevallen wordt vergroot. Indien dit gevaar zich vervolgens verwezenlijkt, is daamee het causaal verband tussen de gedraging en het ongeval in beginsel gegeven. De overtreder dient in dat geval te stellen en te bewijzen dat het ongeval ook zonder dat verkeersgedrag zou zijn voorgevallen, aldus Zürich.(3)

3.2 Het middel faalt omdat het Hof is uitgegaan van de door het middel gepropageerde bewijslastregel, inhoudend dat deze eerst geldt als (ten minste is gesteld of gebleken dat) het gevaar (in casu: het met gladde banden rijden tijdens regenachtig weer) zich heeft verwezenlijkt.(4) Volgens het Hof staat immers niet vast dat [verweerster] - kort gezegd - is geslipt, terwijl Zürich tekort is geschoten in haar stelplicht. Anders gezegd: het Hof heeft, anders dan het middel veronderstelt, niet aangenomen dat het door Zürich genoemde gevaar zich heeft verwezenlijkt.(5)

3.3 Het tweede middel voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Het voert aan dat het Hof zich onder de "navolgende zowel op zichzelf als in onderlinge samenhang te beschouwen redenen" ten onrechte tot zijn bewijsregel heeft bekeerd. Op welke redenen wordt gedoeld is evenwel onduidelijk.(6)

3.4 Het derde middel klaagt over de overweging van het Hof dat Zürich niet (voldoende gemotiveerd) heeft gesteld dat het gevaar van slippen zich in dit geval heeft verwezenlijkt en dat [verweerster] daardoor plotseling naar links kwam. In de toelichting wordt beroep gedaan op grief 2 waarin "allerlei mogelijke aanleidingen van het slippen zijn genoemd, waarmee dus wel degelijk is aangegeven dat [verweerster] door slippen naar links is gekomen".

3.5 Het middel wordt tevergeefs voorgedragen. Zoals hierboven onder 2.5.2 reeds werd vermeld, heeft Zürich te berde gebracht dat zij zich niet behoeft te begeven in allerhande theoretische bespiegelingen omtrent een mogelijke aanleiding van het slippen. Het Hof heeft deze uiteenzetting kennelijk aldus begrepen dat Zürich tot uitdrukking bracht niet te weten wat er is gebeurd. Zulks berust op een uitleg van de gedingstukken. Deze uitleg is niet onbegrijpelijk en onttrekt zich voor het overige aan toetsing in cassatie.

3.6 Middel 4 voegt niets wezenlijks toe aan de eerdere klachten en is daarmee gedoemd hun lot te delen.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie voor het citaat mvg blz. 5.

2 De dupliek van mr Kist is abusievelijk aangeduid als repliek. In de s.t. van mr De Lange wordt onder 1 aandacht gevraagd voor een niet gevoerd verweer dat, indien gevoerd, inderdaad zou falen.

3 De zogenaamde omkeringsregel (HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524 JBMV rov. 3.6) waar Zürich - zij het gebaseerd op een m.i. onjuiste lezing van het bestreden arrest - haar kaarten op zet, is te vinden in een reeks van arresten waarvan ik slechts noem: HR 18 december 1992, NJ 1994, 91 EAAL; HR 26 januari 1996, NJ 1996, 607 WMK; HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524 JBMV; HR 2 maart 2001, RvdW 2001, 62. Vgl. verder HR 21 oktober 1994, NJ 1995, rov. 3.5; HR 24 december 1999, NJ 2000, 428 HJS. Deze arresten zijn in de doctrine gedeeltelijk met instemming begroet. Volgens sommigen is de lijn in de rechtspraak niet geheel duidelijk; ook inhoudelijk wordt de omkeringsregel bestreden; zie onder veel meer de noot van Vranken onder NJ 2001, 524 (wiens zeer forse kritiek m.i. bepaaldelijk te ver doorschiet) en de nog niet gepubliceerde VU-oratie van A.J. Akkermans. Om de in de tekst aangegeven reden behoef ik daar thans niet verder op in te gaan. Ik volsta ermee op te merken dat de aanvankelijk door Uw Raad geformuleerde algemene regel ook in mijn ogen te ver ging. Als ik het goed zie dan heeft de Hoge Raad inmiddels de scherpe kanten van zijn doctrine afgeslepen en wordt getracht (m.i. met veel succes) in concrete gevallen tot een redelijke oplossing te komen. Dat brengt noodgedwongen tijdelijk enige rechtsonzekerheid te weeg, maar dat is vermoedelijk onvermijdelijk.

4 Of, zegt het Hof in rov. 5.4, indien zulks voldoende aannemelijk zou zijn.

5 Vgl. HR 26 januari 2001, RvdW 2001, 41; HR 26 januari 1996, NJ 1996, 607 WMK rov. 3.5.1; HR 24 december 1999, NJ 2000, 428 HJS rov. 3.4.2; HR 19 januari 2001, NJ 2001, 524 JBMV rov. 3.6 en met name rov. 3.7.

6 Daargelaten of zulks mogelijk zou zijn geweest, in de s.t. wordt niet betoogd dat bij de vervaardiging van het middel iets is weggevallen of dat sprake is van een (kennelijke) verschrijving.