Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD4610

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-07-2002
Datum publicatie
09-07-2002
Zaaknummer
00378/01 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD4610
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 94a
Wetboek van Strafvordering 116
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 400
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00378/01/B

Mr Machielse

Parket, 25 september 2001

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Op 18 mei 1999 is [betrokkene 1] aangehouden. De auto waarin [betrokkene 1] reed, een Porsche Carrera met als kenteken [AA-AA-00] is in beslag genomen. [klager] heeft op 12 juli 1999 een klaagschrift tegen de inbeslagneming ingediend en verzocht het beslag op te heffen en de auto aan hem terug te doen geven. [Klager] stelt in het klaagschrift dat hij eigenaar van de auto is. Uit een aan het klaagschrift gehechte bijlage blijkt dat de verhoudingen wat ingewikkelder liggen. [Klager] heeft de auto weliswaar gekocht en betaald, maar heeft blijkens een op 24 augustus 1998 gedateerde lease-overeenkomst de Porsche verkocht en geleverd aan de Leasemaatschappij IDM B.V. en daarop onmiddellijk de auto weer van IDM geleasd, met recht van koop van de auto (zgn. sale en lease-back overeenkomst).

2. De officier van justitie heeft op 26 juli 1999 een vordering gedaan strekkende tot handhaving van het beslag als een conservatoir beslag tot bewaring van het recht tot verhaal voor een aan [betrokkene 1] op te leggen geldboete of een verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering omschrijft het misdrijf waarvan [betrokkene 1] wordt verdacht als volgt:

het organiseren van een illegale Lotto-organisatie, zijnde een kansspel, conform artikel 1 van de Wet op de Kansspelen in verband met artikel 1 Lid 1 van de Wet op de Economische Delicten, gepleegd in de periode van week 11 van het jaar 1992 tot en met 18 mei 1999.

De machtiging is door de rechter-commissaris verleend.

3. [Betrokkene 1] stelt zich op het standpunt dat de auto aan [klager] teruggegeven moet worden omdat hij de auto enkel van [klager] had geleend. IDM B.V. deelt dat standpunt. De officier van justitie heeft gesteld dat [betrokkene 1] heer en meester van de auto is en de auto (mede) heeft gefinancierd.

De Rechtbank Haarlem heeft op 20 januari 2000 het beklag gegrond verklaard en teruggave aan [klager] gelast.

4. De officier van justitie heeft cassatie ingesteld en een cassatieschriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.(1)

5. De Rechtbank heeft haar beschikking aldus gemotiveerd:

Op grond van de hiervoor genoemde overeenkomst d.d. 24 augustus 1999 dient ervan te worden uitgegaan dat, zoals [klager] terecht stelt, IDM de juridische eigenaar van de auto is. Er zijn geen aanwijzingen dat de overdracht door [klager] aan IDM niet geldig zou zijn. Dit brengt mee dat de auto niet kan dienen tot verhaal van eventueel aan [betrokkene 1] op te leggen betalingsverplichtingen.

De stelling van de officier van justitie dat aan (onder meer) afgeluisterde telefoongesprekken en het gegeven dat [klager] meerdere auto's op zijn naam heeft staan aanwijzingen vallen te ontlenen dat er in wezen sprake is van eigendom van [betrokkene 1] en in ieder geval van mede-eigendom doet aan het vorenstaande niet af. Immers, zowel ten aanzien van [klager] als ten aanzien van [betrokkene 1], kan hooguit sprake zijn van economische eigendom van de auto, derhalve niet van goederenrechtelijke aanspraken op de auto, maar van een samenstel van obligatoire rechten en verplichtingen. Dit brengt mee dat, ook indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van de officier van justitie, de auto zelf geen verhaalsobject is.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat, nu door de officier van justitie niet is gesteld dat nog sprake is van belang van strafvordering, de auto dient te worden teruggegeven. Thans dient te worden bepaald aan wie de auto dient te worden teruggegeven, welke vraag moet worden beantwoord aan de hand van het bepaalde in art 116 Sv.

[Betrokkene 1] heeft bij voorbaat aangekondigd in geval van teruggave aan [klager] geen gebruik te zullen maken van zijn bevoegdheid ex art. 116 lid 3. Nu [klager] op grond van de leaseovereenkomst de beschikking had over de auto en IDM heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen teruggave aan [klager] acht de rechtbank redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord de auto aan [klager] terug te geven.

6. Het bezwaar van de officier van justitie tegen de beschikking komt er op neer dat de Rechtbank een verkeerde maatstaf heeft aangelegd door enkel af te gaan op de formele juridische eigendomsverhoudingen en door het feit dat [betrokkene 1] in wezen eigenaar van de auto zou kunnen zijn irrelevant te achten.

7. In het onderhavig geval is op de voet van art. 94a Sv beslag gelegd onder de verdachte [betrokkene 1]. De derde/niet-beslagene die zich daartegen keert, is in zijn beklag ontvankelijk, indien hij stelt eigenaar te zijn van het inbeslaggenomen voorwerp. De rechter die over dit beklag heeft te oordelen, dient dan na te gaan of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel staat dat die derde/niet-beslagene als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Als buiten twijfel is dat de derde als eigenaar van het inbeslaggenomene moet worden aangemerkt, zal de rechter teruggave van het voorwerp aan deze moeten gelasten, ook indien overigens aan alle voorwaarden voor beslaglegging op de voet van art. 94aSv is voldaan.(2)

8. De Rechtbank heeft het bovenstaande naar mijn mening miskend. In de eerste plaats stelt de Rechtbank immers dat IDM B.V. (juridisch) eigenaar van de auto zou zijn. Strikt genomen zou dan de consequentie moeten zijn dat het beklag van een ander, [klager], van wie de Rechtbank heeft vastgesteld dat deze geen eigenaar is, ongegrond zou moeten worden verklaard.

Maar de Rechtbank heeft ook nog overwogen dat de stelling van de officier van justitie dat er in wezen sprake is van (mede)eigendom van [betrokkene 1] irrelevant zou zijn. En dáárom zou het belang van strafvordering zich niet verzetten tegen teruggave. Economische (mede)eigendom van [betrokkene 1] is volgens de Rechtbank onvoldoende grondslag voor een verhaal ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Maar als inderdaad [betrokkene 1] (mede)eigenaar van de Porsche zou zijn kan niet gezegd worden dat het belang van strafvordering zich niet meer zou verzetten tegen teruggave aan een ander. De auto zou dan immers kunnen dienen als verhaalsobjekt voor een aan [betrokkene 1] op te leggen verplichting tot betaling van een bedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het gaat te dezen naar mijn mening niet om geformaliseerde officiële eigendomsverhoudingen maar om de vraag wie een zodanige zeggenschap over en belang heeft bij het desbetreffende voorwerp dat zijn betrekking tot dat voorwerp in zoverre met die van een eigenaar gelijk kan worden gesteld. Het zou wat eigenaardig zijn als bij de uitleg van het "toebehoren" in art. 33a Sr wel een ruime opvatting zich zou kunnen vestigen,(3) als tegelijkertijd in ontnemingszaken aan een erg formeel eigendomsbegrip zou worden vastgehouden.(4) In ontnemingszaken moet ook door schijnconstructies worden heengekeken.(5) Dat de officier van justitie een bevoegdheid heeft tot het inroepen van de nietigheid van bepaalde verhaalsbelemmerende rechtshandelingen is in zoverre ontoereikend dat die nietigheid niet kan worden ingeroepen als niet de verdachte maar een handlanger/"rechthebbende" die handeling verricht na daartoe eerst door de verdachte in de positie te zijn gemanoeuvreerd.(6) De Rechtbank heeft door louter naar de geformaliseerde verhoudingen te kijken een te beperkte maatstaf aangelegd en bovendien door teruggave aan een derde te gelasten die wel had geklaagd maar volgens de Rechtbank geen eigenaar was de door de Hoge Raad aangegeven leidraad miskend.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Ik ga er van uit dat het cassatieberoep ontvankelijk is omdat de aanzegging aan het OM dat de stukken bij de Hoge Raad zijn gearriveerd inderdaad verkeerd was geadresseerd, zodat een te late inzending van de schriftuur niet aan de officier van justitie kan worden toegerekend.

2 HR NJ 1998,575.

3 DD 98.152; HR NJ 1999,803.

4 In de memorie van toelichting op wetsvoorstel 21 504 (Kamerstukken II, 1989-1990) gebruikt de minister ook het woord "toebehoren"; alleen voorwerpen die aan de verdachte toebehoren zijn voor verhaalsbeslag vatbaar (p. 3).

5 HR 16 december 1997, nr. 3666 B.

6 In zo een geval is er een dubbele schijnconstructie waarvan alleen de laatste bestreken zou kunnen worden door art. 94d