Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2002:AD4477

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
23-01-2002
Zaaknummer
03420/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2002:AD4477
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 36e, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafvordering 138b, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafvordering 365a, geldigheid: 2002-01-22
Wetboek van Strafvordering 511g, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2002, 39

Conclusie

Nr. 03420/00 P

Mr Fokkens

Zitting: 2 oktober 2001

Conclusie inzake:

[Betrokkene]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij beslissing van 6 april 2000 aan de veroordeelde de verplichting opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de Staat fl. 37.398,-- te betalen, subsidiair 160 dagen hechtenis.

2. Tegen deze uitspraak heeft de veroordeelde cassatieberoep doen instellen.

3. Namens de veroordeelde heeft mr G. Spong, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt erover dat het Hof in de aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv een nieuwe grondslag voor ontneming heeft opgenomen.

5. De aanvulling op de verkorte beslissing houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, in:

"In de verkorte beslissing van 6 april 2000 in bovengenoemde zaak, zijn als gevolg van een kennelijke misslag niet de volledige overwegingen vermeld, die aan de beslissing ten grondslag lagen.

Aangezien het hof het niet juist acht wijzigingen aan te brengen in een verkort arrest, herstelt het hof deze omissie

Het hof wijzigt hetgeen onder het kopje "De beoordeling", in de tweede alinea, pagina 8 is opgenomen, in die zin dat na de zinsnede "door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde" wordt toegevoegd "en soortgelijke feiten".

6. In de verkorte beslissing heeft het hof onder het kopje "De redengeving van de op te leggen maatregel" onder meer overwogen:

"Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de verweerder door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad en dat dit voordeel moet worden geschat op netto fl. 37.398,--."

7. Met "voormelde feiten" doelt het Hof gelet op de aanvulling van de overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, kennelijk op het in de strafzaak ten laste van de veroordeelde bewezenverklaarde misdrijf ("een gewoonte maken van het plegen van opzetheling" (1)) en soortgelijke feiten. Die uitleg wordt bevestigd in de berekening van het genoten voordeel.

8. De veroordeelde heeft volgens de bewezenverklaring Duitse Marken die afkomstig waren van de opzettelijke verkoop van hoeveelheden van meer dan 30 gram softdrugs omgewisseld in Nederlands geld. Uit optelling van de in de bewezenverklaring en in de bewijsmiddelen genoemde bedragen blijkt dat de veroordeelde in totaal DM 3.543.298,70 heeft gewisseld. De gebezigde bewijsmiddelen houden voorts in dat de veroordeelde per 10.000 Duitse Marken die hij omwisselde fl. 100,-- ontving. Dat betekent dat de veroordeelde aan het bewezenverklaard feit fl. 35.432,98 heeft verdiend.

9. Het Hof heeft de veroordeelde echter de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van fl. 37.398,--. Kennelijk is het Hof op grond van de inhoud van bewijsmiddel 23 tot de slotsom gekomen dat aannemelijk is dat de veroordeelde tengevolge van soortelijke feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr een wederrechtelijk verkregen voordeel van fl. 1.965,02 heeft genoten. Het Hof had met dit voordeel echter geen rekening mee mogen houden, aangezien het de rechter niet is toegestaan om in de aanvulling op het verkorte arrest een nieuwe grondslag voor ontneming op te nemen.(2)

10. Het middel klaagt daar terecht over.

11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Tegen het arrest van het hof in de strafzaak is eveneens cassatieberoep ingesteld. In die zaak, die het griffienummer 03241/00 draagt, zal ik heden eveneens concluderen.

2 Vgl. HR 30 mei 2000, NJ 2000, 475.