Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD3023

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
1316
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD3023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. J.W. ILSINK

ADVOCAAT-GENERAAL

NR. 1316

DERDE KAMER B

ONTEIGENING

CONCLUSIE VAN 23 MEI 2001 INZAKE:

[Eiser]

TEGEN

DE GEMEENTE ROTTERDAM

1. Feiten en procesverloop

1.1. Eiser tot cassatie [...] (hierna: [eiser]) is eigenaar van het perceel kadastraal bekend gemeente Rotterdam, sectie [...], nr. [...], ter grootte van 0.01.23 ha, plaatselijk bekend als [a-straat 1]. Dit perceel is bij besluit van de raad van de gemeente Rotterdam van 25 maart 1999, nr. 216, goedgekeurd bij KB van 17 september 1999, nr. 99.004248, Stcrt. 1999, nr. 200, op grond van art. 77, lid 1, sub 2, van de Onteigeningswet (hierna: Ow) ter onteigening aangewezen ten behoeve van de uitvoering van het bouwplan '[c-straat] ([b-straat]/[a-straat])'.

1.2. Bij beschikking van 24 februari 2000, rekestnummer 101/00 en zaaknummer 133628, heeft de arrondissementsrechtbank te Rotterdam (hierna: de Rechtbank) het verzoek van de Gemeente toegewezen om een rechter-commissaris en deskundigen te benoemen. Eveneens bij beschikking van 24 februari 2000 heeft de Rechtbank 12 april 2000 bepaald als datum waarop de opneming door deskundigen zal plaatsvinden en tevens het Rotterdams Dagblad aangewezen als het nieuwsblad waarin de griffier van de Rechtbank deze opneming zal aankondigen. In het dossier bevindt zich een proces-verbaal met een verslag van deze opneming door deskundigen.

1.3. Bij exploit van 12 mei 2000 heeft de Gemeente vervolgens [eiser] doen dagvaarden voor de Rechtbank en onder meer gevorderd te harer name vervroegd de onteigening uit te spreken van het onder 1.1. vermelde perceel.

1.4. [Eiser] heeft de vordering tot (vervroegde) onteigening onder andere bestreden met het verweer dat de Gemeente niet heeft voldaan aan haar verplichting ingevolge art. 17 Ow om te trachten het te onteigenen perceel bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen.

1.5. Bij vonnis van 9 november 2000, nr. 138400/HA ZA 00-1159, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op ƒ 33.825. Dit bedrag is gelijk aan het door de Gemeente aangeboden bedrag.

1.6. Tegen dit vonnis heeft [eiser] tijdig en op de juiste wijze beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van één middel, bestaande uit drie onderdelen. Ter zitting van 31 januari 2001 heeft de Gemeente geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten ter zitting van 21 februari 2001 schriftelijk doen toelichten. Op 7 maart 2001 heeft [eiser] een conclusie van repliek ingediend. Op dezelfde dag heeft de Gemeente gedupliceerd.

2. Het oordeel van de Rechtbank

De Rechtbank is in rov. 2.6.3 ervan uitgegaan dat moet komen vast te staan dat de Gemeente getracht heeft hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen en dat zij daarbij niet te werk is gegaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is. Vervolgens heeft de Rechtbank geoordeeld:

Uit de door de gemeente in het geding gebrachte stukken blijkt dat de gemeente in de periode van februari 1989 tot en met januari 2000 een zestal gemotiveerde uitnodigingen aan [eiser] heeft gedaan tot minnelijke verwerving van het te onteigenen perceel, die niet tot overeenstemming hebben geleid. De gemeente heeft bij brief van 20 januari 2000 een laatste aanbod gedaan tot minnelijke verwerving tegen een koopsom van ƒ 35.000,=. Dat bod is door [eiser] niet geaccepteerd, omdat dat aanbod volgens hem niet marktconform was.

De rechtbank is van oordeel dat het laatstvermelde bod van de gemeente - waarbij de gemeente, blijkens de toelichting aan deskundigen, kennelijk is uitgegaan van een gemitigeerde grondwaarde van ƒ 275,= per m2 x 123 = ƒ 33.825,= - niet op voorhand als kennelijk onwerkelijk en onredelijk kan worden aangemerkt, terwijl de opvattingen van partijen omtrent dit bod dermate uiteenliepen dat op die basis voortonderhandelen in redelijkheid niet van de gemeente behoefde te worden verlangd. Overigens volgt ook uit de stellingen van [eiser] zelf dat voortonderhandelen over minnelijke verwerving door de gemeente van het perceel geen zin zou hebben gehad. Het laatste bod van de gemeente voldoet aldus aan de norm van artikel 17 Ow.

3. Het middel

Het middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat te dezen aan het bepaalde in art. 17 Ow is voldaan.

4. Bespreking van het middel

4.1. Laat ik vooropstellen dat ik niet zie welk rechtens te respecteren belang [eiser] nu eigenlijk heeft bij de onderhavige cassatieprocedure waarin hij nog slechts klaagt over verkeerde en onbegrijpelijke toepassing van art. 17 Ow. Uit de stukken blijkt immers dat hij zijn perceel best wil verkopen. Hij is het alleen niet eens met de prijs die de Gemeente hem daarvoor wil betalen. Dat laatste is echter thans niet relevant nu art. 40 Ow hem een volledige schadeloosstelling garandeert.

4.2. Kom ik thans tot een inhoudelijke beoordeling van het middel. De Rechtbank is met haar onder 2 hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen in het voetspoor getreden van HR 8 april 1998, NJ 1999, 24 ([eiser]/Rotterdam), en dan kan het eigenlijk al niet meer mis gaan. De Hoge Raad overwoog:

3.5. Artikel 17 [Ow] schrijft de onteigenende partij gebiedend voor te trachten hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Daarbij dient die partij niet te werk te gaan alsof dit voorschrift een te verwaarlozen formaliteit is, in welk geval immers te kort zou worden gedaan aan de strekking van het artikel dat is gericht op het zo mogelijk vermijden van een rechtsgeding. Voorts vereist artikel 17 (…...) dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het besluit tot onteigening (…...) en het uitbrengen van de dagvaarding (…...). Hierbij verdient opmerking dat tekst, geschiedenis noch voormelde strekking van artikel 17 zich ertegen verzet dat bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan het voorschrift van artikel 17 heeft voldaan, mede acht wordt geslagen op hetgeen met betrekking tot de verkrijging in der minne zich voorafgaand aan het definitief worden van het besluit tot onteigening tussen partijen heeft afgespeeld. Immers, uit dat een en ander kan blijken dat hetgeen na het definitief worden van het besluit tot onteigening door de onteigenende partij is ondernomen heeft te gelden als een poging die beantwoordt aan voormelde strekking van artikel en niet louter als een ingevolge de wet te vervullen formaliteit.

3.8. (…...) Door te oordelen dat het door de Gemeente (...…) gedane aanbod niet op voorhand als kennelijk onwerkelijk en onredelijk kan worden aangemerkt, heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat niet sprake is van een bod van dien aard dat moet worden aangenomen dat de Gemeente in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding te werk is gegaan als ware het voorschrift van artikel 17 een vrijwel te verwaarlozen formaliteit, hetgeen zoals hiervoor in 3.5 is overwogen in strijd zou zijn met de strekking van dat artikel om zo mogelijk een geding te vermijden. (...…)

4.3. De klacht in middelonderdeel a dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft aangelegd door slechts beoordelen of het laatste bod van de Gemeente op voorhand als kennelijk onwerkelijk en onredelijk kan worden aangemerkt, faalt aangezien die maatstaf niet onjuist is nu, in de woorden van NJ 1999, 24:

de Rechtbank [aldus] tot uitdrukking [heeft] gebracht dat niet sprake is van een bod van dien aard dat moet worden aangenomen dat de Gemeente in de periode tussen het definitief worden van het onteigeningsbesluit en het uitbrengen van de dagvaarding te werk is gegaan als ware het voorschrift van artikel 17 een vrijwel te verwaarlozen formaliteit

4.4. Middelonderdeel b komt met een motiveringsklacht op tegen het oordeel van de Rechtbank dat het laatste aanbod van de gemeente niet op voorhand als kennelijk onwerkelijk en onredelijk kon worden beschouwd. Ik stel voorop dat aan een dergelijk oordeel naar zijn aard en anders dan het onderdeel wil geen al te hoge motiveringseisen mogen worden gesteld. Nu de Rechtbank heeft overwogen dat het aanbod van de gemeente gebaseerd was op een gemitigeerde grondprijs van ƒ 275 per m2, meen ik dat haar oordeel voldoende is onderbouwd. Mitsdien faalt het middelonderdeel.

4.5. Middelonderdeel c voldoet niet aan de eisen die art. 407 Rv stelt. Uit het onderdeel is onvoldoende kenbaar waarover in cassatie de strijd gaat; vgl. Veegens blz. 253. Geklaagd wordt over het ongemotiveerd passeren van een bewijsaanbod zonder dat blijkt over welk aanbod het gaat. De verwijzing naar punt 22 van de pleitnota van mr. Henket in de eerste aanleg is onbegrijpelijk nu dat punt geen bewijsaanbod bevat, terwijl de pleitnota in de punten 67, 85 en 123 en in onderdeel XIX zelfs vier bewijsaanbiedingen kent en niet zonder meer duidelijk is welke van de vier nu wordt bedoeld. Uit de schriftelijke toelichting van mr. Van den Berg blijkt weliswaar dat [eiser] het bewijsaanbod van punt 67 voor ogen had, maar nu geen sprake is van een kennelijke verschrijving, kan het gebrekkige middelonderdeel niet worden geheeld.

4.6. Ook als dat laatste anders mocht zijn, faalt het middelonderdeel nu het in meergenoemd punt 67 vervatte bewijsaanbod in algemene termen is gesteld en niet is gespecificeerd en de Rechtbank daaraan dus stilzwijgend voorbij mocht gaan zonder in haar motiveringsplicht te kort te schieten.

4.7. Het komt mij voor dat art. 17 Ow in populariteit toeneemt. Het voorschrift wordt de laatste tijd steeds vaker in stelling gebracht en eigenlijk altijd tevergeefs. Bij voorgaande gelegenheden deed ik dan ook vrijwel steeds het - doorgaans gevolgde - voorstel de klachten over schending van art. 17 Ow op de voet van art. 101a RO te verwerpen.

4.8. Intussen rijst de vraag waarom een onteigende partij heil ziet in een art. 17-verweer. Onteigenende partijen zullen eigenlijk altijd wel aan het voorschrift voldoen, eenvoudig omdat zij belang erbij hebben een onteigeningsprocedure te vermijden. Zo'n procedure kost immers veel tijd en - niet te vergeten - ook veel geld nu de onteigenende partij in beginsel opdraait voor alle kosten: die van haarzelf, die van deskundigen en die van de wederpartij. Art. 17 zal dus doorgaans wel worden nageleefd, zeker nu bij de beoordeling of aan het voorschrift is voldaan, mag worden gelet op hetgeen in het voortraject aan minnelijke verkrijgingspogingen is ondernomen.

4.9. Soms zal het om een chicaneus verweer gaan, maar toch niet altijd. Ik denk dat het probleem wel eens zou kunnen zitten in de eis die mijn ambtgenoot Moltmaker in onderdeel 3.6, onder b, van zijn conclusie voor HR 4 mei 1994, NJ 1996, 4, heeft geformuleerd in een poging art. 17 Ow wat meer handen en voeten te geven, te weten dat er sprake moet zijn van serieuze onderhandelingen. Het lijkt erop dat dit vage begrip te veel een eigen leven is gaan leiden. Niemand weet natuurlijk precies wanneer onderhandelingen voldoende serieus zijn; een ieder zal daarover zo zijn eigen gedachten hebben en dat blijkt dan ook wel. Terwijl het toch zo eenvoudig is gewoon de in HR NJ 1999, 24 gewezen weg te volgen:

· ter beoordeling van de vraag of aan art. 17 Ow is voldaan, mag mede acht worden geslagen op hetgeen in het voortraject is gebeurd; en

· de rechtbank behoeft slechts te toetsen of het laatste in het kader van de minnelijke verkrijging gedane aanbod niet op voorhand als kennelijk onwerkelijk en onredelijk kan worden aangemerkt.

4.10. Wellicht verdient het aanbeveling het beroep niet - ofschoon dat best kan - op de voet van art. 101a RO te verwerpen, maar de criteria van NJ 1999, 24, nog eens onder de aandacht te brengen. Misschien kan aldus de instroom van kansloze cassatieberoepen enigszins worden ingedamd.

5. Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G