Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD3019

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
16-11-2001
Datum publicatie
26-11-2001
Zaaknummer
1320
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD3019
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 15
RvdW 2001, 185
BR 2003/213 met annotatie van J.G. de Vries Robbé
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 1320

mr Groeneveld

Derde Kamer B

Onteigening

Zitting, 30 mei 2001

Conclusie inzake:

Staat

tegen

mr. Th.A.J. Verster q.q.

([de eigenaar])

Edelhoogachtbaar College,

1.Feiten, geschil en Hofuitspraak

1.1 Deze zaak gaat over de hoogte van de aan gedaagde toe te kennen schadevergoeding wegens onteigening ten behoeve van de aanleg van de Hogesnelheidslijn-Zuid en de verbreding en verlegging van Rijksweg 16.

1.2 Als eigenaar is de heer [de eigenaar] aangewezen. Deze is op 16 maart 1996 overleden. Gedaagde is benoemd tot derde in de zin van art. 20 Onteigeningswet.

1.3 Bij vonnis van 15 februari 2000 heeft de arrondissementsrechtbank te Breda vervroegd de onteigening uitgesproken van 4 a en 25 ca van het perceel met huis, tuin en garage, ter grootte van 6 a en 6 ca, kadastraal bekend gemeente [...], sectie D nummer 1576, grondplannummer 1315. Op 31 oktober 2000 heeft de Rechtbank eindvonnis gewezen en de schadeloosstelling daarin bepaald op ƒ 508.900,-. In dit bedrag is een bedrag ad ƒ 25.000 begrepen wegens waardedaling van het deel van het perceel dat niet onteigend is.

1.4 In cassatie is nog slechts in geschil de juistheid van het oordeel van de Rechtbank over het bijkomend aanbod tot overname van het gedeelte van het voormelde perceel dat niet onteigend is (1 a en 81 ca grond en garage). De Staat heeft een bod gedaan van ƒ 27.500. Deskundigen hebben de waarde van het gedeelte als onderdeel van het gehele perceel op ƒ 55.000 geschat. Indien het overblijvende gedeelte niet door de Staat wordt overgenomen, schatten zij de waarde na onteigening op ƒ 30.000.

2 Geschil in cassatie

2.1 De Staat komt tegen het vonnis van de Rechtbank op met één middel, dat uiteenvalt in drie onderdelen.

2.2 Het eerste onderdeel bestrijdt het oordeel in r.o. 2.5 waarin de Rechtbank vooropstelt:

"(...) dat het oordeel van de door de rechtbank benoemde deskundigen dient te worden gevolgd, tenzij blijkt dat deze deskundigen in redelijkheid niet tot dit oordeel hebben kunnen komen."

2.3 Het tweede onderdeel klaagt erover dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken of het door de Staat gedane aanbod redelijk en passend was, in welk geval geen schadeloosstelling ter zake van de waardevermindering van het niet onteigende deel van het perceel behoorde te worden bepaald.

2.4 Het derde onderdeel strekt ten betoge dat in zaken als de onderhavige tenminste de eis wordt gesteld dat de Rechtbank tot een duidelijke (cijfermatige) opstelling van de schadeloosstelling komt.

3 Onderdeel 1: zelfstandig onderzoek naar de schadeloosstelling

3.1 De benoeming van deskundigen ontslaat de rechter niet van zijn plicht zelfstandig onderzoek te doen, in de zaak te beslissen en zijn beslissing te motiveren. Zo overwoog U in uw arrest van 9 november 1994 met conclusie A-G Loeb, NJ 1996, 175, (r.o. 3.5):

"In onteigeningszaken moet de rechtbank naar de aan de onteigende (...) toekomende schadeloosstelling zelfstandig onderzoek doen en op grond daarvan uitspraak doen omtrent de schadeloosstelling. Zij is niet gebonden aan het advies van de door haar benoemde deskundigen."

3.2 Daarmee verdraagt zich niet de onder 2.2 geciteerde overweging van de Rechtbank dat het deskundigenoordeel moet worden gevolgd, tenzij blijkt dat deze deskundigen in redelijkheid niet tot dit oordeel hebben kunnen komen. Die overweging miskent immers enerzijds de vrijheid van de rechter, tenzij de wet anders bepaalt, in zijn keuze en waardering van de bewijsmiddelen (art. 179 Rv), en anderzijds de taak van de rechter om zelfstandig onderzoek te doen. Die taak brengt met zich mee dat, waar de rechter zijn oordeel stoelt op een deskundigenrapport, hij dat rapport op het desbetreffende punt integraal moet toetsen. Indien het uitgangspunt van de Rechtbank wordt gevolgd, wordt - de marginale toetsing van het deskundigenoordeel daargelaten - de materiële beslissing voor wat betreft de schadeloosstelling ten onrechte aan de deskundigen gelaten. Het moet dus worden onderzocht of de Rechtbank zich in navolging van dit uitgangspunt beperkt heeft tot een marginale toetsing, of, zoals zij had behoren te doen, zich zelfstandig een oordeel heeft gevormd. Het gaat er daarbij niet om of de rechter zich los van het deskundigenoordeel een oordeel heeft gevormd. Zijn oordeel omtrent waarderingen kan zeer wel (volledig) gebaseerd zijn op het deskundigenrapport (en hij zal in dat geval, mits het rapport op zichzelf begrijpelijk is, met een summiere motivering kunnen volstaan(1)). Het spreekt vanzelf dat de rechter zijn oordeel niet snel zal plaatsen boven dat van de door hem benoemde deskundigen, die immers worden benoemd op grond van hun deskundigheid. De rechter zal zich dan ook vaak beperken tot het beoordelen van de juistheid van de door de deskundige tot uitgangspunt genomen gegevens, de innerlijke consistentie van het rapport en de aanvaardbaarheid van het verband tussen de overwegingen en de daaruit getrokken conclusies. Uiteindelijk is voor de rechter, gesteld voor de vraag of hij zijn oordeel kan stoelen op de bevindingen van een deskundige, maatgevend of hij is overtuigd geraakt van de juistheid daarvan.

3.3 Uit de overwegingen van het vonnis leid ik af dat de Rechtbank zich bij de toetsing van het deskundigenrapport op het punt van de geschatte waarden niet heeft beperkt tot een marginale toetsing conform het door haar geformuleerde uitgangspunt. Zo merkt de Rechtbank in r.o. 2.6 op dat de deskundigen terecht de verwijzing van de Staat naar de vergelijkingstransacties niet hebben overgenomen, hetgeen een conclusie inhoudt die slechts na integrale toetsing kan worden getrokken. Dat laat onverlet dat de integrale toetsing tot een aantal punten beperkt kan zijn, en dat op het punt waar het hier om gaat, de waardevermindering van het overblijvende gedeelte, die toetsing niet heeft plaatsgevonden. Dat de Rechtbank ook de overige waarderingen van de deskundigen integraal heeft getoetst zou kunnen worden afgeleid uit r.o. 2.8, waarin de Rechtbank overweegt:

"Nu overigens niet gesteld of gebleken is dat de deskundigen bij de bepaling van de waarden van het object onjuiste maatstaven hebben aangelegd, c.q. deze onjuist hebben toegepast, zal de rechtbank het oordeel van de deskundigen op dit punt overnemen."

Niettemin blijft de mogelijkheid open dat deze overweging het slotstuk is van een marginale toetsing.

3.4 Nu de Rechtbank is uitgegaan van het onjuiste uitgangspunt dat het deskundigenoordeel moet worden gevolgd, tenzij blijkt dat de deskundigen in redelijkheid niet tot dit oordeel hebben kunnen komen, en onvoldoende grond bestaat om aan te nemen dat de Rechtbank van dit uitgangspunt is afgeweken bij de bepaling van de waardevermindering van het overblijvende gedeelte, kan het vonnis niet in stand blijven.

4 Onderdeel 2: het aanbod van de Staat

4.1 De Staat heeft aangeboden het niet onteigende deel van het perceel over te nemen tegen een bedrag van ƒ 27.500,-. In het deskundigenrapport(2) wordt opgemerkt dat gedaagde het bijkomend aanbod tot overname van het overblijvende heeft aanvaard, maar niet heeft ingestemd met de door de Staat aangeboden vergoeding. In de Nota voor deskundigen(3) merkt de Staat op dat hij aan de hand van het deskundigenadvies zal kunnen berichten of en in hoeverre het bijkomend aanbod dient te worden aangepast.

4.2 Ter zitting heeft de Staat gesteld zijn bijkomend aanbod tot overname van het niet onteigende gedeelte ook gestand te doen indien de Rechtbank de door de deskundigen geschatte waarde zou volgen. In dat geval zou mr. Verster volgens de Staat, omdat het aanbod alsdan als redelijk en passend zou moeten worden aangemerkt, geen aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor de waardevermindering van het niet onteigende gedeelte, ongeacht of hij het aanbod zou aanvaarden. Uit dat betoog maak ik op dat het aanbod voorwaardelijk is verhoogd tot het door de deskundigen genoemde bedrag van ƒ 55.000.

4.3 Mr. Verster heeft ter zitting kenbaar gemaakt het aanbod te verwerpen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat mr. Verster desalniettemin aanspraak maakt op de vergoeding. De Rechtbank overwoog:(4)

"Het standpunt van de Staat leidt hiertoe dat mr. Verster in geval van niet aanvaarding van het bijkomend aanbod zijn aanspraak op vergoeding van de schade wegens waardevermindering van het overblijvende verliest, terwijl die schade volgens deskundigen wel geleden wordt."

4.4 In de toelichting op het middel voert de Staat aan dat het verlies van de aanspraak op schadevergoeding voortvloeit uit de keuze om de schade niet te beperken door het aanbod te aanvaarden.

4.5 Inderdaad moet onder bepaalde omstandigheden rekening gehouden worden met een schadevoorkomend of -beperkend aanbod. Indien de onteigenaar een redelijk aanbod doet dat geschikt is om schade te voorkomen of te beperken, dan zal de rechter de schadeloosstelling in zoverre moeten beperken en de onteigenaar moeten gelasten zijn aanbod gestand te doen (vgl. HR 17 februari 1954, NJ 1954, 212 en HR 17 oktober 1956, NJ 1956, 667).(5)

4.6 Van schadevoorkomende of -beperkende maatregelen is sprake indien, zoals Polak in punt 3 van zijn noot onder het arrest HR 27 oktober 1965, NJ 1966/382 over bijkomende aanbiedingen schrijft, de onteigenaar aanbiedt:

"(...) naast de betaling van de schadeloosstelling in geld, bepaalde verplichtingen op zich te nemen. Deze verplichtingen kunnen van verschillende aard zijn. De onteigenaar kan aanbieden, bepaalde werken te maken, waardoor wordt voorkomen, dat de aan de onteigende overblijvende panden door de onteigening hun uitweg naar een rijksweg en de mogelijkheid van waterafvoer naar die weg zouden verliezen (HR 9 jan. 1924 NJ 1924 blz. 301), hij kan aanbieden overwegen met bepaling, dat die rechten van overweg als erfdienstbaarheden zullen worden gevestigd ten laste van de te onteigenen percelen en ten behoeve van de overblijvende gedeelten dier percelen (HR 9 dec. 1925 NJ 1926 blz. 86), hij kan een vervangend terrein in langdurige pacht aanbieden, waarop de onteigende zijn bedrijf zal kunnen voortzetten (HR 17 febr. 1954 NJ 1954 no. 212), hij kan aanbieden, de onteigende in de gelegenheid te stellen het onteigende tegen een bepaalde huurprijs gedurende een bepaalde tijd van hem te huren (HR 8 mei 1916 NJ 1916 blz. 791).

De Hoge Raad heeft deze bijkomende aanbiedingen geoorloofd geacht, indien zij strekken om schade, die anders het gevolg der onteigening zou zijn, te voorkomen, derhalve indien zij ten doel hebben om die schade niet te doen ontstaan.

Deze aanbiedingen kunnen ook na de dagvaarding in de loop van het geding worden gedaan (HR 9 jan. 1924). Indien de rechter van oordeel is, dat de aanbieding inderdaad schade voorkomt, - later ook uitgebreid tot schade beperkt, - moet hij bij eindvonnis de ter zake verlangde schadevergoeding afwijzen, doch tevens gelasten, dat de onteigenaar zijn aanbieding nog gedurende een bepaalde tijd na het in kracht van gewijsde gaan van die uitspraak gestand zal doen (HR 17 febr. 1954; HR 17 okt. 1956 NJ 1956 no. 667).

(...)

Zodanige aanbiedingen betreffen niet de schadeloosstelling maar vormen een maatregel ter voorkoming of beperking van meerdere schade (HR 30 nov. 1917 NJ 1918 blz. 31). (...)

Indien de rechter heeft gelast, dat de onteigenaar zijn aanbod na de onteigening gestand zal doen, kan de onteigende nakoming daarvan vorderen (HR 9 dec. 1925). (...)."

Recentere voorbeelden van schadebeperkende maatregelen uit de jurisprudentie kunnen worden gevonden in HR 22 juli 1992, NJ 1993, 556 (het voorkomen van stagnatieschade bij voortgezet gebruik) en HR 4 januari 1984, NJ 1985, 48 (voorkoming van waardevermindering van het overblijvende door het aanbieden van vervangende grond).

4.7 In casu bestaat de hier nog van belang zijnde schade uit de waardedaling van het overblijvende gedeelte. Met deze schade dient ingevolge art. 41 Onteigeningswet rekening te worden gehouden bij het bepalen van de schadeloosstelling. De Staat betoogt dat de onteigende zijn aanspraak op vergoeding van deze schade verliest door het in 4.2 beschreven aanbod van de Staat tot overname van het niet onteigende gedeelte te weigeren.(6) Ik zie in beginsel geen reden om dit gevolg aan de weigering van mr. Verster te verbinden, aangezien het aanbod van de Staat slechts strekt tot vergoeding in geld, en zich in feite van een 'normale' schadeloosstelling slechts onderscheidt door twee bijkomende elementen, nl. de verhoging van de schadeloosstelling met de resterende waarde van het overblijvende gedeelte in ruil voor overdracht van dat gedeelte. Desalniettemin moet worden toegegeven dat door de overdracht van het overblijvende gedeelte aan de Staat tegen de waarde die het, als deel van het gehele perceel, voorafgaande aan de onteigening had, de schade bestaande uit de waardevermindering wordt voorkomen. Het aanbod van de Staat kan dan ook als een schadevoorkomend aanbod worden aangemerkt. U vergelijke uw arrest van 9 mei 1963, nr. 698(7), waarin u overwoog dat het aanbod van de Staat om het overblijvende gedeelte over te nemen strekte tot volledige voorkoming van de schade bestaande uit de waardevermindering van dat gedeelte, zodat geen recht bestond op vergoeding daarvan. In dat arrest stond echter vast dat de onteigende partij dat overblijvende gedeelte binnenkort zou moeten afstaan in het kader van een onteigening. In de onderhavige zaak betreft het een aanbod tot overname van het na onteigening overblijvende gedeelte waarvoor geen titel tot onteigening bestaat. In zo'n geval is naar mijn mening geen sprake van een redelijk aanbod dat vermindering van de schadeloosstelling ter zake van de waardevermindering van dat overblijvende gedeelte rechtvaardigt. Indien met het bod rekening zou worden gehouden bij de berekening van de door de rechter toe te kennen schadeloosstelling zou dit immers neerkomen op een verkapte - en daarmee, bij gebreke van een geldige titel tot onteigening - oneigenlijke onteigening van het overblijvende gedeelte. De eigenaar wordt door de dreiging van verlies van zijn schadeloosstelling ter zake van de waardedaling van het overblijvende gedeelte, gedwongen om in te gaan op het aanbod om het na onteigening overblijvende deel van zijn eigendom te vervreemden. Dat nu kan niet worden aanvaard aangezien de waarborgen van de onteigeningsprocedure, waaronder de voorwaarde dat onteigening slechts plaatsvindt indien het publieke belang dat vordert, op deze wijze zouden worden ontlopen.

4.8 Indien de Rechtbank met haar oordeel in r.o. 2.14 tot uitdrukking heeft willen brengen dat bij de toekenning van schadeloosstelling elk schadevoorkomend of -beperkend aanbod dat niet wordt aanvaard, buiten beschouwing moet blijven, gaat zij uit van een onjuiste rechtsopvatting (zie hierboven, 4.5). Dat kan echter niet tot cassatie leiden, aangezien een aanbod om het overblijvende gedeelte over te nemen tegen de aanvankelijke waarde niet kan worden aangemerkt als een redelijk aanbod dat vermindering van de schadeloosstelling ter zake van de waardevermindering van dat overblijvende gedeelte rechtvaardigt.

5 Onderdeel 3: de berekening van de schadeloosstelling

5.1Het derde middelonderdeel betoogt dat de Rechtbank tot een duidelijke (cijfermatige) opstelling van de schadeloosstelling komt. Blijkens de toelichting wordt hiermee verdedigd

"dat in zaken als deze tenminste de eis zou mogen worden gesteld, dat de Rechtbank tot een duidelijke cijfermatige opstelling van de verschillende onderdelen van de schadeloosstelling komt, een simpel staatje, waaruit ook de eenvoudige lezer kan afleiden hoe het totale bedrag is samengesteld".

5.2 Voor zover met het middelonderdeel wordt betoogd dat de motivering van de schadeloosstelling aan bepaalde vormvereisten moet voldoen, faalt het. Volgens art. 59, lid 1, aanhef en onder 3e Rv moet het vonnis mede de gronden van de uitspraak bevatten. Die eis houdt in dat de rechterlijke beslissing voldoende inzicht moet geven in de gedachtegang die daaraan ten grondslag ligt. Het belang van die eis is in de eerste plaats dat de rechterlijke uitspraak op zijn juistheid kan worden getoetst. De motiveringseis dient voorts het belang van de duidelijkheid en bepaalbaarheid van het vonnis.(8) De rechter is vrij in de wijze waarop aan de motiveringsplicht wordt vorm gegeven .

5.3 Met enige welwillendheid kan het middelonderdeel worden gelezen als een motiveringsklacht in de zin dat het bedrag van de schadeloosstelling onbegrijpelijk is gemotiveerd. De Rechtbank heeft de schadeloosstelling begroot op ƒ 508.900,-. In de toelichting op het derde middelonderdeel wordt aangevoerd dat onduidelijk is hoe dit bedrag is opgebouwd, nu de door de deskundigen berekende bedragen van de schadebestanddelen optellen tot een bedrag van ƒ 513.900,-. Zoals de steller van de toelichting uiteenzet, kan deze afwijking niet verklaard worden uit de kennelijke verschrijving in r.o. 2.14, waarin abusievelijk een bedrag van ƒ 30.000,- wordt vermeld (dit moet zijn ƒ 25.000,-), aangezien die verschrijving zou leiden tot de som van ƒ 518.900,-. Het is naar mijn mening, gelet op de overwegingen van de Rechtbank, evident dat het in het dictum genoemde bedrag van de schadeloosstelling onjuist is als gevolg van een rekenfout of verschrijving, en dat een bedrag van ƒ 513.900,- is bedoeld. U kan op dit punt buiten twijfel stellen wat de Rechtbank heeft bedoeld. Daaruit volgt dat het middelonderdeel, ook als het wordt opgevat in de hierboven bedoelde zin, niet kan slagen.

6 Conclusie

Overwegende dat het middel slaagt, concludeer ik tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank en verwijzing van de zaak voor nader onderzoek naar de geleden schade ter zake van de waardevermindering van het overblijvende gedeelte.

De Procureur-generaal bij

De Hoge Raad der Nederlanden

(a.-g.)

1 U vergelijke het arrest HR 23 juni 1976 met conclusie A-G Van Soest, NJO 1976, 18, m.nt. MB, waarin wordt overwogen "dat de Rb. zonder schending van enige rechtsregel in het onderhavige geval aan haar evenbedoelde begroting het advies van de deskundigen ten grondslag kon leggen en tot nadere motivering van haar oordelen in deze niet gehouden was".

2 Blz. 7.

3 Blz. 5.

4 R.o. 2.14.

5 Zie ook C.H. Telders, Schadeloosstelling voor onteigening, nr. 567, blz. 125/6 en punt 2.16 van de conclusie van A-G Moltmaker bij HR 22 juli 1992, NJ 1993, 556.

6 Een andere vraag is of een aanbod kan dienen ter bepaling van de waardevermindering, en op die wijze de toe te kennen schadeloosstelling kan beïnvloeden. U vergelijke HR 4 november 1970, na conclusie A-G Bakhoven, NJ 1971, 433, waarin de vraag aan de orde was of een bod van een derde, in casu een andere gemeente dan de onteigenaar, kon dienen ten bewijze van de hoogte van de waardedaling van het overblijvende gedeelte.

7 Volgens punt 4 van de noot van N.J. Polak onder HR 24 maart 1965, NJ 1965, 298 te vinden in de Berichten van de Centrale Commissie voor de Onteigeningsvergoedingen.

8 Vgl. Burgerlijke Rechtsvordering, Asser, art. 59, aant. 7: "Tenslotte is het voor de tenuitvoerlegging van het vonnis van groot belang dat de in het dictum neergelegde of daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen duidelijk bepaald en bepaalbaar zijn. Daartoe dient de motivering eveneens. Zo zal een vergissing in het dictum geen problemen behoeven op te leveren als uit de motivering duidelijk wordt hoe het dictum gelezen moet worden".