Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2885

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
01758/99 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2885
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 399
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 462
NJ 2001, 533
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01758/99 E

Mr. Machielse

Zitting: 22 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak(1) is "beroep" ingesteld, waarna de zaak aanvankelijk naar het hof is verzonden en vervolgens naar de Griffier van de Hoge Raad.

2. Middelen van cassatie zijn niet voorgesteld.

3. Ambtshalve verdient het aangewende rechtsmiddel van "beroep" enerzijds en de tijdigheid van het indienen daarvan anderzijds Uw aandacht.

4. Inzake het rechtsmiddel het volgende. Verzoeker is bij vonnis van 12 december 1997 door de economische politierechter in eerste aanleg - bij verstek - veroordeeld ter zake van het "overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.10, eerste lid, van de Wet Milieubeheer", welk feit krachtens art. 1a onder sub 3 (oud) WED, in samenhang beschouwd met art. 2 lid 4 WED, een overtreding oplevert. Aan verzoeker is daarbij een geldboete opgelegd van ƒ 135,=, subsidiair 2 dagen hechtenis. Ingevolge art.51 lid 1 sub 2 (oud) WED stond, met het oog op de hoogte van de opgelegde geldboete, welke de minimumgrens van ƒ 500,= niet heeft overstegen, hoger beroep van het vonnis in eerste aanleg niet open voor verzoeker. Gelet op art. 399 (oud) Sv kon verzoeker slechts verzet doen tegen het bij verstek gewezen vonnis in eerste aanleg. Omdat verzoeker geacht moet worden het juiste rechtsmiddel te hebben willen instellen (2) moet het ingestelde "beroep" worden verstaan als "verzet". Een conversiebeslissing van Uw Raad kan hierin voorzien.

5. Terzake de tijdigheid van het ingediende rechtsmiddel is voorts nog het volgende van belang. Bij de aan de Griffier van de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een enkele kennisgeving mededeling uitspraak "NOH-vonnis". Gelet op de daaraan gehechte kennisgeving is aan verzoeker op 16 maart 1999 in persoon mededeling gedaan van het hiervoor bedoelde niet onherroepelijke verstekvonnis. Blijkens de akte rechtsmiddel heeft verzoeker evenwel eerst op (dinsdag) 31 maart 1999 daartegen "beroep" ingesteld. Derhalve niet binnen de voorgeschreven termijn van veertien dagen, zoals 399 lid 2 Sv (oud) voorschrijft. De wettelijke termijn om een rechtsmiddel in te dienen is daarmee overschreden.

6. Indien - anders dan in casu is geschied - cassatieberoep zou zijn aangetekend zou de Hoge Raad gelet op het vorenoverwogene geen aanleiding behoeven te zien om het beroep te verstaan als verzet en het cassatieberoep niet-ontvankelijk kunnen verklaren.(3) Te dezen is dat evenwel niet mogelijk op grond van het ingediende onjuiste rechtsmiddel. Omdat evenwel een beslissing in deze zaak zal moeten volgen en de Hoge Raad doelmatigheidshalve in een eindbeslissing zal kunnen voorzien, luidt mijn conclusie als volgt.

7. Deze conclusie strekt ertoe:

- dat de Hoge Raad het beroep zal verstaan als verzet;

- dat de Hoge Raad doelmatigheidshalve zelf in de zaak zal voorzien, in aanmerking genomen dat, na verzending van de stukken naar de economische politierechter te 's-Gravenhage door de Griffier van de Hoge Raad, geen andere beslissing kan volgen dan de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het door hem ingediende verzet;

- dat de Hoge Raad verzoeker niet-ontvankelijk verklaart in diens verzet.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Behalve in deze zaak concludeer ik heden eveneens in de op verzoeker betrekking hebbende zaak met gr.nr. 02021/99 E.

2 HR NJ 1989, 88.

3 Zie HR DD 92.019.