Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2881

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
00372/01 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2881
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 15
Wetboek van Strafrecht 15a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 542
NJ 2001, 605
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00372/01/U

Mr. Jörg

Zitting 15 mei 2001

(bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De arrondissementsrechtbank te Haarlem heeft op 8 februari 2001 de vervolgingsuitlevering van verzoeker aan België toelaatbaar verklaard terzake van de feiten zoals omschreven in het bevel tot aanhouding van 30 juni 1998 van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge.

2. Mr. Ong Sien Hien, blijkens het proces-verbaal van de behandeling van de zaak door de rechtbank advocaat te Rotterdam, heeft een geschrift ingediend, houdende - blijkens de begeleidende brief - "de opmerkingen [die] de heer [verdachte] heeft met betrekking tot de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 8 februari 2001."

3. Het ingediende geschrift geeft aanleiding tot het plaatsen van enkele kanttekeningen.

4. In de eerste plaats is niet vermeld dat de opgeëiste persoon mr. Ong Sien Hien bepaaldelijk heeft gevolmachtigd tot indiening daarvan. Dit behoeft evenwel, gelet op HR 18 oktober 1994, NJ 1995, 118, geen beletsel te zijn om van het geschrift kennis te nemen.

5. In de tweede plaats merk ik op dat voor onderzoek door de cassatierechter alleen in aanmerking komen middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv. Als dergelijke middelen kunnen alleen gelden stellige en duidelijke klachten over schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuimen van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen (HR 13 maart 2001, griffienummer 00207/00/E; zie voorts Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 4e, p. 82-83 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie). De klacht dient dus een voldoende nauwkeurige omschrijving te bevatten van de rechtsregel die is geschonden, of het vormvoorschrift dat verzuimd zou zijn, en van de omstandigheden die op deze rechtsschending of dit vormverzuim wijzen, en dient dus uit zichzelf begrijpelijk te zijn, zonder dat daarvoor andere stukken geraadpleegd behoeven te worden.

6. In de onderhavige zaak bevat de schriftuur ten eerste de mededeling dat "de rechtbank het verweer van verdachte (bedoeld zal zijn: opgeëiste persoon) heeft opgevat als een verweer dat strekte tot ontoelaatbaarverklaring [van] het totale uitleveringsverzoek, terwijl het verweer louter betrekking had op het verzoek cliënt uit te leveren als lid van een criminele organisatie." Begrijp ik hieruit dat de rechtbank het gevoerde verweer aldus te ruim - en dus juist in het voordeel van Kerckhof - heeft opgevat?

7. Ter onderbouwing van het voorgaande wordt ver-volgens verwezen naar "het door de rechtbank aangehaalde relaas van de rijkswacht betreffende de aan-houding van [betrokkene]." Daarnaast wordt melding gemaakt van een deel van de inhoud van een proces-verbaal dat de rechtbank heeft aangehaald in het kader van de verwerping van een verweer aangaande de genoegzaamheid van de stukken, waaraan vervolgens een conclusie wordt verbonden. Tenslotte wordt opgemerkt "ook al( ) zou cliënt in verband gebracht kunnen worden met bedoelde drugslijn en in de periode welke door de Belgische autoriteiten wordt aangegeven [dan is] er slechts sprake van een enkel( ) feit, zodat aan de eis van dubbele strafbaarheid niet is voldaan." (Ik hoop met mijn fatsoenering van deze passage in de geest van de schrijver te hebben gehandeld, NJ.)

8. In de onderhavige schriftuur heb ik evenwel niet kunnen ontwaren of, en zo ja welke en waarom, de rechtbank vormen zou hebben verzuimd dan wel het recht zou hebben geschonden. Ik ben dan ook van mening dat de schriftuur geen middelen van cassatie in de zin van de wet bevat.

9. Nu verzoeker niet binnen de door de wet gestelde termijn door een advocaat een schriftuur met middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 31, vierde lid, Uitleveringswet niet in acht genomen, zodat hij in het beroep niet kan worden ontvangen (vgl. HR 13 maart 2001, griffienummer 00702/ 00/E).

10. Deze conclusie strekt ertoe dat verzoeker niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG