Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2857

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
31-01-2002
Zaaknummer
03746/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2857
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 31
Uitleveringswet 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2002, 7 met annotatie van J. de Hullu
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03746/00 U

mr N. Keijzer

zitting 8 mei 2001

conclusie inzake

[de opgeëiste persoon]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 26 oktober 2000 heeft de Arrondissementsrechtbank te Arnhem de door het Niedersächsisches Justizministerium ter strafvervolging ter zake van de in het op 22 maart 2000 door het Amtsgericht Osnabrück afgegeven Haftbefehl omschreven feiten, kort gezegd oplichting, verduistering en flessentrekkerij, verzochte uitlevering van [de opgeëiste persoon] toelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [de opgeëiste persoon] op 30 oktober 2000 cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr J. van Delft, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur drie cassatiemiddelen voorgesteld.

3. De schriftuur van de raadsman houdt voorts onder meer in:

"door betrokkene zelf worden op de hieraan gehechte bijlage nog enkele kassatiemiddelen aangevoerd, welke als hier herhaald en ingelast beschouwd dienen te worden".

4. Art. 31, vierde lid, Uitleveringswet(1) luidt:

De opgeëiste persoon die cassatieberoep heeft ingesteld, is op straffe van niet-ontvankelijkheid verplicht om vóór de dienende dag bij de Hoge Raad door zijn raadsman een schriftuur te doen indienen, houdende zijn middelen van cassatie.

Ingevolge deze bepaling is [de opgeëiste persoon] ten aanzien van de door hemzelf geformuleerde klachten niet-ontvankelijk.

Geen van die klachten houdt trouwens in dat de Rechtbank het recht heeft geschonden of vormverzuimen heeft begaan die tot nietigheid zouden moeten leiden, zodat die klachten, ware [de opgeëiste persoon] daarin ontvankelijk geweest, om die reden niet tot cassatie hadden kunnen leiden.

5. Het eerste cassatiemiddel strekt er allereerst toe, te klagen dat de Rechtbank geen blijk heeft gegeven te hebben onderzocht of het bij het uitleveringsverzoek gevoegde Haftbefehl is issued in accordance with the procedure laid down in the law of the requesting Party, zoals vereist bij art. 12, tweede lid aanhef en onder a, Europees uitleveringsverdrag. Voorts wordt betoogd dat het Haftbefehl niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen en vormen.

6. Uit het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank blijkt niet dat te dezer zake ter verweer is gevoerd. De bestreden uitspraak houdt voorzover voor de beoordeling van het middel van belang in:

"De door de verzoekende staat overgelegde stukken waaronder met name het Haftbefehl, voldoen naar het oordeel van de rechtbank aan de bepalingen van de Uitleveringswet, het Europees Uitleveringsverdrag (Trb. 1965, nr. 9), het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag (Trb. 1979, nr. 120) en de Schengen Uitvoeringsovereenkomst (Trb. 1990, nr. 145)."

7. Nu niets is aangevoerd wat tot en ander oordeel zou nopen(2) (de in het middel aangevoerde omstandigheid dat als grond voor het Haftbefehl gevaar voor vlucht is opgegeven geldt niet als zodanig) en er geen sprake is van een klaarblijkelijke vergissing, mocht de Rechtbank er zonder nadere motivering van uitgaan dat met betrekking tot het bij het uitleveringsverzoek overgelegde Haftbefehl aan de in art. 12, tweede lid aanhef en onder a, EUV neergelegde eis is voldaan.(3) De eerste klacht van het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

8. Voorzover met de tweede klacht (te weten: dat het Haftbefehl niet voldoet aan "de daaraan te stellen eisen en vormen") wordt gedoeld op eisen uit hoofde van het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag deelt deze het lot van de eerste klacht.

Voorzover met de tweede klacht wordt gedoeld op eisen naar Duits recht stuit zij af op het bepaalde in art. 99, eerste lid aanhef en onder 2°, RO: schending van het recht van een vreemde staat levert geen grond op tot cassatie.

9. Het middel is derhalve vruchteloos voorgesteld.

10. Het tweede middel keert zich tegen de overweging van de Rechtbank "De in het Haftbefehl genoemde feiten zijn strafbaar gesteld bij de artikelen genoemd in voornoemd Haftbefehl." Aangevoerd wordt dat in het Haftbefehl geen artikelen genoemd zijn op basis waarvan de in het Haftbefehl opgesomde feiten strafbaar zouden zijn.

11. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het Haftbefehl (waarvan een kopie aan de bestreden uitspraak is gehecht) houdt immers onder meer in:

"Diese Handlungen sind mit Strafe bedroht nach den §§ 263 Abs. 1 u. Abs. 5, 25 Abs. 2, 53 StGB."

12. Het derde middel houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [de opgeëiste persoon] niet onverwijld heeft kunnen aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten met betrekking waartoe zijn uitlevering wordt gevraagd. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat de Rechtbank, door niet in te gaan op het verzoek van de raadsman tot aanhouding van de zaak, [de opgeëiste persoon] onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn onschuld onverwijld aan te tonen.

13. Volgens het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank heeft [de opgeëiste persoon] aldaar onder meer verklaard:

"De verwijten kloppen in grote lijnen niet. (...) Ik wist wel van leveranties aan [betrokkene 1], maar daar had ik verder niets mee te maken."

14. Blijkens datzelfde proces-verbaal heeft de raadsman aldaar onder meer aangevoerd:

"Er is kennelijk een verklaring van [betrokkene 1] waardoor cliënt wordt belast. [Betrokkene 1] is in Nederland door de rechter-commissaris gehoord. Die verklaring van [betrokkene 1] moet dus te vinden zijn. U als raadkamer kan toch aan de hand van die verklaring beoordelen of de grondslag van het verzoek tot uitlevering van cliënt klopt, in die zin dat wellicht direct duidelijk wordt dat er geen enkele grondslag is voor de beschuldigingen die er tegen hem liggen. Per slot van rekening heeft de rechtbank er toch ook voor te waken dat hij niet ten onrechte op valse beschuldigingen aan Duitsland wort uitgeleverd. Een gedeeltelijke toetsing lijkt mij wel gepast."

15. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen en beslist:

"De opgeëiste persoon heeft niet onverwijld kunnen aantonen dat hij niet schuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank gevraagd de zaak aan te houden teneinde de door de medeverdachte [betrokkene 1] ten overstaan van de rechter-commissaris in Nederland afgelegde - en voor de opgeëiste persoon belastende - verklaringen inhoudelijk te toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat de Uitleveringswet en de van toepassing zijnde verdragen daartoe geen ruimte bieden. In de procedure van de behandeling van een verzoek tot uitlevering past geen aanhouding om verder onderzoek te verrichten naar de feiten, zoals door de raadsman is verzocht."

16. Ingevolge art. 26, derde lid, Uitleveringswet dient de uitleveringsrechter, indien de opgeëiste persoon beweert dat hij onverwijld kan aantonen niet schuldig te zijn aan de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd, die bewering te onderzoeken. Ingevolge het vierde lid kan de Rechtbank, indien zij zulks nodig acht, daartoe getuigen horen.

Het verband tussen art. 28, tweede en vierde lid, en art. 26, derde lid, Uitleveringswet brengt mee dat een onschuldbewering alleen dan zal opgaan indien de Rechtbank onverwijld - dat wil zeggen zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het strafgeding zelf - tot de overtuiging komt dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld.(4)

17. De overweging die de Rechtbank ten grondslag heeft gelegd aan haar afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de behandeling van het uitleveringsverzoek moet kennelijk aldus worden verstaan dat naar haar oordeel, gelet op het aangevoerde, redelijkerwijze niet te verwachten viel dat zij door de verklaring van [betrokkene 1] tot de overtuiging zou komen dat geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld van [de opgeëiste persoon] aan de hem in het Haftbefehl verweten feiten. Aldus verstaan geeft die afwijzing geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Zij is ook niet onbegrijpelijk. De in het middel vervatte klacht dat de Rechtbank [de opgeëiste persoon] onvoldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn onschuld aan te tonen faalt dus.

18. Het oordeel van de Rechtbank dat [de opgeëiste persoon] niet onverwijld heeft kunnen aantonen dat hij niet schuldig is aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd geeft geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting en is, in het licht van het voorgaande, niet onbegrijpelijk.

19. Ook dit middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

20. Ambtshalve wijs ik op een onduidelijkheid in de bestreden uitspraak. Bij die uitspraak is de uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard "op grond van de feiten zoals omschreven in het hiervoor genoemde Haftbefehl (...)". Onder 4 houdt de bestreden uitspraak onder meer in:

"Van het Haftbefehl is een fotokopie aan deze uitspraak gehecht, waarvan het tussen [ ] geplaatste gedeelte, bevattende een overzicht van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, als hier ingevoegd dient te worden beschouwd."

Op de fotokopie is echter, mogelijk bij vergissing, buiten de [ ] gebleven:

"Die Beschuldigten [de opgeëiste persoon] und [betrokkene 1] sowie ihr Mittäter handelten in allen diesen Fällen in der Absicht, sich durch diese Taten eine fortlaufende Einnahmequelle von einigem Gewicht und einiger Dauer zu verschaffen. Sie hatten sich fest zusammengetan, um eine unbestimmte Vielzahl von Betrügereien zu begehen und die so erlangten Gegenstände für sich zu behalten bzw. zu verwerten".

De bestreden uitspraak zal aldus moeten worden verstaan dat de gevraagde uitlevering ook met betrekking tot het evenbedoelde toelaatbaar is verklaard.

21. Ambtshalve merk ik voorts op dat de bestreden uitspraak weliswaar inhoudt dat de Rechtbank "heeft gelet op de betrekkelijke bepalingen van de Uitleveringswet, het Europees Uitleveringsverdrag (...) , het Tweede Aanvullend Protocol bij het Europees Uitleveringsverdrag (...) en de Schengen uitvoeringsovereenkomst (...)", maar heeft verzuimd, naar de eis van art. 28, derde lid, Uitleveringswet, art. 12 EUV als toepasselijke verdragsbepaling te vermelden.

22. Ambtshalve heb ik geen andere dan de laatstgenoemde reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. De middelen ongegrond achtende concludeer ik dat Uw Raad:

* [de opgeëiste persoon] ten aanzien van de door hemzelf geformuleerde klachten niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn cassatieberoep;

* zal verstaan dat de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard met betrekking tot feiten zoals omschreven in het Haftbefehl inclusief de in de aan de uitspraak gehechte fotokopie niet tussen [ ] geplaatste passage daarvan;

* de bestreden uitspraak zal vernietigen, doch uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd art. 12 EUV als toepasselijke verdragsbepaling te vermelden, en die verdragsbepaling als toepasselijk zal vermelden; en

* het beroep voor het overige zal verwerpen.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Art. 31, vierde lid, Uitleveringswet is ingevoegd bij de Wet van 28 oktober 1999, Stb. 467. Ingevolge art. VIII van die Wet is dat artikellid niet van toepassing op zaken waarin op het moment van inwerkingtreding van die Wet (de Wet is in werking getreden op 1 oktober 2000) door de belanghebbende reeds beroep in cassatie is ingesteld. In casu is het cassatieberoep echter eerst na die datum ingesteld.

2 Te denken zou bijvoorbeeld zijn aan intrekking van het Haftbefehl.

3 HR 28 juni 1977, NJ 1978, 405; HR 16 mei 1995, DD 95.344.

4 HR 15 december 1998, NJ 1999, 206.