Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2834

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-06-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
02126/99
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2834
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 126ff
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 02126/99

Zitting 8 mei 2001

Conclusie inzake

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens invoer van cocaïne veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Kengen, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel behelst de klacht dat het Hof het in hoger beroep gevoerde verweer dat sprake is geweest van doorlating/gecontroleerde aflevering, heeft verworpen op ontoereikende, althans onbegrijpelijke gronden.

4. In hoger beroep is aangevoerd:

"De verbalisanten hebben op Schiphol niet ingegrepen toen zij de cocaïne hadden ontdekt, doch hebben de verdachten met de cocaïne hun weg laten vervolgen en hebben de zaak op afstand onder controle gehouden. Hierdoor is sprake van een gecontroleerde doorvoer/invoer van cocaïne. Voor deze handelwijze is vooraf toestemming nodig van de Minister van Justitie. Welke toestemming in dit geval niet is gevraagd noch gegeven. Hierdoor is op onrechtmatige wijze bewijsmateriaal verzameld door Justitie c.q. is een ontoelaatbare onrechtmatige methode van opsporing gebezigd.

Het aldus verkregen materiaal kan dus niet tot het bewijs bijdragen c.q. door de gehanteerde opsporingsmethode moet het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk worden verklaard in haar(1) vervolging."

5. Het Hof verwerpt dit verweer. Na een uiteenzetting van het feitenrelaas overweegt het Hof:

"Het hof is van oordeel dat, gelet op voormelde gang van zaken, geen sprake is van gecontroleerde doorvoer of invoer van cocaïne. Het onderzoek is immers, nadat de verdenking was ontstaan dat [betrokkene 1] als koerier cocaïne vanuit het buitenland Nederland had ingevoerd, niet verder gegaan dan het vaststellen van de identiteit en de aanhouding van de personen die [betrokkene 1] zouden afhalen. Deze personen zijn, ongeveer een uur en tien minuten nadat de verdenking tegen [betrokkene 1] was ontstaan aangehouden op het station onder de luchthaven. Derhalve is -gelet op de korte tijdsduur en voortdurende controle van de leden van het Schipholteam van de cocaïne- geen bijzondere opsporingsmethode toegepast en hadden verbalisanten geen voorafgaande toestemming nodig voor de wijze waarop zij hun onderzoek verrichten. Het verweer wordt dan ook verworpen."

6. Het bezwaar van verdachte is dat er geen voortdurende controle van de cocaïne is geweest en dat daarmee sprake is geweest van het welbewust toelaten dat die cocaïne in circulatie zou komen dan wel het bewust aanvaarden van de geenszins denkbeeldige kans daarop. Verder zou de verbalisant Gebbink in strijd met het uitgangspunt dat verdovende middelen in beslag genomen horen te worden, dit achterwege hebben gelaten nadat hij had geconstateerd dat in de rugtas van [betrokkene 1] cocaïne werd vervoerd.

7. Beide klachten zijn ondeugdelijk. De eerste klacht faalt omdat het Hof, niet onbegrijpelijk, heeft vastgesteld dat er wel voortdurende controle is geweest van de cocaïne. Dat wordt ook bevestigd door de gang van zaken bij het toilet, waar de verbalisanten weliswaar niet achter [betrokkene 1] naar binnen zijn gegaan, maar wel onmiddellijk hebben ingegrepen nadat [betrokkene 1] het toilet had verlaten en de cocaïne bij [betrokkene 2], de man aan wie [betrokkene 1] in het toilet de cocaïne had overhandigd, in beslag hebben genomen. De tweede klacht faalt omdat de handelwijze van Gebbink niet in strijd was met het door de raadsman gehanteerde uitgangspunt. Het Hof heeft immers vastgesteld dat er geen sprake is geweest van het niet in beslag nemen van de aangetroffen cocaïne, maar van het korte tijd uitstellen van de inbeslagneming teneinde degene die de cocaïne kwam afhalen te kunnen traceren. Vgl. thans ook art. 126ff eerste lid Sv.

8. Ook ambtshalve is er geen reden voor vernietiging, zodat ik concludeer dat het beroep wordt verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Ik wijs er nog maar eens op: het openbaar ministerie in zijn vervolging