Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2826

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
11-07-2001
Zaaknummer
01618/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2826
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 140
Wetboek van Strafrecht 141
Wetboek van Strafvordering 430
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr. Fokkens

Nr. 1618/00

Zitting 8 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verdachte is op 18 november 1999 door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem ten laste was gelegd.

2. Tegen deze uitspraak heeft de advocaat-generaal bij het hof te Amsterdam, beroep in cassatie ingesteld.

3. De tijdig ingediende schriftuur bevat drie middelen van cassatie, die betrekking hebben op de vrijspraak van het onder 1 (deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven) alsmede het onder 2 en 3 primair (openlijke geweldpleging) ten laste gelegde. Nu het cassatieberoep onbeperkt is ingesteld en geen middelen zijn voorgesteld voor wat betreft het onder 3 subsidiair ten laste gelegde, is het in zoverre niet-ontvankelijk (art. 437, eerste lid, Sv). Gelet op het bepaalde in art. 430 Sv rijst ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 primair ten laste gelegde de vraag of er sprake is van een onzuivere vrijspraak.

4. Onder 1 is ten laste gelegd dat verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten de harde kern van Ajax-aanhangers, die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven waaronder de confrontatie met Feijenoord-aanhangers bij Beverwijk op 23 maart 1997. Van dezelfde organisatie zouden ook deel hebben uitgemaakt de volgende verdachten in wiens zaak eveneens beroep in cassatie is ingesteld [verdachte A] (1588/00); [verdachte B] (1589/00); [verdachte C] (1590/00); [verdachte D] (1597/00); [verdachte E] (1598/00); [verdachte F] (1600/00); [verdachte G] (1619/00); [verdachte H] (1620/00); [verdachte I] (1621/00); [verdachte J] (1622/00); [verdachte K] (1623/00). Ook in deze zaken neem ik heden conclusie.

5. Het eerste middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het ter terechtzitting door de raadsvrouw gevoerde verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is wegens (a) schending van het verbod van willekeur en (b) schending van het recht om binnen redelijke termijn te worden berecht.

6. Het hof heeft in zijn arrest aangegeven dat dit verweer geen bespreking behoeft, gelet op de te nemen beslissing ten aanzien van hetgeen verdachte ten laste is gelegd (lees: vrijspraak).

7. Het middel kan niet slagen omdat verzoeker tot cassatie geen in rechte te respecteren belang heeft bij bespreking van het middel. Het gaat hier immers om het niet naleven van een vormvoorschrift dat is gegeven ten behoeve van de verdachte (zo is art. 358 lid 3 ook niet van toepassing op vertogen van de OvJ (HR 27 november 1973, NJ 1974, 53). Niet valt in te zien dat het OM in zijn vervolging in deze zaak op enigerlei wijze geschaad is, doordat het Hof niet op het bedoelde verweer heeft beslist. Verzoeker voert aan dat het belang voor het OM is gelegen in de omstandigheid dat het OM daardoor in het ongewisse wordt gelaten over de vraag of vervolging van andere verdachten in deze strafzaak of soortgelijke andere strafzaken nog wel zin heeft. Dat belang is echter buiten deze zaak gelegen en kan daarom geen grond opleveren om tot vernietiging van de bestreden uitspraak over te gaan. Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vierde druk, p. 29 e.v

8. Het tweede middel behelst de klacht dat het hof door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd (deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven), ten onrechte tot vrijspraak is gekomen. Het hof zou door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte ten laste is gelegd, ten onrechte tot vrijspraak is gekomen. Het hof zou achtereenvolgens (a) het begrip organisatie; (b) het vereiste oogmerk en (c) het begrip deelnemen, onjuist hebben uitgelegd.

9. De vrijspraak van hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd, heeft het hof als volgt gemotiveerd:

Aan de advocaat-generaal kan worden toegegeven dat uit het door de regio-politie Amsterdam-Amstelland verrichte en gerelateerde onderzoek blijkt dat ten minste een aantal van de in de tenlastelegging genoemde misdrijven door Ajax-supporters is gepleegd. Genoemd worden hier het openlijk met verenigde krachten geweld plegen tegen personen en deelneming aan een vechterij. Tevens is op zichzelf genoegzaam komen vast te staan dat deze misdrijven meermalen een zeker georganiseerd karakter hadden. Het hof wijst hier bij wege van voorbeeld op de afgesproken confrontaties tussen Ajax- en Feijenoord-supporters bij de A-10 op 16 februari 1997 en bij Beverwijk op 23 maart 1997.

Niet bewezen echter acht het hof dat de in de tenlastelegging bedoelde misdrijven uitvloeisel zijn geweest van een gestructureerd samenwerkingsverband, dat het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Veeleer lijken die misdrijven voort te vloeien uit initiatieven van individuele personen dan wel van incidenteel samenwerkende personen of groepen van personen. Van een organisatie, waarin de deelnemers niet ieder voor zich, maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren, is onvoldoende gebleken.

Ook ten aanzien van de door de officier van justitie tenlastegelegde feitelijke handelingen waaruit de deelneming van de verdachte aan de in artikel 140 Sr. bedoelde organisatie zou hebben bestaan is niet komen vast te staan, voor zover zij al door de verdachte en/of andere Ajax-supporters zijn verricht, dat zij voortvloeiden uit iets anders dan particulier- of incidenteel groepsinitiatief.

10. Volgens de primaire klachten van het middel heeft het hof het begrip organisatie in de zin van art. 140 Sr verkeerd uitgelegd door daaronder ten onrechte te verstaan een organisatie waaruit (daadwerkelijk) misdrijven voortvloeien. Het in art. 140 Sr vereiste oogmerk zou het hof ten onrechte zo hebben uitgelegd dat de gepleegde misdrijven een uitvloeisel zijn van de organisatie. Tot slot zou het hof ten onrechte hebben aangenomen dat voor het deelnemen in de zin van art. 140 Sr een duurzame onderlinge samenwerking vereist is.

11. Over al deze klachten kan ik kort zijn. Zij berusten op een verkeerde lezing van de overwegingen van het Hof en missen derhalve feitelijke grondslag. Ik licht dit toe.

12. De overweging van het Hof dat niet bewezen is dat de bedoelde misdrijven een uitvloeisel zijn van een gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk had het plegen van misdrijven, moet gelezen worden in verband met hetgeen het Hof in de daaraan voorafgaande passage vaststelt. Daarin constateert het Hof dat een aantal van de in de tenlastegelegde misdrijven een zeker georganiseerd karakter hadden. Vervolgens overweegt het Hof dat dit onvoldoende is om tot de slotsom te komen dat er sprake is geweest van een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Die conclusie zou, zo begrijp ik het Hof, slechts getrokken kunnen worden indien de misdrijven voorvloeiden uit een gestructureerd samenwerkingsverband. Dat betekent niet dat het Hof als eis voor een organisatie in de zin van art. 140 Sr stelt dat daaruit misdrijven voortvloeien, maar dat het Hof terecht oordeelt dat uit gepleegde misdrijven slechts tot het bestaan van een dergelijke organisatie kan worden geconcludeerd, indien blijkt dat die misdrijven uit een gestructureerd samenwerkingsverband voortvloeien.

13. Uit het voorgaande volgt dat het Hof in deze overweging ook niet als zijn rechtsopvatting tot uitdrukking heeft gebracht dat oogmerk in art. 140 Sr moet worden uitgelegd als "uitvloeisel van".

14. Aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr stelt het hof de eis dat sprake moet zijn van een gestructureerd samenwerkingverband waarin de deelnemers in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren. Anders dan de steller van het middel meent, kan daarin niet worden gelezen dat het hof hiermee eisen stelt aan het deelnemen aan de organisatie. Het hof stelt slechts eisen waaraan moet zijn voldaan wil er sprake zijn van een organisatie.

15. Beide door het hof gestelde eisen, welke zijn samen te vatten als duurzame structuur, geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat blijkt reeds uit hetgeen de minister van justitie heeft opgemerkt bij de bespreking van het wetsontwerp waarbij het begrip rechtspersoon in art. 140 Sr werd vervangen door het begrip organisatie (Stb. 1988, 104). De bepaling, zo schreef de minister,

heeft betrekking op voorbereidingshandelingen, bestaande uit het aangaan en in stand houden van een duurzame samenwerking, gericht op het plegen van misdrijven. () Beter dan met de woorden "rechtspersoon of organisatie zonder rechtspersoonlijkheid" kan dit tot uiting worden gebracht met het enkele woord "organisatie", een term die geen juridische organisatievorm veronderstelt, maar wel een bepaalde duurzame en gestructureerde samenwerking. (Kamerstukken II 1984-1985, 17 476, nr. 5 (MvA) blz. 8).

16. Daarmee verwierp de minister tevens een voorstel van Van Veen om in art. 140 Sr strafbaar te stellen het organiseren of het zich verbinden met groepen die het plegen van misdrijven tot oogmerk hebben (Th.W. van Veen, 'De verboden vereniging en art. 140 Sr', NJB 1983, blz. 12-13 op blz. 12; Kamerstukken II 1984-1985, 17 476, nr. 5 (MvA) blz. 8, 14 en 15).

17. Ook in eerdere uitspraken inzake art. 140 Sr heeft de Hoge Raad de eis gesteld dat het moet gaan om een gestructureerd samenwerkingsverband met enige continuïteit (HR 30 september 1997, AA 1998, blz. 113-119 rov. 5.5. m.nt. Y. Buruma; HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 rov. 13.1. en 13.3.; HR 22 juli 1985, NJ 1987, 323 rov. 6.2.).

18. Remmelink spreekt ook van een duurzaam samenwerkingsverband in zijn conclusie voor HR 30 mei 1978, NJ 1979, 11. De Vries-Leeman benadrukt in haar dissertatie de "hechtheid van het samenwerkingsverband" en bespreekt vervolgens - in aansluiting bij hetgeen de minister opmerkte - de organisatie als een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband.

Eerst indien het samenwerkingsverband een eenheid vormt waarbinnen eigen regels gelden waaraan de individuele deelnemers onderworpen zijn en waarbij van een gemeenschappelijke doelstelling sprake is, kan van een organisatie gesproken worden. (M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, diss. Tilburg 1995, blz. 31-36 op blz. 31 en 33)

19. Swart wijst op de rechtvaardiging van art. 140 Sr als strafbaarstelling: de eigen dynamiek welke bepaalde samenwerkingsverbanden kunnen bezitten en die verhoogde risico's voor het begaan van specifieke strafbare feiten schept. Daarom valt niet iedere vorm van samenwerking tussen personen onder het bereik van art. 140 Sr:

Het zal moeten gaan om een zodanige gestructureerde en duurzame samenwerking dat deze dynamiek ook werkelijk de kans krijgt, zich te ontplooien. (A.H.J. Swart, 'Verboden organisaties en verboden rechtspersonen', in Naar eer en geweten (Liber Amicorum Remmelink) 1987, blz. 607-624 op blz. 614)

20. Bij deze stand van zaken geeft het oordeel van het hof, waarmee het vereiste van (enige) duurzaamheid en structuur wordt gesteld om het bestaan van een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr te kunnen aannemen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

21. Daarmee kom ik bij de bespreking van de subsidiaire klacht. Deze richt zich op de begrijpelijkheid van het feitelijke oordeel van het hof voor zover het enerzijds niet het bestaan van een organisatie wil aannemen, terwijl het hof anderzijds wel aanneemt dat Ajax-supporters misdrijven hebben gepleegd en dat deze meermalen een zeker georganiseerd karakter hadden.

22. Anders dan de steller van het middel, zie ik tussen beide vaststellingen geen tegenstrijdigheid, maar een verschil dat is terug te voeren op het onderscheid tussen misdrijven welke in groepsverband worden begaan en het bestaan van een organisatie in de zin van art. 140 Sr. Het feit dat meermalen misdrijven worden gepleegd die vooraf of ter plekke zijn georganiseerd, betekent niet automatisch dat daar een organisatie in de zin van art. 140 Sr achter schuilt. Aan de steller van het middel kan weliswaar worden toegegeven dat een wisselende samenstelling van een groep personen niet in de weg staat aan het bestaan van een organisatie in de zin van art. 140 Sr (HR 29 januari 1991, NJB 1991, blz. 718-719 nr. 49), maar uit de overwegingen van het hof kan ik niet opmaken dat dit vluchtige karakter van de organisatoren de reden is waarom het hof het bestaan een organisatie afwijst.

23. Het hof heeft vastgesteld dat de misdrijven lijken te zijn voortgekomen uit initiatieven van individuele personen of van incidenteel samenwerkende personen of groepen van personen. Die vaststelling maakt het oordeel dat niet is gebleken van een organisatie waarin de deelnemers niet ieder voor zich, maar in een zekere duurzame onderlinge samenwerking participeren, niet onbegrijpelijk.

24. Anders dan het middel wil betogen, blijkt dus niet dat het Hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door van iets anders vrij te spreken dan ten laste is gelegd. Het middel faalt.

25. Het derde middel behelst de klacht dat het hof door een onjuiste uitleg van hetgeen verdachte onder 2 en 3 primair ten laste is gelegd, ten onrechte tot vrijspraak is gekomen. Het hof zou het gewelddadig optrekken in de richting van rivaliserende supportersgroepen, gevolgd door een vechtpartij, ten onrechte niet hebben aangemerkt als openlijke geweldpleging zoals bedoeld in art. 141, eerste lid, Sr en zoals verdachte ook ten laste was gelegd. De steller van het middel betoogt dat in die omstandigheden ook degene die vervolgens (a) blijft staan na gewelddadig te zijn opgetrokken dan wel (b) vlucht, openlijk met verenigde krachten geweld pleegt als bedoeld in art. 141 Sr.

26. De vrijspraak van hetgeen verdachte onder 2 en 3 primair ten laste is gelegd, heeft het hof als volgt gemotiveerd:

Voor een veroordeling ter zake van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is vereist dat komt vast te staan dat van verdachte zelf enige gewelddadige handeling is uitgegaan.

In de jurisprudentie is de opvatting ontwikkeld, dat ook het dreigend opdringen naar anderen, indien dit plaatsvindt binnen het verband van een groep geweldplegende personen, kan worden aangemerkt als een gewelddadige handeling, die een veroordeling ter zake van voornoemd artikel 141 kan rechtvaardigen, zulks gelet op het fysiek intimiderende onderlinge verband van de gedragingen van de groep.

Bij de vaststelling of het handelen van verdachte moet worden aangemerkt als een gewelddadige handeling in de zin van meergenoemd artikel 141, zullen de omstandigheden van het geval en de dynamiek van de desbetreffende situatie mede in de beoordeling moeten worden betrokken.

Onvoldoende in dit verband is echter indien een verdachte met een groep personen, al dan niet gewapend is meegelopen in de richting van een voorgenomen confrontatie, en vervolgens op enige afstand van de plaats van de confrontatie is blijven staan of zich van de plaats van de confrontatie heeft verwijderd voordat er sprake was van geweldplegingen van de zijde van de groep waarvan die verdachte deel uitmaakte.

De omstandigheid dat zich, nadat die verdachte is blijven staan of de plaats van de voorgenomen confrontatie heeft verlaten, daadwerkelijk gewelddadigheden hebben voorgedaan, maakt dit niet anders.

Nu ten aanzien van verdachte niet is komen vast te staan dat van hem bij gelegenheid van het incident bij de A-10 of bij Beverwijk een gewelddadige handeling is uitgegaan in bovenomschreven zin, moet verdachte worden vrijgesproken van het hem onder 2 en 3 primair tenlastegelegde.

27. Het hof heeft overwogen dat ten aanzien van verdachte niet is komen vast te staan dat van hem een gewelddadige handeling is uitgegaan. Daarmee sluit het hof aan bij HR 9 oktober 1990, NJ 1991, 30 m.nt. 'tH rov. 6.1. waaruit volgt dat voor geweldpleging in de zin van art. 141 Sr is vereist dat van verdachte zelf enige gewelddadige handeling is uitgegaan (zie ook W. Wedzinga, Openlijke geweldpleging, diss. Groningen 1992, blz. 98; HR 6 maart 1990, NJ 1990, 637 m.nt. GEM rov. 5.2.; anders Rechtbank Groningen 17 juli 1990, NJ 1990, 741).

28. Met de overweging dat ook het dreigend opdringen, indien dit plaatsvindt binnen het verband van een groep gewelddadige personen, kan worden aangemerkt als een gewelddadige handeling, lijkt het Hof te verwijzen naar HR 17 november 1992, NJ 1993, 292. In die zaak bestond de rol van verdachte hierin dat hij, voorzien van een nunchakuwapen, dreigend was opgedrongen tegen bepaalde personen. Dat dreigend opdringen kon als deelnemen aan geweld worden bestempeld, omdat het gepaard ging met het in een groep schoppende, slaande en schietende personen opdringen tegen anderen (rov. 5.3.). Anders gezegd: de vechtpartij was volop aan de gang toen verdachte met zijn wapen in die groep dreigend naar anderen opdrong.

29. De steller van het middel gaat verder met zijn betoog dat van geweld in de zin van art. 141 Sr reeds sprake is, indien verdachte in een groep personen gewelddadig opdringt in de richting van een rivaliserende groep met de bedoeling om de confrontatie aan te gaan, maar vervolgens blijft staan of bij het zien van de vijand vlucht, terwijl personen van die groep het gevecht aangaan.

30. De wetsgeschiedenis verzet zich tegen strafbaarheid krachtens art. 141 Sr wegens het enkele behoren tot een menigte waarvan een bepaalde dreiging uit gaat, of waar geweld vanuit gaat. De memorie van toelichting vermeldt in dit verband het volgende:

Niemand kan daaraan worden schuldig verklaard dan die werkelijk geweld pleegt. Alzoo gaat het niet aan, met het duitsche wetboek, strafbaar te stellen ieder, die tot de vereenigde menigte behoort, die aan de zamenrotting - een woord wegens zijne onbepaaldheid te vermijden - deel neemt, ook al is door hem geen enkele daad van geweld bedreven. (H.J. Smidt, Geschiedenis van het Wetboek van Strafrecht, II, 1881, blz. 90)

31. In het rapport aan de koning wijst de minister van justitie nogmaals de strafbaarheid van de enkele 'zamenrotting' af. De minister blijft van oordeel, zo schreef hij

dat het onnoodig is naast het misdrijf van dit artikel en de deelneming aan zamenscholing, strafbaar gesteld in art. (186) nog een bijzonder misdrijf van zamenrotting aan te nemen. Stelt men de geheele zaâmgevloeide menigte strafbaar, indien zij een dreigend karakter aanneemt, men komt, bij de toevloed van tal van onschuldigen (gelijk steeds pleegt te geschieden), in allerlei moeijelijkheden. Zoodra werkelijk geweldpleging tegen personen of goederen gerigt wordt, zullen diegenen uit de menigte, die zich daaraan schuldig maken, en ook zij die daaraan medepligtig zijn, alsmede zelfs zij, die pogen het te doen, onder het bereik der strafwet vallen, en dit is toch voldoende. (Smidt II, a.w., blz. 91).

32. Hieruit volgt dat het enkele feit dat men met geweldplegers is "samengerot", onvoldoende is voor strafbaarheid krachtens art. 141 Sr (A.J.M. Machielse, 'De strafbaarheid der openlijke geweldpleging', in Naar eer en geweten (Liber amicorum Remmelink), Arnhem 1987, blz. 319-333 op blz. 327).

33. Onder het huidige - onlangs bij wet van 25 april 2000, Stb. 173 gewijzigde - art. 141 Sr kan dit anders zijn. Deze wijziging beoogde onder meer de strafbaarheid van degenen die door hun aanwezigheid het plegen van geweld door anderen bevorderen (Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT) blz. 3). Daarmee vervalt het vereiste dat van verdachte zelf enige gewelddadige handeling moet zijn uitgegaan (Kamerstukken II 1998-1999, 26 519, nr. 3 (MvT) blz. 7).

34. Hoewel de reikwijdte van art. 141 Sr dus inmiddels is verruimd, valt ook onder deze ruimere bepaling niet het geval waarin iemand in een groep personen gewelddadig opdringt in de richting van een rivaliserende groep met de bedoeling om de confrontatie aan te gaan maar vervolgens (a) blijft staan of (b) vlucht bij het zien van de tegenstander. Deze door de steller van het middel voorgestane uitleg van art. 141 Sr, is verworpen bij de bespreking van de nu geldende bepaling. Bij de bespreking van het betreffende wetsvoorstel kwamen de rellen bij Beverwijk als voorbeeld ter sprake.

Een tweede voorbeeld waaraan te denken valt zijn openlijke geweldplegingen waarbij supporters van twee voetbalclubs zijn betrokken. Uit het verleden is bekend, dat dergelijke verstoringen van de openbare orde soms tot op zekere hoogte gepland worden. Plaats en tijd worden in dat geval afgesproken. Te denken valt aan de rellen bij Beverwijk. De voorgestelde wetswijziging maakt het in de eerste plaats mogelijk, de "organisatoren" van de openlijke geweldpleging reeds op die grond als plegers daarvan aan te merken, ook als zij geen gewelddadige handeling hebben verricht. Voorts wordt de bewijsvoering in zoverre versimpeld, dat voldoende is dat de betrokkene aan de openlijke geweldpleging een bijdrage heeft geleverd. Daartoe kan, in gevallen als die van Beverwijk, voldoende zijn dat - bijvoorbeeld op grond van videobeelden - vaststaat dat de betrokkene zich met stokken of andere wapens in de richting van de tegenpartij heeft begeven, en dat er geen aanwijzingen zijn dat hij voordat de feitelijke openlijke geweldpleging is begonnen, terug is gelopen. () Wie meegaat maar enkel toekijkt levert geen bijdrage aan het openlijke geweld. (Kamerstukken II 1999-2000, 26 519, nr. 6 (MvA) blz. 5).

35. De uitleg van art. 141 Sr die door de steller van het middel wordt voorgestaan komt neer op een nog ruimere strafbaarheid dan die welke inmiddels bestaat krachtens het nu geldende art. 141 Sr dat reeds een verruiming beoogde van de bepaling die in de onderhavige zaak wordt toegepast.

36. Het oordeel van het hof, dat niet is komen vast te staan dat van verdachte een gewelddadige handeling is uitgegaan, betreft een feitelijke vaststelling die niet onbegrijpelijk is en geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, zodat het middel faalt.

37. Nu de middelen falen betreft de door het hof gegeven vrijspraak een vrijspraak als bedoeld in art. 430 Sv zodat ik concludeer dat de advocaat-generaal niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,