Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2779

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-06-2001
Datum publicatie
07-11-2001
Zaaknummer
02229/00 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2779
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 2
Wetboek van Strafvordering 6
Wetboek van Strafvordering 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02229/00 E

Mr Wortel

Zitting: 17 april 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "medeplegen van overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

2. Namens verzoeker heeft mr. G.G.J. Knoops, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof een beroep op de onbevoegdheid van de Arrondissementsrechtbank te 's Hertogenbosch tot kennisneming van de onderhavige zaak ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft verworpen.

4. In hoger beroep is - overigens voor het eerst - aangevoerd dat in verband met het bepaalde in art. 2, tweede lid Sv, dan wel in art. 6, eerste en/of tweede lid Sv, niet de Rechtbank te Den Bosch, maar de Rechtbank te Rotterdam relatieve competentie tot behandeling van de zaak tegen verzoeker toekwam.

Daartoe is gesteld dat in een door de politie te Rotterdam ingesteld opsporingsonderzoek reeds een verdenking tegen verzoeker is gerezen. Dientengevolge zou in Rotterdam ook reeds een vervolging van verzoeker zijn aangevangen, zodat er sprake is van twee gelijktijdige vervolgingen in de zin van art. 2 lid 2 Sv, waarvan het Rotterdamse onderzoek zou moeten worden aangemerkt als de vervolging die het eerste is aangevangen. Bovendien, zo is gesteld, is er sprake geweest van gelijktijdige vervolging bij twee verschillende rechtbanken van deelnemers, als bedoeld in art. 6 lid 2 Sv, zodat ook daarom alleen de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, als de rechtbank waar het eerst een vervolging tegen deelnemers was aangevangen, bevoegd was van de strafzaak tegen verzoeker kennis te nemen.

5. Na uitgebreide overwegingen heeft het Hof zowel het beroep op art. 2 lid 2 Sv als het beroep op art. 6 lid 2 Sv verworpen.

Uit de samenvatting van het procesverloop dat van deze overwegingen deel uitmaakt blijkt dat door de Regiopolitie Rotterdam-Rijnmond aanvankelijk een onderzoek is ingesteld onder de codenaam 'Regenwoud', waarbinnen een deelonderzoek is verricht (in samenwerking tussen dat Regiokorps en de Economische Controledienst) onder de codenaam 'Bamboe'. Gegevens uit die onderzoeken, met name het onderzoeksproject 'Bamboe', zijn met instemming van de rechter-commissaris en de officier van justitie te Rotterdam gebruikt om een vervolgonderzoek te starten, waarbij is samengewerkt door de Economische Controledienst en een afdeling van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost. Aanleiding voor dat vervolgonderzoek werd gevonden in (door het 'Bamboe-onderzoek' achterhaalde) aanwijzingen dat er vanuit China 12.000 liter BMK naar Nederland werd getransporteerd. Verzoeker zou bij het aankopen van die BMK betrokken zijn. In dit vervolgonderzoek is vastgesteld dat de aflevering van de BMK voor een groot deel in het arrondissement 's Hertogenbosch heeft plaatsgevonden.

6. Er is het Hof niet gebleken van een jegens verzoeker ingesteld gerechtelijk vooronderzoek in het arrondissement Rotterdam.

In verband met het vervolgonderzoek dat is verricht in samenwerking tussen de Economische Controledienst en de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, heeft de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te 's Hertogenbosch wèl een gerechtelijk vooronderzoek jegens verzoeker gevorderd, dat op 8 oktober 1997 is ingesteld.

Het Hof heeft uit het achterwege zijn gebleven van een jegens verzoeker ingesteld gerechtelijk vooronderzoek bij de Rechtbank te Rotterdam afgeleid dat de enige tegen verzoeker ingestelde vervolging bij de Rechtbank te 's Hertogenbosch heeft plaatsgevonden, die aanving met het aldaar gevoerde gerechtelijk vooronderzoek waarin verzoeker als verdachte werd aangewezen.

7. In de toelichting op het middel wordt allereerst aangevoerd dat 's Hofs overweging:

"van enige gelijktijdigheid van vervolgingen als waarover in voornoemd artikel (art. 2 lid 2 Sv, JW) wordt gesproken, is derhalve geen sprake, nu immers de omstandigheid dat iemand als (mogelijke) verdachte in een gerechtelijk vooronderzoek ten aanzien van een ander of anderen naar voren komt, op zichzelf bezien onvoldoende is om te kunnen spreken van een ook jegens hem aangevangen vervolging"

een oordeel vormt dat geen steun vindt in het recht.

8. Gesteld wordt dat het wel degelijk mogelijk is dat een op feiten en omstandigheden berustend redelijk vermoeden dat een bepaalde persoon zich aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt (of bezig is zich daaraan schuldig te maken), ontstaan in verband met een tegen een ander ingesteld gerechtelijk vooronderzoek, impliceert dat er een vervolging tegen eerstbedoelde persoon wordt ingesteld, ook zonder dat hij zelf in (een vordering tot het instellen van) een gerechtelijk vooronderzoek als verdachte wordt genoemd.

9. Naar mijn oordeel is het juist deze laatste, ter toelichting op het middel betrokken, stelling die geen steun vindt in het recht. In verband met de toepassing van het tweede lid van art. 2 Sv zal ter beantwoording van de vraag of er bij verschillende rechtbanken een vervolging tegen de verdachte is aangevangen, onder een ingestelde vervolging slechts verstaan kunnen worden: de processuele handelingen jegens de verdachte vanaf het moment waarop het openbaar ministerie de rechter in het onderzoek heeft betrokken.

10. Een vervolging tegen een bepaalde verdachte vangt derhalve aan doordat wordt gevorderd dat er tegen hem een gerechtelijk vooronderzoek zal worden ingesteld (of, indien zo een vordering niet is gedaan, wordt gevorderd dat de bewaring van de verdachte wordt bevolen).

Onder toepassing van hetzelfde begrip van een (eerste) vervolgingsdaad (vgl. Melai, Het Wetboek van Strafvordering, aant. 15 bij art. 2) zal naar mijn inzicht sinds 1 februari 2000 voorts aangenomen moeten worden dat de vervolging jegens een bepaalde persoon een aanvang neemt indien de rechter-commissaris op een bepaalde plaats een onderzoek instelt (art. 110 Sv), of desgevraagd machtiging verleent voor het verrichten van een doorzoeking, indien zijn eigen optreden niet kan worden afgewacht (art. 97 Sv). Ook dan zal hierin evenwel slechts de aanvang van een tegen die verdachte ingestelde vervolging kunnen worden gezien voor zover hij in verband met de doorzoeking als zodanig is aangemerkt. Hetzelfde zal naar mijn inzicht te gelden hebben ten aanzien van aan de rechter-commissaris gevraagde machtigingen in verband met bijzondere opsporingsbevoegdheden (vgl. art. 126l en 126m Sv).

11. Het tegenovergestelde, in de toelichting op dit middel betrokken, standpunt zou voor de praktijk onoverkomelijke bezwaren met zich meebrengen. Het zou tot gevolg hebben dat de officier van justitie, bemerkende dat in het kader van een onderzoek een verdenking rijst tegen nog andere personen dan degenen die reeds als verdachten zijn aangemerkt (en tegen wie de vervolging is aangevangen) er niet aan zou ontkomen ook die later als zodanig geïdentificeerde personen, en de strafbare feiten waarbij zij vermoedelijk betrokken zijn, in het onder zijn leiding verrichte vooronderzoek te betrekken.

12. Er kunnen goede redenen zijn een lopend onderzoek niet uit te breiden tot de strafbare feiten die vermoedelijk zijn of worden begaan door anderen dan degenen op wie het onderzoek reeds is gericht. Die redenen kunnen gelegen zijn in de overweging dat het behoorlijk onderzoeken van nadien ontdekte, door nog andere verdachten vermoedelijk begane, delicten er toe zou leiden dat het reeds lopende onderzoek ten aanzien van de aanvankelijke verdachten te lang zou gaan duren, of dat ten aanzien van die personen waarop het onderzoek tot dan toe is gericht geen tot inbeslagneming of vrijheidsbeneming strekkende bevoegdheden kunnen worden aangewend op het moment waarop dat recherchetechnisch mogelijk of (ook met het oog op maatschappelijke belangen) aangewezen is, omdat het onderzoek ten aanzien van de later als verdachten opgemerkte personen, en de door hen begane feiten, nog onvoldragen is en door optreden tegen de oorspronkelijk als verdachten aangemerkte personen schade zou leiden.

Voorts kan de aard van de feiten, waaromtrent in de loop van een niet daarop gericht onderzoek verdenking is gerezen, reden vormen die niet in het onderzoek te betrekken, doch onderwerp te maken van een elders in te stellen afzonderlijk onderzoek. Daarbij valt te denken aan strafbare gedragingen die niet rechtstreeks en overwegende mate in verband staan met de reeds onderzochte feiten, en die zich op plaatsen in andere arrondissementen lijken te concentreren.

13. Al dergelijke, valide, redenen om tijdens een onderzoek naar voren komende verdenkingen tegen andere dan de reeds als verdachte aangemerkte personen, betreffende andere strafbare feiten dan waarop het lopende onderzoek zich richt, niet in dat onderzoek te betrekken maar het aan opsporingsinstanties elders over te laten een zelfstandig onderzoek in te stellen, zouden, indien de steller van het middel gevolgd zou moeten worden in zijn standpunt dat een eerder en elders gerezen verdenking in verband met het bepaalde in het tweede lid van art. 2 Sv zou moeten worden aangemerkt als een toen en daar aangevangen vervolging, het risico opleveren dat de resultaten van het vervolgens elders ingestelde onderzoek niet aan de bevoegde rechter worden gepresenteerd, en wellicht zelfs de rechter-commissaris in die rechtbank elders zich niet bevoegd zou mogen achten.

14. Dat zou in strijd komen met de strekking van art. 2 Sv. Die is er in gelegen dat een strafzaak - met inachtneming van de voorschriften betreffende de absolute bevoegdheid - ter beoordeling zal worden voorgelegd aan de rechtbank met wier ambtsgebied de zaak de meeste, althans voldoende, aanknopingspunten biedt, te vinden in de omstandigheden die zijn opgesomd in het eerste lid van art. 2 Sv.

Ook het tweede lid van art. 2 Sv, waarin is bepaald welke rechtbank bevoegd is in die gevallen waarin tegen dezelfde verdachte bij verschillende rechtbanken een vervolging is ingesteld, strekt ertoe de Rechtbank aan te wijzen die, door aanknopingspunten met haar ambtsgebied, in de beste positie verkeert over de zaak te oordelen.

15. Indien de rangschikking van in het eerste lid van art. 2 Sv genoemde omstandigheden in zo'n geval geen uitsluitsel biedt, omdat het gaat om rechtbanken die in deze rangschikking dezelfde plaats innemen - dat wil zeggen dat het verband tussen de strafzaak en (het ambtsgebied van) de rechtbank steeds in dezelfde omstandigheden is gelegen - dient de behandeling te worden voortgezet bij die rechtbank waar de vervolging het eerst is aangevangen.

Hiermee is onderstreept dat het in geval van tegen dezelfde verdachte in verschillende arrondissementen ingestelde strafvervolgingen aangewezen is concentratie van die strrafvervolgingen na te streven, met dien verstande dat in de jegens die verdachte eerst aangevangen vervolging de nadien elders gestelde vervolgingsdaden ondergebracht moeten worden. Dit veronderstelt evenwel, dat al die in verschillende arrrondissementen verrichte vervolgingsdaden niet alleen op dezelfde verdachte, maar ook op diens vermoedelijke betrokkenheid bij dezelfde strafbare feiten betrekking hebben.

16. De enkele omstandigheid dat in een opsporingsonderzoek, dat bij een bepaalde rechtbank heeft geleid tot vervolging van een of meer personen, ook de later in een ander arrondissement vervolgde persoon reeds naar voren was gekomen als vermoedelijk betrokkene bij strafbare gedragingen, brengt niet mee dat (leden van) de rechtbank voor wie eerder de andere personen zijn vervolgd ook ten aanzien van de later vervolgde persoon reeds betrokken zijn geraakt in de beoordeling van de zaak tegen die verdachte.

Daarom is het niet aangewezen in uitsluitend de omstandigheid dat reeds in een eerder uitgevoerd opsporingsonderzoek verdenkingen naar voren zijn gekomen jegens een ter zake daarvan op een later tijdstip elders vervolgde persoon, de aanvang te zien van de vervolging van die verdachte bij de rechtbank die van de resultaten van dat eerdere opsporingsonderzoek - in verband met verdenkingen tegen andere personen - heeft kennisgenomen. Dat klemt temeer indien de verdenking tegen de bij die rechtbank eerder vervolgde personen, afgemeten naar de feitelijke omstandigheden en de strafrechtelijke betekenis daarvan, niet dezelfde is als de verdenking jegens de later elders vervolgde verdachte.

17. 's Hofs, in dit middelonderdeel bestreden, oordeel geeft aldus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

Daarenboven heeft het Hof, voorafgaande aan de overweging waarop dit middelonderdeel doelt, vastgesteld dat het van het in Rotterdam gevoerde opsporingsonderzoek afgesplitste onderzoek dat tot vervolging van verzoeker heeft geleid, betrekking had op een ander feitencomplex dan waarop het eerder in Rotterdam verrichte onderzoek betrekking had, welk feitencomplex - waarmee klaarblijkelijk in het bijzonder is gedoeld op de daarvan deel uitmakende, aan verzoeker verweten, gedragingen - bovendien grotendeels in het rechtsgebied van de Arrondissementsrechtbank te 's Hertogenbosch heeft plaatsgevonden.

In deze - in cassatie wegens het feitelijk karakter daarvan te respecteren - vaststelling ligt besloten dat de Rechtbank te 's Hertogenbosch in de rangschikking van in het eerste lid van art. 2 Sv genoemde omstandigheden de hoogste plaats innam, zodat geen sprake kon zijn van vervolgingen bij rechtbanken die in deze rangschikking dezelfde plaats innamen, en het tweede lid van art. 2 Sv ook deswege geen toepassing kon vinden.

18. Vervolgens keert het middel zich blijkens de daarop gegeven toelichting tegen 's Hofs overwegingen met betrekking tot het bepaalde in art. 6 Sv.

19. Het Hof heeft in dat verband overwogen dat het bepaalde in het eerste lid van art. 6 Sv slechts een aanvullende bevoegdheid schept naast het bepaalde in art. 2, eerste lid, Sv, en dat een wezenlijke voorwaarde voor de toepasselijkheid van het tweede lid van art. 6 Sv is dat er sprake moet zijn van een gelijktijdigheid in de vervolging van verschillende verdachten, aan welke voorwaarde niet is voldaan.

20. 's Hofs oordeel aangaande de aanvullende betekenis van art. 6 lid 1 Sv ten opzichte van de in art. 2 lid 1 Sv gegeven bevoegdheidsregeling wordt in het middelonderdeel - terecht - niet bestreden. Inderdaad komt aan het eerste lid van art. 6 Sv slechts deze betekenis toe dat een rechtbank, doordat zij reeds kennis neemt van de strafzaken tegen deelnemers aan een strafbaar feit, mede bevoegd zal zijn de strafzaken tegen andere, als daders van dat feit aangemerkte, personen te behandelen, voor zover haar bevoegdheid ten aanzien van die laatste verdachten niet reeds uit art. 2 lid 1 Sv zou voortvloeien.

Aangevoerd wordt evenwel dat de ratio achter het eerste lid van art. 6 Sv mee moet brengen dat de rechter 'een afwijking van deze norm' - die wordt voorgesteld als de noodzaak deelnemers aan en plegers van een strafbaar feit zoveel mogelijk gelijktijdig en door dezelfde rechterlijke instantie te doen berechten - uitdrukkelijk dient te motiveren.

In dat verband wordt er op gewezen dat namens verzoeker is uiteengezet waarom hij een concreet belang meende te hebben bij gelijktijdige berechting in Rotterdam (waarmee kennelijk wordt bedoeld: gelijktijdig aan de berechting aan de als uitvloeisel van het Rotterdamse onderzoek vervolgde personen).

21. Tegenover die verwijzing naar de onderbouwing van het in hoger beroep gevoerde verweer stel ik vast dat niet blijkt dat door of namens verzoeker in eerste aanleg is betoogd dat de berechting plaats zou moeten vinden bij de Rechtbank te Rotterdam. Nu verzoeker en zijn toenmalige raadsman ook in eerste aanleg ter terechtzitting zijn verschenen zou men verwachten dat reeds aldaar de bevoegdheid van de Rechtbank zou zijn betwist, en zou zijn gewezen op de belangen die verzoeker meende te hebben bij behandeling van deze zaak door de Rechtbank te Rotterdam.

22. Ik zou menen dat de bepalingen betreffende de relatieve bevoegdheid van rechterlijke colleges niet in de eerste plaats beogen de verdachte een instrument te bieden waarmee hij kan afdwingen dat de zaak zal worden behandeld door de rechtbank bij welke hij verwacht zijn verdedigingsrechten het beste uit te zullen kunnen oefenen, of de meeste kans op een voor hem gunstige afloop te zullen vinden.

Het door die bepalingen gediende belang is er in gelegen dat strafzaken zullen worden behandeld door het college dat daartoe in de beste positie verkeert, hetzij in verband met de in het eerste lid van art. 2 Sv omschreven aanknopingspunten met het rechtsgebied van dat college, hetzij in verband met de in dezelfde bepaling genoemde omstandigheid dat bij dat college reeds een andere strafzaak tegen de verdachte aanhangig is, hetzij in verband met de door art. 6 Sv bestreken omstandigheid dat bij dat gerecht reeds mededaders worden vervolgd.

23. Dat neemt niet weg dat de verdachte bijzondere belangen kan (menen te) hebben bij naleving van de voorzieningen betreffende de relatieve competentie. Men zou wellicht kunnen denken aan een omvangrijk onderzoek dat zich uitstrekt over in diverse delen van het land gepleegde delicten, in verband waarmee op de 'actiedag' in het hele land verdachten worden aangehouden en overgebracht naar het arrondissement waarin het onderzoek wordt gehouden, waarna het openbaar ministerie zich op het standpunt stelt dat de rechtbank aldaar ten aanzien van al die verdachten bevoegd is omdat de vervolging te hunnen opzichte is aangevangen toen zij daar (zij het onvrijwillig) verbleven. Ik acht het niet geheel uitgesloten dat een verdachte die er op kan wijzen dat hem feiten worden tenlastegelegd die slechts zijdelings, in een ver verwijderd verband, samenhangen met hetgeen in dat onderzoek centraal stond, met enige kans op succes zou kunnen betogen dat die hem verweten feiten berecht behoren te worden door de rechtbank in wier ambtsgebied zij begaan zouden zijn, waarin de verdachte ook zelf woont, en dat berechting in een ander deel van het land hem nodeloos voor problemen stelt bij het voeren van zijn verdediging.

24. Iets dichter bij de omstandigheden van het onderhavige geval: de in het tweede lid van art. 2 Sv opgenomen voorziening, voor zover daarbij de bevoegdheid is geregeld tussen rechtbanken die krachtens het eerste lid van dat artikel om dezelfde redenen bevoegd zouden zijn, en er sprake is van in verschillende arrondissementen achtereenvolgens aangevangen vervolgingen ter zake van het zelfde feitencomplex, kan wellicht mede worden beschouwd in het licht van het vertrouwensbeginsel. Een wettelijke uitwerking daarvan is te vinden in art. 68 Sr, dat alleen bescherming biedt tegen een tweede vervolging ter zake van hetzelfde feit indien er eerder reeds een einduitspraak werd bereikt. Het onderliggende vertrouwensbeginsel heeft evenwel een breder bereik. Indien er jegens een bepaalde verdachte, ter zake van min of meer nauwkeurig aangeduide strafbare gedragingen, een vervolging is aangevangen, kan het in strijd met dat beginsel, een ongeschreven norm van behoorlijke rechtspleging, zijn indien die verdachte elders, ter zake van dezelfde gedragingen, andermaal in een vervolging wordt betrokken.

25. De in het tweede lid van art. 2 Sv opgenomen voorziening kan ertoe bijdragen dat een inbreuk op het vertrouwen dat een verdachte er in moet kunnen stellen dat hij ter zake van bepaalde gedragingen slechts éénmaal strafrechtelijk zal worden vervolgd wordt voorkomen. Aldus dient die bepaling ook zijn belangen. De verwachting dat de eerst aangevangen vervolging ook (ter zake van de desbetreffende delicten) de enige zal blijven, kan evenwel alleen ontstaan indien blijkt dat de verdachte ergens uit heeft kunnen opmaken dat hij zou worden vervolgd.

Het is voorstelbaar dat een verdachte aan de - achteraf gedane - vaststelling dat in verband met een jegens zijn persoon ingesteld vooronderzoek beslissingen van de rechter zijn gevraagd een zekere verwachting ontleent dat de daarmee te zijnen opzichte aangevangen vervolging ook (bij dezelfde rechtbank) zal worden afgerond. Ook dan zal de verdachte er overigens rekening mee moeten houden dat de vervolging in dat arrondissement wordt beëindigd in verband met (in de loop van het onderzoek blijkende) onbevoegdheid van de rechtbank en wordt overgedragen aan (de officier van justitie bij) de wèl bevoegd te achten rechtbank, in welk geval de vervolging aldaar kan worden voortgezet, welke mogelijkheid de wet ook biedt indien de vervolging bij de eerste rechtbank wordt gestaakt en overgedragen ter vereniging met een bij een andere rechtbank reeds lopende strafzaak (art. 246 Sv).

26. Die verwachting kan een verdachte niet ontlenen aan de enkele constatering dat hij in een eerder en elders gevoerd onderzoek door opsporingsambtenaren reeds is aangemerkt als vermoedelijke dader van strafbare feiten. Ook vanuit de belangen van de verdachte beschouwd is er geen aanleiding bij de toepassing van art. 2 lid 2 Sv en art. 6 lid 2 Sv af te wijken van het uitgangspunt dat een strafvervolging aanvangt op het moment waarop de rechter bij het onderzoek wordt betrokken.

27. Intussen meen ik vast te kunnen stellen dat, ofschoon de wettelijke voorzieningen in algemene zin het belang dienen dat strafzaken worden behandeld door de gerechten die daartoe in de beste positie verkeren, en niet primair beogen de verdachte de mogelijkheid te geven behandeling van de tegen hem gevoerde strafzaak bij het college van zijn voorkeur af te dwingen, met de naleving daarvan desalniettemin in enkele opzichten bijzondere, concrete verdedigingsbelangen van de verdachte gemoeid kunnen zijn.

28. Daarom kan men zich afvragen of bevoegdheidsverweren niet gevoerd behoren te worden bij de eerste gelegenheid waarbij dat mogelijk is. Gelet op het verband met bijzondere verdedigingsbelangen is er wel iets voor te zeggen dat aangenomen kan worden dat de verdachte zich door het aanhangig maken van de zaak bij een bepaald gerecht niet benadeeld heeft gevoeld indien de mogelijkheid de bevoegdheid van dat college aanstonds aan de orde te stellen onbenut is gelaten, en dat reeds deswege een beroep op de onbevoegdheid van de eerdere rechter verworpen kan worden indien het pas in appèl wordt gedaan.

Na ampele overweging kom ik tot de slotsom dat die beperking in de mogelijkheid zulk verweer te voeren niet aangebracht kan worden. Daaraan staat naar mijn inzicht in de weg dat de (betrekkelijke) bevoegdheidsbepalingen in het algemeen een goede beoordeling van de zaak dienen.

29. Dit neemt niet weg dat het eerst in hoger beroep aan de orde stellen van de bevoegdheid van de eerste rechter een doelmatige rechtspleging in aanzienlijke mate belemmert. Beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging leggen niet alleen verplichtingen op het openbaar ministerie en de strafrechter. Ook van de verdediging zou verlangd moeten kunnen worden dat zij zich onthoudt van een uitoefening van haar rechten waardoor de afdoening van strafzaken nodeloos wordt belemmerd. Daarmee is niet goed verenigbaar dat in eerste aanleg - bij een behandeling op tegenspraak waarbij de verdachte van rechtsgeleerde bijstand is voorzien - geen bezwaar wordt gemaakt tegen behandeling door een bepaalde rechtbank, en pas in hoger beroep, door eerst dan de bevoegdheid van die rechtbank ter discussie te stellen, wordt gepoogd te bewerkstelligen dat de zaak wordt verwezen of overgedragen, en in een ander arrondissement weer in het stadium van dagvaarden terugkeert.

30. In ieder geval doet naar mijn inzicht aan de overtuigendheid van het betoog dat verzoeker in zijn verdedigingsmogelijkheden is benadeeld doordat hij in eerste aanleg door de Rechtbank te 's Hertogenbosch is berecht, en niet door de Rechtbank te Rotterdam, afbreuk dat dit nadeel niet reeds in eerste aanleg is aangevoerd.

31. Doch wat daar ook van zij, van een 'afwijking' van de in art. 6 lid 1 Sv opgenomen aanvullende bevoegdheidstoedeling, die er in gelegen zou zijn dat het Hof niet, in plaats van de Rechtbank te Den Bosch, de Rechtbank te Rotterdam bevoegd heeft geacht, kan geen sprake zijn.

In de ter beoordeling van het gevoerde verweer vastgestelde feiten ten aanzien van het procesverloop ligt immers besloten dat naar aanleiding van een in het Rotterdamse onderzoek naar voren gekomen verdenking een afzonderlijk onderzoek is ingesteld, naar strafbare gedragingen die grotendeels in het arrondissement 's Hertogenbosch zijn gesteld, naar aanleiding waarvan verzoeker is vervolgd. Daar vloeit noodzakelijk uit voort dat die, door de Economische Controledienst in samenwerking met de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost, onderzochte feiten niet samenvallen met de feiten die reeds eerder in het Rotterdamse onderzoek waren onderzocht.

Deelneming van verschillende personen aan hetzelfde feit, als bedoeld in het eerste lid van art. 6 Sv, dat ten aanzien van sommige daders ter berechting aan de Rechtbank te Rotterdam is voorgelegd, kan zich daarom niet hebben voorgedaan.

32. Nu in 's Hofs overwegingen besloten ligt dat van een 'afwijking' van de in art. 6 lid 1 Sv opgenomen aanvullende bevoegdheidsbepaling geen sprake was, was het Hof niet gehouden zijn beslissing van nog andere redenen te voorzien dan de reeds uitgebreide overwegingen waarmee die is omkleed.

33. Voorts wordt het Hof ook in dit middelonderdeel weer verweten dat het, overwegende dat de voor toepasselijkheid van het tweede lid van art. 6 Sv wezenlijke voorwaarde van gelijktijdigheid in de vervolging van verschillende verdachten niet is vervuld, een te enge betekenis aan het begrip '(gelijktijdige) vervolging' heeft gehanteerd. Wederom wordt de stelling betrokken dat de omstandigheid dat verzoeker reeds in het Rotterdamse opsporingsonderzoek als verdachte naar voren is gekomen meebrengt "dat de vervolging zich ook daar de facto te zijnen aanzien uitstrekte, gelet op het feit dat het Rotterdamse onderzoek startte met een verdenking naar leden van een pretense criminele organisatie".

Dienaangaande verwijs ik naar hetgeen hiervoor is opgemerkt naar aanleiding van het eerste middelonderdeel: zonder miskenning van het recht kon het Hof oordelen dat van een jegens verzoeker in verband met het Rotterdamse onderzoek aangevangen vervolging geen sprake is geweest, nu niet is gebleken van een jegens verzoeker ingesteld gerechtelijk vooronderzoek bij de Rechtbank aldaar, en evenmin, naar uit 's Hofs vaststelling van het procesverloop volgt, van enige andere handeling waardoor een rechter uit die Rechtbank in een op verzoekers handelen gericht onderzoek is betrokken.

34. Onjuist acht ik ten slotte ook de in de toelichting op het middel nog opgenomen klacht dat een beroep op strijdigheid met 'enig beginsel van behoorlijk bestuur' ongemotiveerd is verworpen. Dienaangaande heeft het Hof overwogen dat

"niet [valt] in te zien dat de door het openbaar ministerie gemaakte keuze om eerst na een nader (gerechtelijk) vooronderzoek jegens de in het arrondissement 's Hertogenbosch woonachtige verdachte hem te vervolgen voor feiten, die (deels in het arrondissement 's Hertogenbosch) gepleegd zijn in samenhang met een Rotterdamse dadergroepering - mede in het licht van hetgeen hiervoor reeds is overwogen - in strijd is met enig beginsel van behoorlijk bestuur".

35. Hiermee heeft het Hof vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat het openbaar ministerie, door verzoeker in het arrondissement 's Hertogenbosch te vervolgen, misbruik van zijn vervolgingsbevoegdheden heeft gemaakt, dat niet gezegd kan worden dat het besluit verzoeker aldaar te vervolgen slechts in willekeur is genomen, en dat ook overigens niet is gebleken dat beginselen van een behoorlijk bestuur jegens verzoeker zijn geschonden.

Dat oordeel is niet onbegrijpelijk - waarbij overigens opmerking verdient dat de verdediging, blijkens de overgelegde pleitnotities en het proces-verbaal der terechtzitting, niet nader heeft aangeduid welk beginsel van behoorlijk bestuur geschonden zou zijn - en de verwerping van het verweer is ook in dit opzicht voldoende met redenen omkleed.

36. Het middel faalt derhalve in al zijn onderdelen.

37. In het tweede middel is de klacht te vinden dat het Hof ten onrechte het verweer heeft verworpen dat een verklaring van zekere [getuige], inhoudende een herkenning van verzoeker aan de hand van een aan [getuige] getoonde foto, voor het bewijs niet bruikbaar is.

Blijkens de toelichting op dit middel wordt beoogd erover te klagen dat die verklaring niet tot bewijs gebruikt had mogen worden zonder dat, in het licht van het gevoerde verweer, nader te motiveren.

38. Bedoelde verklaring van [getuige], onder nummer 5 bij de bewijsmiddelen opgenomen, luidt:

"Ik sprak in mijn verklaring met betrekking tot de derde levering over een man die geld kwam brengen en die tevens zei dat het niet gelukt was om een bestelbus te regelen. Ik heb toen gezien dat door die man aldaar aan [betrokkene A] geld werd overgedragen. Dit gebeurde in een tasje en/of enveloppe. De betreffende man heb ik in de auto zien zitten. Hij zat alleen in die auto.

U toont mij een map, inhoudende foto's van verdachten met als documentcode GBO11.AHM.

De persoon afgebeeld door U genummerd 8 lijkt op de man die ik kort gezien heb op de parkeerplaats en in die auto zag zitten."

Uit de bewijsmiddelen 6 en 7 volgt dat de in deze verklaring bedoelde foto verzoeker voorstelt.

39. In de toelichting op het middel wordt er op gewezen dat [getuige] in een niet door het Hof weergegeven deel van dezelfde verklaring heeft gezegd dat hij er niet voor honderd procent zeker van kon zijn dat die persoon 'het is geweest', en dat namens verzoeker in hoger beroep is aangevoerd dat [getuige] bij gelegenheid van een eerder verhoor een andere persoon heeft aangewezen als te zijn afgebeeld op dezelfde foto nummer 8.

40. Zoals het Hof de tot bewijs gebezigde verklaring van [getuige] heeft weergegeven is daarin niet te vinden dat [getuige] met stelligheid zou hebben gezegd dat verzoeker op foto 8 was afgebeeld, maar dat de op die foto afgebeelde persoon lijkt op de man die hij kort op een parkeerplaats in een auto had zien zitten. Er kan dus niet worden volgehouden dat het Hof deze verklaring zodanig heeft weergeven dat zij een andere betekenis heeft gekregen dan [getuige] daaraan kennelijk heeft willen hechten.

41. Klaarblijkelijk heeft het Hof in de door de verdediging aangevoerde omstandigheid dat [getuige] in een eerder afgelegde verklaring een andere persoon heeft aangewezen als te zijn afgebeeld op de desbetreffende foto geen belemmering gezien diens verklaring dat de foto van verzoeker gelijkenis vertoont met de man die hij op de parkeerplaats in een auto had zien zitten voor het bewijs bruikbaar te achten.

42. Vooropgesteld zij dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, terwijl diens oordeel daaromtrent in beginsel geen andere motivering behoeft dan besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen.

Uit wettelijke bepalingen (vgl. art. 360 lid 1 Sv) of in de rechtspraak omschreven uitzonderlijke omstandigheden kan voortvloeien dat een nadere motivering ten aanzien van de bruikbaarheid van bewijsmateriaal geboden is.

Het door de verdediging aangevoerde, waarnaar in de toelichting op dit middel wordt verwezen, behelsde evenwel niet meer dan een betwisting van de betrouwbaarheid van de bewuste, door [getuige] afgelegde, verklaring door te wijzen op hetgeen die persoon eerder in andere zin (voor zover hij aan de hand van dezelfde foto een andere persoon zou hebben aangewezen) zou hebben verklaard. Dat is geen verweer ten aanzien van het bewijs dat geëigend of toereikend is om een verplichting tot nadere motivering te doen ontstaan indien de rechter het verweer wenst te passeren.

43. Aldus ten overvloede merk ik nog het volgende op. Uit bewijsmiddel 4 (weer een andere verklaring van [getuige]) blijkt dat [getuige] heeft verklaard dat hij heeft bemiddeld bij het afnemen van een grote hoeveelheid BMK, waartoe een afspraak was gemaakt ingevolge welke op 1 mei 1996 naast [getuige] zekere [betrokkene A] (die de BMK zou afnemen), [betrokkene C] (die de BMK zou leveren), diens zoon [betrokkene B] en zekere [betrokkene D] zijn samengekomen in Hoofddorp. Daar voegde, naar [getuige] waarnam, zich een man bij het gezelschap die meedeelde dat het niet gelukt was om een bestelbus te regelen, aan [betrokkene A] een enveloppe met een geldbedrag overhandigde, en vroeg of de levering de daaropvolgende dag kon plaatsvinden. Die man zou dan voor een bestelbus zorgen. De volgende dag is hetzelfde gezelschap (minus laatstbedoelde, [getuige] niet bekende man maar aangevuld met de hem evenmin bekende chauffeur van een bestelbus) weer in Hoofddorp bijeengekomen, waarna er, voor zover [getuige] wist, twee vaten BMK in de bestelbus zijn geladen.

Uit de bewijsmiddelen 1 en 2, observatieverslagen van verbalisanten, blijkt dat op 1 mei is waargenomen dat de door [getuige] bij name genoemde personen inderdaad in Hoofddorp bij elkaar zijn geweest, dat [betrokkene D] om 11.00 uur en om 11.17 uur een telefooncel is binnengegaan en nadien van PTT Telecom verkregen inlichtingen uitwezen dat vanuit die telefooncel om 11.03 uur en 11.17 uur is gebeld naar een telefoonnummer ten name van verzoeker. Voorts blijkt daaruit dat [betrokkene D] vervolgens een aantal minuten heeft gezeten, naast de bestuurder, in een auto die kort tevoren daar was geparkeerd. Omtrent die auto is vastgesteld dat zij door verzoeker is gekocht (bewijsmiddel 11), en dat verzoeker er ook de beschikking over had (bewijsmiddel 12).

44. Deze bewijsmiddelen geven steun aan de verklaring van [getuige] waarop dit middel doelt, voor zover daarin te vinden is dat op de [getuige] getoonde foto van verzoeker de man was afgebeeld die leek op degene die [getuige] op 1 mei 1996 heeft gezien en die toen meedeelde dat het niet gelukt was een bestelbus te regelen.

Hierbij wijs ik er ook nog op dat uit diens als bewijsmiddel 4 gebezigde verklaring volgt dat [getuige] heeft verklaard dat bij de hem bekende personen, in wier gezelschap hij toen verkeerde, ook [betrokkene D] aanwezig is geweest, degene die hij volgens de verdediging bij een andere gelegenheid zou hebben aangewezen als te zijn afgebeeld op de bewuste foto.

Bij deze stand van zaken is er geen enkele reden om 's Hofs oordeel, dat waarde gehecht kan worden aan de als bewijsmiddel 5 gebruikte verklaring van [getuige], minder begrijpelijk te noemen.

Het middel faalt.

45. De middelen falen, en naar mijn inzicht leent in ieder geval het tweede middel zich voor afdoening met de in artikel 101a RO bedoelde motivering. Nu ik ambtshalve geen gronden tot cassatie heb aangetroffen, concludeer ik tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,