Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2760

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
13-09-2001
Zaaknummer
03084/00 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2760
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 469
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 03084/00 B

Zitting 10 april 2001

Conclusie inzake:

[Verzoeker=klager]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij beschikking van 25 augustus 2000 heeft de rechtbank te Groningen het klaagschrift tegen het uitblijven van een last tot teruggave van een inbeslaggenomen auto niet ontvankelijk verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr Ossentjuk, advocaat te Emmen, beroep in cassatie ingesteld. Een schriftuur met middelen is niet ingekomen.

3. Van de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank op 23 augustus 2000 is geen decent proces-verbaal opgemaakt; wel bevindt zich een stuk, getiteld `verhoor klager ter terechtzitting', inhoudende dat dit een proces-verbaal is, en verder bevattende handgeschreven, sterk afgekorte, (klad)notities van de griffier, mede ondertekend door de rechter. Voor zover Uw Raad van oordeel is dat dit als een proces-verbaal mag worden beschouwd - welk oordeel op grond van Uw uitspraken van 27 februari 2001, nr 4065 B en 14 november 2000, nr. 02143/99 B anders zou kunnen uitvallen - ga ik over tot de bespreking van de zaak.

4. De rechtbank heeft als grond voor de niet-ontvankelijkheid van het klaagschrift genomen de omstandigheid dat in de onderhavige zaak reeds op 26 mei 2000 uitspraak was gedaan: het voorwerp diende aan de andere klager teruggegeven te worden. Daarmee was een einde gekomen aan het beslag, zodat er geen plaats meer is voor een verzoek ex art. 552a.

5. De stukken leren het volgende.

a) Op 14 augustus 1999 werd door verzoeker aangifte gedaan van diefstal van zijn Opel Cabrio.

b) Op 26 november 1999 heeft mr Ossentjuk zich bij brief tot de officier van Justitie gewend met het verzoek tot teruggave van een voorwerp dat verzoeker voor het grootste deel als zijn auto herkende.

c) Bij brief van 8 mei 2000 wendde mr Ossentjuk zich tot de strafgriffie van de rechtbank te Groningen omtrent het van het OM ontvangen bericht dat [betrokkene A] een verzoek tot opheffing van het beslag op diens auto had ingediend, in welke brief een verzoek is gedaan als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv te worden gehoord.

d) Bij brief van 13 juni 2000 zend mr Ossentjuk een klaagschrift ex art. 552a Sv, waarvan de ontvangst bij brief van 16 juni 2000 wordt bevestigd.

e) Verzoeker wordt bij brief van 17 augustus 2000 op-geroepen voor de zitting van de raadkamer van de rechtbank op 23 augustus 2000.

6.

a) Namens [betrokkene A], onder wie de auto in beslag was genomen, heeft mr Keuning zich op 3 januari 2000 gewend tot de officier van Justitie met een verzoek tot teruggave.

b) Dit werd gevolgd door een klaagschrift van 1 februari 2000, gericht tot de rechtbank.

c) Op spoedige behandeling ervan werd aangedrongen bij brief van 22 februari 2000.

d) Bij brief van 20 maart 2000 werd [betrokkene A] opgeroepen voor de behandeling van het klaagschrift door de rechtbank op 29 maart 2000.

e) Ter zitting doet de officier van Justitie het voorstel de behandeling aan te houden voor 4 à 6 weken omdat er veel aanwijzingen waren dat verzoeker in raadkamer gehoord zou moeten worden, en aanvullende informatie nodig is met name over de vraag welke onderdelen van de auto van [betrokkene A], en welke van die van verzoeker waren.

f) Bij beslissing van 31 maart 2000 wordt de behandeling aangehouden voor de duur van 6 weken, waarbij de stukken in handen van de officier worden gesteld voor nader onderzoek naar de herkomst van de auto en de eigendomspositie van resp. [betrokkene A] en verzoeker omtrent (onderdelen) van de auto.

g) Op 10 mei 2000 wordt het onderzoek in raadkamer voortgezet, waarbij melding wordt gemaakt van bovengenoemde brief van mr Ossentjuk, waarin hij verzoekt als belanghebbende te worden gehoord. De oproeping van verzoeker is echter niet behoorlijk geschied, hetgeen de officier doet concluderen dat gezien de gecompliceerdheid van de zaak alle belanghebbenden de gelegenheid dienen te krijgen hun standpuntgen naar voren te brengen; de zaak wordt verdaagd tot de zitting van 24 mei 2000.

h) Op dezelfde 10e mei 2000 stelt verbalisant Goris een onderzoek in naar de identiteit van een uit het Van Starkenborghkanaal nabij Groningen op 6 mei 2000 opgevist en sterk ontmanteld wrak van een Opel Cabrio. Via het VIN komt vast te staan dat het kenteken bij dat voertuig de auto betrof waaromtrent verzoeker aangifte van diefstal heeft gedaan, terwijl ontmantelde onderdelen op de auto die onder [betrokkene A] in beslag was genomen, werden aangetroffen.

i) Bij brief van 16 mei 2000 stelt mr Keuning de Staat der Nederlanden aansprakelijk voor de schade onder meer ten gevolge van de onzorgvuldige bewaring van de auto, die inmiddels onder roestvorming te lijden heeft gehad en zware aanrijdingsschade heeft opgelopen.

j) Over het verdere verloop van het klaagschrift van [betrokkene A] bevinden zich in het dossier geen officiële stukken, maar de bestreden beschikking maakt melding van de teruggave van het voertuig aan [betrokkene A] bij beslissing van 26 mei 2000.

7. Fraai kan ik het niet vinden om een beslissing te nemen in een zaak waarin zich een belanghebbende ex art. 552a Sv heeft gemeld, zonder deze belanghebbende te horen. Formeel is het echter zo dat het klaagschrift pas op 14 juni 2000 ter griffie is ontvangen. Of de vondst van het wrak van verzoekers auto de beslissing van de rechtbank tot teruggave van de omgekatte en in het bezit van [betrokkene A] aangetroffen (andere) auto heeft beïnvloed blijft op dit moment gissen.

8. De door de rechtbank gegeven motivering van haar beslissing is in overeenstemming met de in HR 25 oktober 1966, NJ 1967, 176 gegeven regel dat voor derden geen beklag meer openstaat indien een inbeslaggenomen voorwerp conform de wettelijke hoofdregel is teruggeven aan degene onder wie het voorwerp in beslag is genomen (zie Wöretshofer, T&C Sv, 3e, aant. 3b op art. 552a). Zij geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

9. Een schrale troost is, dat de uitkomst van de strafvorderlijke beklagprocedure over inbeslaggenomen voorwerpen niet prejudicieert op civielrechtelijke vorderingen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG