Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2733

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
30-08-2001
Zaaknummer
03651/00 U
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2733
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 352
NJ 2001, 467
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03651/00 U

mr N. Keijzer

zitting 27 maart 2001

conclusie inzake

[Verzoeker = verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 15 september 2000 heeft de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam de uitlevering van [verdachte], door de Franse autoriteiten verzocht ter strafvervolging ter zake van de feiten omschreven in het bevel tot aanhouding van Christine MOREAU, juge d'instruction, nr. 98008952C van 15 februari 2000, toelaatbaar verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [verdachte] cassatieberoep ingesteld. Namens hem heeft mr J. Sjöcrona, advocaat te 's-Gravenhage, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt de klacht in dat de Rechtbank heeft verzuimd de feiten met betrekking waartoe zij de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard met voldoende duidelijkheid te vermelden.

4. Het zich bij de stukken bevindende uitleveringsverzoek houdt voorzover voor de beoordeling van het middel van belang in:

"l'Ambassade de France présente ses compliments au Ministère de la Justice et a l'honneur de lui adresser les pièces originales concernant la demande d'extradition formée par la France contre [verdachte], né le [geboortedatum] 1964 à [geboorteplaats] (Maroc), objet d'un mandat d'arrêt délivré le 15 février 2000 par Mlle MOREAU, juge d'instruction au Tribunal de Grande Instance de Chalons en Champagne, pour des faits de direction ou organisation d'un groupement ayant pour objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre, la cession, l'acquisition de stupéfiants en bande organisée, offre, cession et détention de produits stupéfiants."

5. In het zich eveneens bij de stukken bevindende mandat d'arrêt, van Christine MOREAU, juge d'instruction, nr. 98008952C van 15 februari 2000, worden de feiten waarvan [verdachte] wordt verdacht als volgt omschreven:

"Direction ou organisation d'un groupement ayant pour objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre, la cession, l'acquisition et l'exportation de stupéfiants en bande organisée. Faits commis au Pays Bas et sur le territoire de la République Française depuis courant 1997 (héroïne, et cocaïne) (...)

Supplétif du 18 octobre 1999:

Direction ou organisation d'un groupement ayant pour objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre ou la cession, l'acquisition et l'emploi illicite de stupéfiants depuis le 26 avril 1999

Exportation illicite de stupéfiants commise en bande organisée depuis 1997

Offre, cession, d'etention de produits stupéfiants depuis 1997 (...)"

6. Als bijlage bij het uitleveringsverzoek is door de verzoekende staat onder andere overgelegd een exposé des faits, hetwelk ter zake van de feiten waarvan [verdachte] wordt verdacht kort gezegd inhoudt dat [verdachte] vanuit zijn woning te [woonplaats] grote hoeveelheden verdovende middelen (heroïne en cocaïne) heeft verkocht, dat hij geassocieerd was met anderen, dat hij in die organisatie behoorde tot degenen die beslissingsbevoegdheid bezaten, en dat die organisatie in staat was om koeriers naar Frankrijk te sturen ter aflevering van aanzienlijke hoeveelheden heroïne. Zo was in november 1998 een koerier erin geslaagd 900 gram heroïne, verborgen in een reservewiel, binnen te brengen op het terrein van Eurodisneyland te Marne la Vallée, waar hij de heroïne had overhandigd. Ik ga ervan uit dat de voorzitter van de Rechtbank, toen hij ter zitting de korte inhoud mededeelde van het uitleveringsverzoek en van het mandat d'arrêt, daarbij die van het exposé des faits zal hebben betrokken.

7. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft de Rechtbank het mandat d'arrêt aldus opgevat dat daarin de verdenking is neergelegd dat [verdachte] in Nederland en op Frans grondgebied:

* sedert 26 april 1999 leiding heeft gegeven aan een 'groupement' die tot doel had: 'objet la production, la fabrication, l'importation, l'exportation, le transport, la détention, l'offre ou la cession, l'acquisition et l'emploi illicite de stupéfiants' (te weten: heroïne en cocaïne);

* sedert 1997 zich heeft schuldig gemaakt aan 'exportation illicite de stupéfiants (te weten: heroïne en cocaïne) commise en bande organisée'; en

* sedert 1997 zich eveneens heeft schuldig gemaakt aan 'offre, cession, détention de produits stupéfiants' (te weten: heroïne en cocaïne).

8. Omdat in het mandat d'arrêt de vermelding van de feiten, behoudens de opgave van tijd en plaats, in slechts kwalificatieve termen is gesteld heeft de Rechtbank, door de uitlevering toelaatbaar te verklaren ter strafvervolging ter zake van de feiten omschreven in het bevel tot aanhouding van Christine MOREAU, juge d'instruction, nr. 98008952C van 15 februari 2000, de feiten waarvoor de uitlevering kan worden toegestaan, in het licht van art. 14 Europees uitleveringsverdrag niet naar de eis van art. 28, derde lid, Uitleveringswet met voldoende duidelijkheid vermeld. Vgl. HR 6 oktober 1998, NJ 1998, 916 en HR 28 juni 1977, NJ 1978, 405.

9. Het middel, voorzover het daarover klaagt, is derhalve terecht voorgesteld.

10. In de toelichting op het middel onder 2.10 is een klacht vervat die niet is gericht tegen de vermelding door de Rechtbank van de feiten met betrekking waartoe de uitlevering kan worden toegestaan, maar kennelijk tegen het oordeel van de Rechtbank dat de aan [verdachte] verweten feiten zoals vermeld in het mandat d'arrêt onder meer opleveren, naar Nederlands recht, het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Deze klacht vormt derhalve eigenlijk een afzonderlijk middel. Ik begrijp de klacht aldus dat wordt betoogd dat uit het mandat d'arrêt niet blijkt dat de 'groupement' het in art. 140 Sr bedoelde oogmerk had van het plegen van misdrijven (meervoud),(1) en dat daarom het oordeel van de Rechtbank nadere motivering behoeft.

11. Deze klacht ziet eraan voorbij dat uit het exposé des faits kan worden afgeleid, zoals de Rechtbank kennelijk heeft gedaan, dat de organisatie waaraan [verdachte] deelnam het oog had op het zenden van méér dan één koerier en dus op het plegen van méér dan één misdrijf. Deze klacht faalt derhalve.

12. Ambtshalve heb ik geen reden aangetroffen waarom de bestreden uitspraak niet in stand zou mogen blijven. Het eerste middel gegrond achtende concludeer ik dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen doch uitsluitend voorzover daarbij is verzuimd de feiten waarvoor de verzochte uitlevering kan worden toegestaan naar behoren te vermelden, dat Uw Raad, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, die feiten zal vermelden door niet slechts te verwijzen naar het door de verzoekende staat overgelegde mandat d'arrêt maar tevens naar het overgelegde exposé des faits, en dat hij het beroep voor het overige zal verwerpen.

Voor de Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Waarnemend Advocaat-Generaal

1 Vgl. M.J.H.J. de Vries-Leemans, Art. 140 Wetboek van Strafrecht, diss. Tilburg 1995, blz. 44-49.