Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2680

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2001
Datum publicatie
29-11-2001
Zaaknummer
00385/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2680
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 435
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 00385/00

Zitting 20 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Verzoeker is door de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij vonnis van 17 augustus 1999 ter zake van "zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat voeren" veroordeeld tot een geldboete van ƒ 360,- subsidiair 7 dagen hechtenis.

2. Van verzoeker is een schriftuur ingekomen, hou-dende een viertal grieven.

3. De eerste grief houdt in dat de overweging dat een publicatiefout van de uitgever dan wel de adverteerder iemand tot wetsovertreder maakt in strijd met het recht is en de beslissing niet kan dragen. Ik begrijp deze grief aldus dat deze zich richt tegen de verwerping van het namens verzoeker in hoger beroep gedane beroep op afwezigheid van alle schuld.

4. Ten laste van verzoeker is bewezenverklaard dat:

"hij op 14 november 1997 te Noordwijkerhout, zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel van advocaat heeft gevoerd, immers stond zijn onder-neming (eenmanszaak) in de telefoongids van de PTT vermeld als "Advocatenkantoor [...]" (, zulks terwijl hij niet de titel van advocaat mocht voeren)."

5. Het namens verzoeker gevoerde verweer dat sprake is van afwezigheid van alle schuld is door de rechtbank als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld. In dit verband is aangevoerd dat niet verdachte, maar de uitgever van het telefoonboek de vermelding 'advocatenkantoor' aan de naam heeft toegevoegd. Nu echter verdachte, naar eveneens is gesteld, heeft verzocht het bedrijf op te nemen onder de rubriek advocaten, heeft hij deze gang van zaken zelf in de hand gewerkt. Reeds om die reden dient het beroep op afwezigheid van alle schuld te worden verworpen."

6. De rechtbank gaat kennelijk uit van de juistheid van het namens verzoeker gehouden betoog dat hij niet heeft opgegeven dat zijn bedrijf onder het verzamelhoofd "advocatenkantoor" als "Advocatenkantoor [...] " dient te worden geregisterd in het telefoonboek, maar dat hij heeft opgegeven dat zijn onderneming genaamd "[...] en Informatie" onder het verzamelhoofd "advocatenkantoor" moet worden vermeld.

7. Dat verzoeker door zodanige opgave in de hand zou hebben gewerkt dat de benaming "Advocatenkantoor" aan de naam van zijn onderneming zou worden toegevoegd, vermag ik niet in te zien. Hij mag er immers vanuit gaan dat de registratie overeenkomstig zijn opgave zal plaatsvinden. Deze overweging kan de verwerping van het beroep op afwezigheid van alle schuld derhal-ve niet dragen. Verzoeker klaagt hier terecht over.

8. Ik meen de tweede grief aldus te moeten begrijpen dat verzoeker zich erop bedoelt te beroepen dat zijn bedrijf al 16 jaar lang probleemloos in het telefoon-boek is vermeld onder de rubriek "advocatenkantoor". Nu dit aspect ter terechtzitting in hoger beroep namens verzoeker niet aan de orde is gesteld, kan er in cassatie niet met succes over worden geklaagd dat de beslissing van de rechtbank in het licht van die om-standigheid onjuist althans ontoereikend gemotiveerd zou zijn.

9. De derde grief berust op een onjuiste lezing van het vonnis van de rechtbank. De rechtbank heeft haar oordeel of het feit strafbaar is niet doen berusten op "de persoon van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd", maar heeft deze aspecten mede ten grondslag gelegd aan de strafoplegging. Deze grief faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

10. De vierde grief miskent dat ingevolge art. 95 RO in cassatie slecht kan worden geklaagd over handelingen of beslissing van de rechter. Deze grief kan derhalve niet worden aangemerkt als een middel van cas-satie in de zin van art. 437, tweede lid, Sv (vgl. HR 4 juli 2000, NJ 2000, 581).

11. Ambtshalve wil ik de aandacht vragen voor het volgende. Door het woord "Advocatenkantoor" in de naam van een bedrijf te gebruiken wordt bij het publiek de indruk gewekt dat degene die dat bedrijf uitoefent gerechtigd is tot het voeren van de titel advocaat (vgl. HR 25 januari 2000, NJ 2000, 242). Dat is de kern van het verwijt dat in de tenlastelegging en bewezenverklaring aan verzoeker wordt gemaakt.

12. Zoals hiervoor onder 6 reeds is overwogen, is de rechtbank er bij de bespreking van het beroep op afwezigheid van alle schuld vanuit gegaan dat verzoeker heeft opgegeven dat hij zijn bedrijf in het telefoon-boek onder het verzamelhoofd "advocatenkantoor" geregistreerd wenste te zien onder de naam "[...]" en dat hij niet heeft opgegeven dat zijn onderneming de naam "Advocatenkantoor [...]" draagt. Als een ander het woord "Advocatenkantoor" ten onrechte aan de bedrijfsnaam toevoegt is het lichtelijk ongerijmd dat aan verzoeker vervolgens terecht het verwijt kan worden gemaakt dat hij de titel advocaat heeft gevoerd doordat zijn bedrijf met de naam "Advocatenkantoor [...]" werd vermeld. Dat verwijt wordt hem in de bewezenverklaring echter wel gemaakt. De overwegingen van de rechtbank inzake de strafbaarheid van verzoeker zijn derhalve strijdig met hetgeen zij daaraan voorafgaand heeft bewezenverklaard.

13. Het antwoord op de vraag of verzoeker geacht kan worden zonder daartoe gerechtigd te zijn de titel ad-vocaat te hebben gevoerd door zijn onderneming te laten vermelden in het telefoonboek onder het verzamelhoofd "Advocatenkantoor" is - gelet op de redactie van de tenlastelegging zoals die thans luidt - in het verband van de onderhavige zaak niet relevant. Met andere woorden: verzoeker kan wel worden verweten dat hij zonder daartoe gerechtigd te zijn, zijn onderneming onder de rubriek Advocatenkantoren vermeld heeft willen zien en een dergelijke vermelding in het verleden ook heeft bewerkstelligd (- welk verwijt ik niet van strafbaarheid wil uitsluiten -), maar dìt verwijt is in de tenlastelegging niet tot uitdrukking gebracht.

14. Voorts wijs ik er nog op dat de gebezigde bewijsmiddelen niets behelzen waaruit blijkt dat het bewezenverklaarde feit op 14 november 1997 zou zijn begaan.

15. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Gravenhage opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG