Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2667

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-05-2001
Datum publicatie
23-08-2001
Zaaknummer
02854/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2667
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 348
Wetboek van Strafvordering 366
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 351
NJ 2001, 440
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02854/00

Mr. Machielse

Zitting: 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij arrest van 4 april 1995 is verzoeker door het gerechtshof te Arnhem veroordeeld ter zake van - kort gezegd - bijstandsfraude, meermalen gepleegd, tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken.

2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ambtshalve vestig ik de aandacht op het volgende. Verzoeker is in hoger beroep bij verstek veroordeeld. Op 25 mei 2000 heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Uit het dossier kan niet volgen dat door of namens het OM - na de datum van het gewezen arrest - ook maar enige poging is gedaan tot betekening van een verstekmededeling aan verzoeker, evenmin dat verzoeker daartoe door het OM op de zogenoemde opsporingslijst is geplaatst. In het zogeheten "executiemapje" bevindt zich namelijk geen enkel stuk dat hierop betrekking heeft. Navraag bij een medewerkster van het parket strafzaken van het hiervoor genoemde hof, bevestigde mij dat er inderdaad geen pogingen tot betekening als evenbedoeld zijn gedaan. De vraag rijst derhalve ambtshalve of te dezen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, en, zo ja, voor wiens rekening die dient te komen, alsook met welk gevolg.

4. In verband met het voorstaande is van belang of verzoeker, die blijkens de akte hoger beroep kennis heeft gedragen van de tegen hem ingestelde vervolging, heeft nagelaten op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of heeft nagelaten ervoor te zorgen - op enigerlei wijze - dat voor hem bestemde post hem ook daadwerkelijk zou bereiken, althans dat hij van de inhoud daarvan - op enigerlei wijze - op de hoogte zou kunnen geraken.(1) Uit het ten behoeve van de aanzegging rechtsdag in cassatie door mij opgevraagde historisch adressenoverzicht van verzoeker volgt in dit verband dat verzoeker:

- vanaf 4 april 1995 tot 20 november 1995 in Arnhem een GBA-adres heeft gehad;

- op 20 november 1995 uit Nederland is vertrokken met onbekende bestemming;

- van 10 januari 1996 tot en met 2 juni 1996 in Arnhem een GBA-adres heeft gehad;

- op 2 juni 1996 tot in elk geval 13 oktober 2000 wederom is vertrokken naar het buitenland en hij, gelet op het toevoegsel "E", klaarblijkelijk in den vreemde is geëmigreerd. Op 19 oktober 2000 kwam verzoekers naam evenmin voor in het Vestigingsregister, gelet op de daarvan afkomstig zijnde door mij opgevraagde informatie.

5. In het eerste jaar na zijn veroordeling in hoger beroep heeft het OM van verzoeker dus slechts anderhalve maand niet de beschikking gehad over een bekend GBA-adres, alwaar de verstekmededeling aan hem, al dan niet in persoon, had kunnen worden uitgereikt, dan wel betekend op de voet van art. 588 lid 2 of lid 3 Sv. Van een betekening aan verzoeker conform art. 588 lid 3 sub c Sv blijkt evenwel evenmin.

6. Uit het voorgaande volgt dat - hoe dan ook - te dezen sprake is geweest van een total inactivity van het OM voor de duur van 5 jaar en anderhalve maand.

7. Vaste rechtspraak is dat een overschrijding van de redelijke termijn in de regel behoort te leiden tot strafvermindering. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging is slechts in uitzonderlijke gevallen plaats. Toch meen ik dat zich hier een zodanig uitzonderlijk geval voordoet. Daarbij neem ik, naast het vorenoverwogene onder 6., in het bijzonder nog aanmerking de gedateerde periode waarop de tenlastelegging ziet - zijnde de periode van 1 januari 1991 tot en met 31 mei 1993 - alsmede de respectievelijke zwaarte van de verweten feiten en de respectievelijke hoogte van de strafoplegging.(2)

8. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 HR NJ 2000, 721, m.nt. JdH. Vgl. in dit verband ook HR NJ 1997, 6 m.nt. Sch. en HR NJ 1983, 660.

2 Vgl. HR DD 93.133, waarin de Hoge Raad eveneens wegens undue delay tot een niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie kwam, maar waarin - anders dan in casu - minst genomen nog sprake was van twee betekeningen verstekmededelingen, waarvan de eerste mislukte, zij het dat daar sprake was van een inactivity voor de duur van ruim negen jaar en zij het dat de verdachte in die zaak veel langduriger over een bekend GBA-adres beschikte. Vgl. voorts HR DD 93.145, waarin minst genomen eveneens sprake was van een betekening verstekmededeling (niet in persoon), dus waarin het OM eveneens nog enige activiteiten ontplooide.