Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD2033

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
01-08-2001
Zaaknummer
02740/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD2033
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 506
NJ 2001, 603
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02740/00

Mr Machielse

Zitting 13 maart 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. De rechtbank te Haarlem heeft verdachte op 4 februari 2000 voor een snelheidsovertreding veroordeeld tot een geldboete van 1020 gulden en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid

2. Mr. M.F.A. Dankbaar, advocaat te Haarlem, heeft cassatie ingesteld. Mr. G.J. van Oosten, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Het middel strekt ten betoge dat de uitreiking van de inleidende dagvaarding niet overeenkomstig de regels is geschied, omdat de dagvaarding naar het adres van verdachte in Engeland verzonden had moeten worden.

3.1. De steller van het middel begint met een klacht over de gedachten die de rechtbank aan de verbalisant heeft toegedicht maar het belang daarvan vermag ik niet in te zien. De kernvraag is evenwel volgens de steller van het middel of het openbaar ministerie niet gehouden was de dagvaarding te versturen naar het adres te [plaats A] in plaats van haar uit te reiken op het adres te [plaats C].

3.2. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen:

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd -onder verwijzing naar de betekeningsregeling van artikel 588 van het wetboek van strafvordering (Sv)- dat de dagvaarding in eerste aanleg nietig had moeten worden verklaard, omdat de uitreiking door toezending van de gerechtelijke mededeling door het openbaar minsterie hetzij rechtstreeks hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie achterwege is gebleven, zulks terwijl van de verdachte zijn feitelijk woonadres in het buitenland bekend was.

Voor de beoordeling van dit verweer gaat de appèlrechter van de volgende feiten en omstandigheden uit:

- bij zijn staandehouding op 19 april 1997 heeft de verdachte als postadres opgegeven het adres, waar zijn kantoor was gevestigd aan de [b-straat 1] te [plaats C];

- tevens heeft verdachte -zo valt op te maken uit de handgeschreven tekst op het mini-procesverbaal- opgegeven als adres van inschrijving:

[adres 1],

welk adres -kennelijk tengevolge van de slechte leesbaarheid daarvan in het mini-proces-verbaal - in het uitgewerkte proces-verbaal is vermeld als :

[adres 2];

- na controle bij het bevolkingsregister bleek verdachte aldaar onbekend;

- uit de in hoger beroep overgelegde verklaring van het Hoofd van de Consulaire Afdeling van Hr. Ms. Ambassade te Londen blijkt dat de verdachte op 12 april 1999 woonachtig was aan het adres : [adres 1], Verenigd Koninkrijk, terwijl uit een brief van 16 maart 1999 van de Inland Revenue Scotland eveneens blijkt dat zulks in elk geval op 16 maart 1999 ook het geval was;

- de dagvaarding voor de zitting van de kantonrechter te Haarlem van 17 februari 1998 is op 22 december 1997 uitgereikt aan de zich op het kantooradres van verdachte in [plaats C] bevindende [betrokkene D] die zich bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan verdachte te doen toekomen;

- verdachte is vervolgens op 17 februari 1998 door voornoemde kantonrechter bij verstek tot straf veroordeeld;

- op 7 mei 1998 is de mededeling uitspraak van voormeld vonnis aan verdachte in persoon uitgereikt op het hierboven vermelde door verdachte opgegeven post/kantooradres;

- op 12 mei 1998 is door een door verdachte bepaaldelijk gevolmachtigde advocaat hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis, waarbij deze advocaat als woonadres van verdachte heeft opgegeven verdachtes kantooradres, [b-straat 1] te [plaats C];

- de dagvaarding voor de zitting van de appèlrechter van 26 maart 1999 is op 21 december 1998 uitgereikt aan de zich op het hierboven genoemde kantooradres van verdachte in [plaats C] bevindende [betrokkene D] die zich andermaal bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan verdachte te doen toekomen;

- bij faxbrief van 4 februari 1999 heeft zich voor verdachte een raadsman gesteld, waarna op 24 maart 1999 aanhouding van de behandeling van de zaak is gevraagd;

- nadat de appèlrechter op 26 maart 1999 de behandeling van de zaak had aangehouden, is de oproeping van verdachte tegen de zitting van 21 januari 2000 ook uitgereikt aan de zich op het hierboven genoemde kantooradres van verdachte in [plaats C] bevindende [betrokkene D] die zich ook nu bereid verklaarde de brief in ontvangst te nemen en onverwijld aan verdachte te doen toekomen;

- nimmer is van de zijde van verdachte of één zijner raadslieden kenbaar gemaakt dat gerechtelijke brieven niet aan voormeld kantooradres van verdachte, maar aan een woonadres van verdachte in het buitenland zouden moeten worden uitgereikt;

Met juistheid stelt de raadsman dat voor de wetgever voorop heeft gestaan dat getracht moet worden de betekening van gerechtelijke stukken in persoon te laten plaatsvinden, zulks om de verdachte in de gelegenheid te stellen desgewenst van zijn aanwezigheidsrecht bij de behandeling van zijn zaak ter terechtzitting gebruik te maken.

Kennelijk is ook de verbaliserend politieambtenaar doordrongen geweest van het belang dat verdachte die

in Nederland niet in het bevolkingsregister stond ingeschreven, van zijn aanwezigheidsrecht gebruik kon maken, waartoe hij niet alleen het kantooradres van verdachte in Nederland als postadres in het miniproces-verbaal heeft vermeld, maar eveneens -zij het niet goed leesbaar- het woonadres van verdachte in het buitenland.

Ter beantwoording van de vraag, of de dagvaarding in eerste aanleg die is uitgereikt op de wijze, voorzien in artikel 588, derde lid, aanhef en onder a Sv aan de woon- of verblijfplaats van de verdachte, die niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens, op rechtsgeldige wijze is uitgereikt, dient de appèlrechter te onderzoeken of het kantooradres van verdachte als woon- of verblijfplaats van verdachte kan worden beschouwd.

Vooropgesteld dient te worden dat een kantooradres -behoudens in een geval waarin op grond van feiten of omstandigheden kan worden vastgesteld dat het kantooradres mede gebruikt wordt als woonadres- niet als woonadres kan worden aangemerkt. Op grond van het in de appelakte van 12 mei 1998 vermelde woonadres [b-straat 1] te [plaats C] zou kunnen worden geconcludeerd dat op de datum van het instellen van hoger beroep het kantooradres [b-straat 1] te [plaats C] tevens zijn woonadres was. Deze vaststelling rechtvaardigt evenwel niet de conclusie dat dat adres ook ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding in eerste aanleg het woonadres van verdachte was.

De appèlrechter is van oordeel dat het kantooradres van verdachte wel kan worden beschouwd als verblijfplaats van verdachte.

Daartoe overweegt de appèlrechter allereerst dat als uitgangspunt geldt dat een kantooradres in het algemeen een adres is waar een persoon gedurende een aanzienlijk deel van de week op tijden, waarop doorgaans de met de uitreiking van poststukken belaste PTT-ambtenaren gerechtelijke stukken uitreiken, verblijft en bereikbaar is.

In aanmerking genomen dat

a) verdachte, zoals hiervoor is vastgesteld het kantooradres aan de [b-straat 1] te [plaats C] bij zijn staandehouding heeft opgegeven als adres waarop hij bereikt kon worden;

b) -naar blijkt uit de diverse akten van uitreiking- de dagvaardingen in eerste aanleg en in hoger beroep en de oproeping in hoger beroep telkens zijn uitgereikt op dat adres aan [betrokkene D] (secretaresse) die zich telkens bereid heeft verklaard die gerechtelijke schrijvens in ontvangst te nemen en onverwijld aan verdachte te doen toekomen;

c) verdachte op 7 mei 1998 ook daadwerkelijk op dat adres verbleef;

d) verdachte in de appelakte van 12 mei 1998 dat adres als woonadres heeft opgegeven en

e)op de uitreiking van respectievelijk de dagvaarding en de oproeping voor de zittingen in hoger beroep op het adres [b-straat 1] in [plaats C] aan [betrokkene D] telkens een raadsman heeft gereageerd respectievelijk met een verzoek om uitstel namens verdachte en door als zijn uitdrukkelijk gemachtigde te verschijnen,

moet worden geconcludeerd dat het door verdachte opgegeven kantooradres aan de [b-straat 1] te [plaats C] ten tijde van de uitreiking van de dagvaarding in eerste aanleg als verblijfplaats kon gelden.

Voorts overweegt de appèlrechter naar aanleiding van het verweer nog het volgende.

Het door verdachte bij zijn staandehouding opgegeven woonadres in [plaats A] dat -naar de appèlrechter aanneemt- abusievelijk onjuist in het uitgewerkte proces-verbaal is vermeld, is door die onjuiste vermelding niet ter kennis gebracht van (het parket van) de officier van justitie.

Het openbaar ministerie was derhalve niet op de hoogte van verdachtes woonadres in [plaats A]. Onder die omstandigheden zou toezending van de dagvaarding aan het -onjuiste- adres van verdachte in [plaats A] geen zin hebben gehad. Voorzover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het openbaar ministerie in de gegeven omstandigheden een onderzoek had behoren in te stellen naar het juiste woonadres van verdachte in [plaats A], vindt die stelling geen steun in het recht.

De dagvaarding in eerste aanleg is mitsdien op de bij de wet voorgeschreven wijze en tijdig betekend.

3.3. Het proces-verbaal van verbalisant noemt het adres [te plaats C] van verdachte een "postadres". Ik veronderstel niet dat het ambtshalve bij verbalisant bekend was dat verdachte het adres [b-straat 1] te [plaats C] als postadres gebruikte. De aanduiding "postadres" heeft verbalisant dus klaarblijkelijk uit de mond van verdachte opgetekend. Een postadres is een adres waar men zijn post pleegt te ontvangen, via hetwelk men bereikbaar is. Een postadres in Nederland geldt als verblijfadres in Nederland.(1) Nu verdachte niet in een gemeentelijke administratie in Nederland was ingeschreven mocht uitgereikt worden op het (post)adres dat verdachte zelf had opgegeven en mocht het schrijven ook in handen gesteld worden van een daar aangetroffen persoon die zou zorgdragen voor overhandiging aan geadresseerde.(2) De inleidende dagvaarding is dus in zoverre correct betekend. Omdat verdachte op correcte wijze in eerste aanleg is opgeroepen doet zich niet een uitzondering op art.423 lid 2 Sv voor waardoor de rechter in eerste aanleg aan de behandeling ten gronde niet had mogen toekomen.(3)

3.4. Hoogstens zou men kunnen betogen dat de kantonrechter, nu verdachte een postadres in [plaats C] had opgegeven, maar ook had medegedeeld in [plaats A] ingeschreven te staan, een nader onderzoek had moeten instellen naar de houdbaarheid van het vermoeden dat verdachte er geen prijs op stelde ter zitting te verschijnen.(4) Dat de kantonrechter zo een onderzoek klaarblijkelijk niet heeft ingesteld noopte de rechtbank er echter niet toe de zaak terug te wijzen naar de kantonrechter. De rechtbank heeft gedaan wat zij moest doen; het vonnis van de kantonrechter vernietigen en zelf opnieuw recht doen, wat er ook zij van de overwegingen van de rechtbank die haar ertoe hebben gebracht het beroep op nietigheid van de inleidende dagvaarding niet te honoreren. De beslissing die de rechtbank heeft genomen is dus op zichzelf beschouwd juist. Daarom is het middel tevergeefs voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 HR NJ 1991,173 met leerzame conclusie van mijn ambtgenoot mr Fokkens.

2 Reijntjes, De dagvaarding in strafzaken, p.44.

3 HR NJ 1996,557; HR NJ 1997,566.

4 HR NJ 1997,348; HR NJ 1998,500.