Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD1865

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
15-11-2001
Zaaknummer
03277/00
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD1865
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering 421
Wetboek van Strafvordering 421
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2001, 508
NJ 2001, 604
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 03277/00

Zitting 29 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 9 mei 2000 ter zake van "zware mishandeling" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, het verrichten van 120 uren onbetaalde arbeid ten algemenen nutte in plaats van drie maanden gevangenisstraf en voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van ƒ 5194,57 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

2. Namens verzoeker heeft mr C.L. Kranendonk, advo-caat te Beverwijk, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt erover dat het hof ten onrechte niet is ingegaan op het verweer inzake de schadeclaim van de benadeelde partij dat niet is voldaan aan de criteria van art. 36f Sr, zodat het arrest van het hof ontoereikend is gemotiveerd.

4. Dit middel geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen. Allereerst heeft het hof in afwijking van de politierechter - hetgeen overigens verbazing wekt nu het de vordering van de benadeelde partij tot een fors bedrag heeft toegewezen en verzoeker ter terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2000 die vordering heeft betwist - niet de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr opgelegd, zodat verzoeker om die reden ieder belang bij het middel mist.

5. Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 april 2000 niet dat door of namens verzoeker een verweer is gevoerd als in het middel wordt betoogd. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2000, alwaar het onderzoek opnieuw is aangevangen in verband met de gewijzigde samenstelling van het hof, houdt weliswaar in dat mr Kranendonk een pleitnota heeft overgelegd, maar bij de stukken van het geding bevinden zich slechts pleitaantekeningen van mr Meindersma voor de terechtzitting van het hof van 8 juni 1999.

6. Desondanks meen ik er vanuit te mogen gaan dat op 25 mei 2000 de pleitaantekeningen die oorspronkelijk bestemd waren voor de zitting van 8 juni 1999 zijn overgelegd. In de eerste plaats is mr Meindersma blijkens de aanbiedingsbrief bij de cassatieschriftuur een kantoorgenoot van mr Kranendonk die op beide terechtzittingen in hoger beroep als verzoekers raadsman optrad, daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 1999 niet dat een pleitnota is overgelegd, terwijl ook de nummering van de stukken op de inventarislijst van het hof (het proces-verbaal van de terechtzitting van 8 juni 1999 staat als stuk 2 op de inventarislijst, de pleitaantekeningen als stuk 7 en het proces-verbaal van de terechtzitting van 25 april 2000 als stuk 8) erop duidt dat de pleitaantekening voor de zitting van 8 juni 1999 eerst ter terechtzitting van 25 april 2000 zijn overgelegd. Nu die pleitaantekeningen geen verweer behelzen als in het middel is bedoeld, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 april 2000 evenmin blijkt dat in aanvulling op de pleitnota een dergelijk verweer is gevoerd, ontbreekt het het middel naast belang tevens aan een feitelijke grondslag.

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 101a RO ontleende overweging.

8. Ambtshalve wil ik de aandacht van Uw Raad vestigen op een ander aspect betreffende de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. Blijkens het voegingsformulier als bedoeld in art. 51b, eerste lid, Sv heeft de benadeelde partij - zakelijk weergegeven - de volgende schadeposten opgevoerd:

schoenen ƒ 199,90

jack ƒ 198,00

spijkerbroek ƒ 109,95

gemiste overuren ƒ 1486,72

immateriële schade ƒ 5000,00

gebit ƒ 200,00

totaal ƒ 7194,57

De vordering heeft dus voor ƒ 2194,57 betrekking op materiële schade en voor ƒ 5000,00 op immateriële schade.

9. De politierechter heeft de vordering toegewezen tot een totaalbedrag van ƒ 7094,57. Nu de politie-rechter voorts heeft overwogen dat de gevorderde kosten ter zake van de kleding dienen te worden gematigd omdat de gevorderde kosten de nieuwwaarde betreffen, terwijl de beschadigde kleding reeds enige maanden oud was, moet worden aangenomen dat het toegewezen bedrag bestaat uit ƒ 2094,57 ter zake van materiële schade en ƒ 5000,- ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij is voor de resterende ƒ 100,- niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

10. Het hof heeft in zijn verkorte arrest onder het kopje "De vordering tot schadevergoeding" overwogen dat de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw ten aanzien van het afgewezen gedeelte van de vordering (bedoeld zal zijn: het gedeelte van de vordering dat niet-ontvankelijk is verklaard, NJ) heeft gevoegd.

11. Het hof heeft vervolgens de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van in totaal ƒ 5194,57, bestaande uit ƒ 2194,57 ter zake van materiële schade en ƒ 3000,- ter zake van immateriële schade. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

12. Nu de politierechter de vordering voor wat betreft de materiële schadevergoeding heeft toegewezen tot een bedrag van ƒ 2094,57 en de benadeelde partij in hoger beroep zijn vordering niet heeft gehandhaafd wat betreft het resterende deel van de gevorderde materiële schadevergoeding van ƒ 100,- waarin hij door de politierechter niet-ontvankelijk was verklaard, kon het hof ingevolge art. 421, tweede en derde lid, Sv ter zake van materiële schade een vergoeding toekennen met een maximum van ƒ 2094,57. Het hof heeft desondanks ten aanzien van de materiële schade de vordering toegewezen tot het oorspronkelijk in het voegingsformulier gevorderde bedrag van ƒ 2194,57. Aldus heeft het hof art. 421, tweede lid en derde, Sv geschonden, uit welke bepalingen mijns inziens niet slechts voortvloeit dat het hof in een geval als het onderhavige het totaalbedrag waarvoor de vordering door de rechter in eerste aanleg is toegewezen niet mag overschrijden, maar tevens dat de rechter in hoger beroep per schadepost geen hogere vergoeding mag toewijzen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan, indien de benadeelde partij zich niet in hoger beroep voegt voor het niet-toegewezen gedeelte.

13. Aangezien in 's hofs arrest het oordeel besloten ligt dat de vordering voor wat betreft de materiële schade geheel toewijsbaar is, kan Uw Raad alsnog doen hetgeen het hof had behoren te doen en de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde vergoeding ter zake van materiële schade toewijzen tot een bedrag van ƒ 2094,57.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, tot toewijzing van die vordering voor een totaalbedrag van ƒ 5094,57, te weten ƒ 2094,57 ter zake van materiële schade en ƒ 3000,- ter zake van immateriële schade, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG