Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2001:ZD1861

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2001
Datum publicatie
22-10-2001
Zaaknummer
03173/00 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2001:ZD1861
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen, Straatsburg, 21-03-1983
Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen 2
Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Brussel, 13-11-1991 3
Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Brussel, 13-11-1991 5
Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Brussel, 13-11-1991 8
Verdrag tussen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschap inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen, Brussel, 13-11-1991 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Mr Jörg

Nr. 03173/00/W

Zitting 29 mei 2001

Conclusie inzake:

[verdachte]

Edelhoogachtbaar College,

1. Bij uitspraak van 25 april 2000 heeft de arron-dissementsrechtbank te Amsterdam verlof verleend tot tenuitvoerlegging van het vonnis van het Landgericht Duisburg van 22 september 1998 en verzoeker ter zake van de bij dat vonnis bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden opgelegd.

2. Namens verzoeker heeft mr A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur twee middelen van cassa-tie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt erover dat de rechtbank ten onrechte het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (hierna: VOGP) heeft toegepast, aangezien de overdracht van de tenuitvoerlegging op basis van dat Verdrag uitsluitend kan plaatsvinden indien de veroordeelde zich nog in de staat van ver-oordeling bevindt, terwijl verzoeker zich door ontvluchting aan de verdere tenuitvoerlegging van de hem opgelegde straf in Duitsland heeft onttrokken.

4. Het VOGP voorziet in de tenuitvoerlegging van buitenlandse vonnissen ten aanzien van veroordeelden die zich op het grondgebied van de veroordelende staat bevinden en die in het kader van de overname van de tenuitvoerlegging van de staat van veroordeling naar de staat van tenuitvoerlegging worden overgebracht (vgl. Paridaens, De overdracht van de tenuitvoerlegging van strafvonnissen, 1994, p. 106). Nu verzoeker, zoals uit de bij het verzoek tot overname van de tenuitvoerlegging overgelegde stukken blijkt, zich reeds in Nederland bevond ten tijde van dat verzoek, biedt uitsluitend het VOGP een ontoereikende grondslag voor de overname van de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf door Nederland (vgl. HR 8 mei 2001, griffienummer 03164/00 W).

5. In hoofdstuk 5 van de Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (hierna: SUO) getiteld "Overdracht van tenuitvoerlegging van strafvonnissen" wordt blijkens het van dat hoofdstuk deel uitmakende art. 67 een aanvullende regeling op het VOGP gegeven. Die regeling is vervat in art. 68, eerste lid, SUO dat luidt:

"1. Een Overeenkomstsluitende Partij binnen wier grondgebied bij onherroepelijke uitspraak een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel is opgelegd aan een onderdaan van een andere Overeenkomstsluitende Partij, die zich door ontvluchting naar zijn eigen land aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van die straf of maatregel heeft onttrokken, kan aan laatstgenoemde Partij verzoeken om, wanneer de voortvluchtige op haar grondgebied is of wordt aangetroffen, de tenuitvoerlegging van de straf of maatregel of het restant daarvan over te nemen."

6. Art. 68, eerste lid, SUO geeft dus - indien aan de in die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan - een uitbreiding aan het toepassingsbereik van het VOGP.

7. Uit de door de veroordelende staat overgelegde stukken blijkt dat verzoeker Nederlands staatsburger is, dat hij bij onherroepelijke geworden uitspraak van het Landgericht Duisburg van 28 september 1998 is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf, van welke straf hij ten tijde van zijn ontvluchting in de nacht van 19 op 20 december 1998 in totaal 368 dagen had uitgezeten. Uit die stukken blijkt voorts dat verzoeker zich ten tijde van dat verzoek in Nederland bevond op het adres [adres] te [plaats].

8. Hieruit volgt dat is voldaan aan de eisen die in art. 68, eerste lid, SUO worden gesteld aan de uitbreiding van het toepassingsbereik van het VOGP, zodat de rechtbank dat Verdrag terecht heeft toegepast. Dat de verzoekende staat het verzoek tot overname van tenuitvoerlegging heeft gebaseerd op het Verdrag tus-sen de Lid-Staten van de Europese Gemeenschappen inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39) doet daar niet aan af.

9. Het middel is derhalve tevergeefs voorgesteld.

10. Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank ten onrechte haar uitspraak van 25 april 2000 heeft aangevuld met een op 14 september 2000 door de voorzitter ondertekend stuk, althans dat de uitspraak van de rechtbank van 25 april 2000 niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, nu de recht-bank heeft verzuimd te vermelden op welke stukken zij acht heeft geslagen en heeft nagelaten in haar uit-spraak een overzicht op te nemen van de feiten waar-voor verzoeker is veroordeeld en waarvoor de overname van de tenuitvoerlegging wordt verzocht.

11. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken van het geding bevindt zich een stuk getiteld "Aanvulling op uitspraak" dat op 14 september 2000 is ondertekend door de voorzitter van de kamer die het onderhavige verzoek heeft behandeld. Deze aanvulling behelst een overzicht van de stukken die deel uitmaken van het dossier. Aan die aanvulling is een tussen haken geplaatst deel van de uitspraak van het Landgericht Duisburg gehecht, inhoudende hetgeen ten laste van verzoeker is bewezenverklaard.

12. Nu de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (hierna: WOTS) niet voorziet in het wijzen van een verkorte uitspraak en een daarop te geven aanvulling, klaagt het middel er terecht over dat het stuk getiteld "Aanvulling op uitspraak" wettelijke grondslag ontbeert. Uw Raad kan derhalve geen acht slaan op dit stuk (vgl. HR 8 mei 2001, griffienummer 03164/00 W).

13. De gegrondheid van het middel op dit punt behoeft mijns inziens evenwel niet tot cassatie te leiden, aangezien - anders dan in het middel wordt betoogd - de rechtbank ingevolge geen enkele bepaling van de WOTS dan wel een in die wet van overeenkomstige toepassing verklaarde bepaling van het Wetboek van Strafvordering gehouden is in haar uitspraak een op-somming te geven van de stukken waarop zij acht heeft geslagen en een overzicht op te nemen van de feiten waarop de buitenlandse veroordeling is gebaseerd en waarvoor de overname van de tenuitvoerlegging wordt verzocht (vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel vóór HR 8 mei 2001, griffienummer 03164/00 W). De aanvulling was derhalve ook overbodig.

14. De klacht dat de rechtbank heeft verzuimd in haar uitspraak een overzicht op te nemen van de feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld en waarvoor de overname van de tenuitvoerlegging wordt verzocht, ontbeert naast een wettelijke overigens ook een feitelijke grondslag, aangezien de rechtbank in het kader van haar onderzoek of aan de eis van de dubbele strafbaarheid (art. 3, eerste lid aanhef en onder e, VOGP) is voldaan uitgebreid is ingegaan op de feiten waarvoor verzoeker in Duitsland is veroordeeld.

15. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.

16. Naar aanleiding van het eerste middel wijs ik er ambtshalve nog op dat de rechtbank bij de toepasselijke verdragsbepalingen heeft verzuimd mede art. 68 SUO aan te halen. Uw Raad kan dit verzuim ingevolge art. 32, zesde lid, WOTS in verbinding met art. 441 Sv herstellen door alsnog te doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover de rechtbank heeft verzuimd art. 68 SUO als mede toepas-selijke verdragsbepaling te vermelden, tot het alsnog aanhalen van die verdragsbepaling en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG